De nieuwe beweging in de schilderkunst/VIII

De nieuwe beweging in de schilderkunst
I - II - III - IV - V - VI - VII - VIII - IX - X - XI - XII - XIII - XIV - XV - XVI - XVII - XVIII - [afbeeldingenkatern]


VIII

De zelfstandigheid der schilderkunst, vrij van practische tendenzen (portret, geschiedkundige, godsdienstige en allegorische voorstellingen


[p. 28]

enz.) komt door het Kubisme uit het begin der XXe eeuw dwingend en gedécideerd naar voren. Vandaar dat deze uiting, in de historie, de uitdrukking van den bewusten Wil zal vertegenwoordigen.
Wij onderscheiden in het Kubisme twee ontwikkelingsstadia, die uit elkaâr voortkomen: het physische (Dérain, Picasso, Braque, Le Fauconnier, Amadeo de Souza Cardoso e. a.) en het psychische Kubisme: (ook Picasso, Severini, Vilmos Huszar, Piet Mondriaan, B. van der Leck.) Het psychische Kubisme is de uitbloei van het physische. In het physische Kubisme is de objectieve realiteitsindruk min of meer behouden, doch in het psychische is alleen de psychische indruk van de uiterlijke realiteit door de samenstelling van lijn- en kleurvormen gegeven.

Stijl is: de Waarheid in rust aanschouwen. De onrust van dezen tijd is het kenmerk eener periode, die aan een nieuwen stijl voorafgaat.*) Daar de stijl der toekomst voornamelijk door het psychische kubisme zal worden bepaald, moeten wij, — het zij eerlijkheidshalve erkend, — ons nieuw bewustzijn uit deze, hoewel soms zeer verschillend in vorm aanwezige kunstuiting, ontwikkelen.
Deze ontwikkeling kan slechts plaats hebben door het verplaatsen der artistieke bewustwordingsgrens van het physisch-naturalistische naar het psychisch-beeldende. Bij elke nieuwe agens in de schilderkunst wordt het tegelijkertijd noodzakelijk, dat wij onze bewustzijnsgrens verplaatsen.
Toen de Gothische kunstuiting in verwildering ten onder ging, was het de hooghartige, wetenschappelijke Renaissance, die de kunstuiting herstelde.

Het over-bewustzijn leidt tot verstomping. Dan komt de schoonheidsdegeneratie; de décadence.
De herstelling vangt aan bij het vinden eener nieuwe agens. Omdat de kern der kunst van de religieuze mystiek (Middeleeuwen) verplaatst werd naar de wetenschap (Renaissance) werd het verstaan dezer nieuwe kunstuiting noodzakelijk, dat de menschheid hare aesthetische bewustzijsgrens verstelde.
——————
      *) Daarom kunnen wij het begin van den nieuwen stijl waarnemen in de werken van hen die rust in de beweging geven.


[p. 29]

      Voor dit verstellen der bewustzijnsgrens is in onzen tijd een zeer groote vitaliteit van den geest noodig. Waarom? Omdat de ontwikkeling der schilderkunst zich, in de XXe eeuw, kenmerkt door eene toenemende snelheid van tempo. De menschheid, die in elk tijdvak, — de geschiedenis bewijst het ons, — achter de Kunst aankomt, inplaats van naast haar, bezit te weinig geestelijke vitaliteit en is te behoudzuchtig in betrekking tot de traditioneele opvatting van de schilderij, om haar kunstbewustzijnstempo evenredig te maken aan het kunstontwikkelingstempo.
De Kritiek, die er op uit moest zijn het bevattings-tekort bij het publiek aan te vullen, staat, zoo niet dikwijls veel lager, met het publiek op één lijn en beweegt zich wanhopig binnen de perken van een oud en betrekkelijk waardeloos geworden, kunstbewustzijn. In den tusschentijd dat de Kritiek haar tekort aan kunstbewustzijn tracht aan te vullen bij de kunstenaars, — o paradie! was de Kritiek niet bestemd den kunstenaar op te voeden of te leiden inplaats van andersom? — zou zij, eerlijkheidshalve op moeten houden, kunstwerken te bespreken, waarvan de aesthetische waarde buiten haar bewustzijnsgrens ligt.*)

[...]
——————
      *) Er is thans ontegenzeggelijk eene kentering in de openbare kritiek waar te nemen. Deze ommekeer openbaart zich in het overnemen der terminologie der moderne beelding. (v. D. 1917).