Delftsche Courant/Jaargang 85/Nummer 274/Kunstkring Delft

‘Kunstkring Delft’ door een anonieme schrijver
Afkomstig uit de Delftsche Courant, maandag 22 november 1926, Eerste blad, [p. 2]. Publiek domein.
[ Eerste blad, 2 ]

Kunstkring Delft.

Op de tentoonstelling die de Kunstkring Delft, van 20 Nov. tot en met 5 December houdt is belangrijk, mooi en veel werk te zien en te koop. In drie zalen hangen de wanden vol met schilderstukken en teekeningen en bovendien vindt men er nog beeldhouwwerk, weefwerk, aardewerk, kant en batik. Bij een zoo groote kwantiteit kunnen we niet elk nummer bespreken en we moeten ons bepalen tot een overzicht der groepen.
In de groep Wijkniet ervaren we in eenige stukken een compromis tusschen impressionisme en realisme. De romantische sensatie bijv. van Stilleven, belichaamt hij hier in een meer monumentalen vorm, zonder de naturalistische atmosfeer geheel door een geestelijke te vervangen. De vormen blijven duidelijk kenbaar en alleen is de uiterlijke realiteit eenigszins zinnebeeldig uitgedrukt. Hoe goed overigens zijn vormgeving en begrip van stemmingswaarde zijn, blijkt o.a. uit het „Huis bij Wateringen.”
Van Lena ten Bosch valt altijd opnieuw te bewonderen haar diepe, rijpe kleur en haar zwierige toets. Zij is eerlijk en ronduit in haar onbekommerde voordracht. Mooi van concentratie is het groote Stilleven, en haar bloemstukken zijn altijd pronkstukken van een expositie.
Henk Leurs brengt verschillende van zijn doorwerkte landschappen. Zijn forsche penseelslag toont hoe hij niet zoekt naar de kleur, maar die onmiddellijk ziet en grijpt. „Sneeuw”, „Koeien bij de plas” en „Koeientocht” verdienen aandacht.
H. Veldhuis is uitbundig in zijn kleuren vooral in de werken van 1001 nacht. Zijn meer modeste interieurs lijken een verpoozing van zijn fantasie.
L. Scheltema waagt een nieuw genre. We zien hier een „Rue St. Nicolas” die den indruk maakt van vingerafdrukken in paarse verf. Goed van karakteristiek maar hard is zijn meisjesportret.
Jan Sühl houdt van licht en kleurenspel. Er zijn in zijn „Zonnig hoekje” goede kwaliteiten. Sühl is nog in de periode waarin hij zijn sentimenten vrij laat uitgolven.
Meer bezonken is het werk van C. Masthoff; hij aarzelt nog tusschen de moderne en de romantische richting. Weemoedig zijn op „Nature morte” de doode vogeltjes.
Van P. van Lavieren vestigen we vooral de aandacht op zijn „Landschap bij Rockanje.”
Van een ongenoemde heeft Groep 10 een vrouweportret dat zoowel diepte van gevoel als bewustheid van kunnen bewijst.
Van H. J. Etienne zijn te bewonderen eenige beeldhouwwerken. Van superieure kwaliteit is het portretbeeld en de Meisjesbuste, hetgeen niet zeggen wil dat het overige werk (Raaf, Aapjes), daarbij ongunstig zou afsteken.
H. de Rouw brengt aantrekkelijke, fleurige werken, zooals „Zonnige dag”, „Brug in Herfst”. Geen geschilderde theorie, maar natuur, gezien door een kunstenaarsoog.
In zaal II begint R. van Lavieren met knap geteekende en in linoleum gesneden portretten. Visionaire teekeningen vinden we hier van een ongenoemde, waarin de fantasie des kunstenaars hem veroorlooft combinaties en realiteiten te maken van dingen, die voor anderen verborgen blijven.
Jan Jansen toont ons weer hoe wondermooi onze stad is. Hij ziet het schoone van Delft en geeft die schoonheid verdiept weer in zijn teekeningen en etsen.
J. Terborg heeft van den N. kerkstoren een groote teekening gemaakt, wel correct, maar zonder de atmosfeer van het oude werk.
De tentoonstelling brengt verder nog bijzonder mooi weef-batikwerk van mej. C. Rademaker in fijne kleurcombinaties en bekorend kantwerk. Van P. J. Hobbel valt sierlijk en slank aardewerk te bewonderen. In een derde zaal zijn verzameld reeds vroeger geëxposeerde werken der inzenders.
De belichting in het Agatha klooster is goed en geeft weinig geglim.