Nansen's Poolreis/Hoe het verder ging

III. NAAR HUIS. Nansen's Poolreis door Fridtjof Nansen

Hoe het verder ging met de Fram.

advertentie



[ 75 ]

Hoe het verder ging met de Fram.


Het verhaal van Sverdrup.


Sverdrup's instructiën.

Toen ik de Fram verliet, gaf ik mijne instructiën aan Sverdrup. Onder andere zaken behelsden deze het volgende:

»Het voornaamste oogmerk van de expeditie is om door te dringen in de onbekende Poolzee, van het gebied bij [ 76 ]Nieuw-Siberië ten noorden van Franz Jozefsland, naar den Atlantischen Oceaan bij Spitsbergen of Groenland. In hoofdzaak hebben wij, naar ik meen, dit plan reeds uitgevoerd, het overige zal langzamerhand worden volbracht naarmate de expeditie meer westwaarts voortschrijdt. Om haar echter nog meer doeltreffend te maken, zal ik een poging doen om met behulp van honden nog wat dichter de Pool te naderen. Het zal nu uw plicht zijn om de mannen, die aan uw zorgen zijn toevertrouwd op de veiligste manier huiswaarts te brengen, en hen zoo min mogelijk aan gevaar bloot te stellen; onaangezien het schip, de lading of de resultaten van de expeditie.


In geval de Fram moet worden verlaten.

»Niemand kan zeggen hoe lang het nog zal duren voor men weder in open water zal komen. Gij hebt voorraad voor verscheidene jaren; indien het echter, door een onbekende reden, te lang zou duren of indien de bemanning ongesteld zoude worden, of wel, indien gij het om de een of andere oorzaak het beste oordeelt dat het schip worde verlaten, dan zou dit ongetwijfeld moeten gebeuren. Op welk tijdstip dit geschieden kan, en welken weg gij dan zoudt inslaan, dit worde aan uw eigen oordeel overgelaten. Mocht het noodig blijken dan zijn Franz Jozefsland en Spitsbergen de beste streken om [ 77 ]als bestemming te kiezen. Indien er, nadat Johansen en ik thuis zijn teruggekomen, een onderzoekingstocht naar de expeditie wordt begonnen, dan zal in de eerste plaats dáár worden gezocht. Wanneer gij voet aan land zet, moet gij, zoo dikwijls het mogelijk is, steenhoopen (cairns)[1] oprichten op vooruitstekende en hooger gelegen punten, en binnen die steenen een kort relaas neerleggen over hetgeen gebeurd is en waarheen ge zijt vertrokken. Opdat deze steenhoopen goed te herkennen zouden zijn, behoort gij op 4 Meter van elk dezer een zeer kleine op te bouwen, volgens het kompas noordwaarts van de groote. Welke toerusting de beste zou zijn in geval de Fram moest worden verlaten, is een quaestie welke we zoo dikwijls hebben besproken, dat ik het overbodig acht daarbij nu nog langer stil te staan.

»Ik weet dat gij er voor zult zorgen het benoodigde aantal kajaks voor allen, benevens sleden, ski, sneeuwschoenen, en andere gereedschappen in gereedheid te houden en zoo spoedig [ 78 ]mogelijk in staat van uitrusting te brengen, opdat zulk een tocht over het ijs met het meest mogelijke gemak kan worden ondernomen. Voorschriften voor den mondvoorraad acht ik voor een tocht van dezen aard zeer gewenscht, en daarom geef ik ze elders met bijzonderheden over het rantsoen per hoofd.


In geval van ernstige moeilijkheden.

»Ik weet evenzeer dat gij alles gereed zult houden om de Fram in den kortst mogelijken tijd te kunnen verlaten, indien haar plotseling een onvoorzien onheil trof, door brand of door ijspersing. Ik acht het wenschelijk dat er, indien het ijs zulks mogelijk maakt, altijd een opslag worde gemaakt met de noodige provisie enz. op een veilige plek; zooals we dat onlangs hebben gedaan. Alle noodzakelijke zaken welke niet op het ijs kunnen gebracht worden, behooren zoodanig aan boord te worden geplaatst, dat zij onder alle omstandigheden gemakkelijk te bereiken zijn. Zooals gij weet zijn er in het ruim alleen beperkte rantsoenen voor de sleden opgelegd; daar het echter zou kunnen gebeuren dat de expeditie eenigen tijd moest blijven waar zij was, zou het zeer wenschelijk zijn zooveel bussenvleesch, visch en groenten als maar mogelijk is uit te sparen. Met het oog op moeilijke tijden, acht ik het wenschelijk dat ook van deze [ 79 ]artikelen een voorraad op het ijs voorhanden is.

»Indien de Fram ver naar het Noorden van Spitsbergen mocht afdrijven en in den stroom komen onder de Westkust van Groenland, dan kan men zich allerlei gebeurlijkheden voorstellen, waarover echter bezwaarlijk een vast denkbeeld is te vormen. Mocht gij evenwel gedwongen zijn de Fram te verlaten en landwaarts in te trekken, dan zou het beste zijn om ook daar steenhoopen op te richten, zooals boven werd omschreven, omdat men bij het zoeken naar de expeditie ook ginds mogelijk naar haar zou kunnen uitgezien. In zulk een geval zult gij zelf het best in staat zijn naar omstandigheden te handelen, hetzij gij in de richting van IJsland voorttrekt (het meest nabij zijnde land, en dat ge in het voorjaar zult kunnen bereiken door de grens van het ijsveld te volgen) of naar de Deensche nederzettingen bewesten Kaap Vaarwel.


De uitrusting.

»De zaken welke gij behoort mede te nemen indien de Fram wordt verlaten, zijn, behalve de benoodigde provisiën: wapens met ammunitie en toebehooren, alle wetenschappelijke en andere dagregisters en waarnemingsjournalen, alle wetenschappelijke collecties die niet te zwaar zijn (in elk geval echter kleine gedeelten van elke), de photographieën — liefst de oorspronkelijke platen, maar wanneer ze te [ 80 ]zwaar zijn, afdrukken daarvan—; de areometer waarmede de meeste waarnemingen werden gedaan omtrent de soortgelijke dichtheid van het zeewater, benevens natuurlijk alle journalen en memoranda welke van eenig belang zijn. Ik laat twee of drie dagboeken en brieven achter, waarvoor ik u opdraag goed te zorgen, en die gij aan mijne vrouw zult ter hand stellen indien ik niet thuis mocht komen, of indien gij tegen de verwachting vóór ons thuis zoudt zijn.

„Hansen en Blessing zullen zooals gij weet, zorg dragen voor de verschillende wetenschappelijke waarnemingen en verzamelingen, gijzelf zult toezien op de peilingen, en zorgen dat zij zoo dikwijls als de omstandigheden het veroorloven zullen worden genomen......

Daar de bemanning vroeger reeds beperkt was en nu weder met twee man wordt verminderd, zal ieder's dagtaak met eenig werk vermeerderen[2]; ik weet echter zeker dat gij zoo veel mogelijk de bemanning zult laten meewerken aan de wetenschappelijke waarnemingen en deze zoo volledig mogelijk zult uitvoeren......

„Ten slotte wensch ik het grootst mogelijke succes aan u en degenen voor wie gij thans verantwoordelijk zijt. Mogen wij elkaar weer [ 81 ]ontmoeten in Noorwegen, hetzij dan dat gij aan boord van, of zonder het vaartuig terugkeert."


De trouwe kapitein.

Sverdrup maakte het zich tot een gewetenszaak de voorschriften welke ik had opgesteld stipt uit te voeren en zoo werd de geheele zomer, nadat Johansen en ik de Fram hadden verlaten, ijverig besteed, niet alleen voor alles wat de veiligheid van het vaartuig betrof, maar ook om de uitrusting voor een sledetocht over het ijs zoo volmaakt en volledig te maken als maar mogelijk was. Nooit is waarschijnlijk een expeditie beter voorbereid geweest om een vaartuig in den steek te laten als deze, en dat hoewel de noodzakelijkheid om zulks te doen zich niet liet aanzien. Reeds vóór mijn vertrek waren lichte, opvouwbare kajaks, elk voor twee man, aan boord gereed gemaakt, en sleden, ski, sneeuwschoenen, kookgereedschap, tuigwerk voor de honden, enz. enz., dat alles werd beproefd en goed nagezien; voorts werden volgens mijne instructies de mondvoorraden steeds gereed gehouden. Reeds voor wij het schip hadden verlaten, was men reeds eenigen tijd bezig geweest om de ijsblokken weg te werken, welke gedurende de persing van Januari 1895 tegen de wanden van de Fram waren opgestapeld. Deze arbeid werd ook na ons vertrek voortgezet.

In het laatst van Maart, juist toen deze laatste [ 82 ]stukken waren weggeruimd, scheurde het ijs in alle richtingen om het schip vaneen en ontstond er een breede geul, welke zich op een afstand van eenige voeten langs den achtersteven van het schip uitstrekte.



De winterkwartieren. Terugkeer van een Ski-tocht.


Het ijs komt los.

Het begon gaandeweg sterk te kruien in deze scheur en [ 83 ]het ijs spleet geheel open, zoodat de Fram tegen het laatst van Juli voor het grootste deel in open water lag. Maar de spiegel bleef toch nog vastgevroren in een groot ijsblok. Men deed een poging om het te doen springen, maar dit scheen slechts weinig uitwerking te hebben, want er kwam alleen een kleine barst in het ijs. Sverdrup stond met eenige zijner metgezellen op het ijs te praten, beraadslagende wat men verder zou doen om het schip vlot te krijgen, toen zij plotseling opmerkten dat de Fram zich langzaam begon te bewegen; en voor zij het recht begrepen, gleed het schip met een oorverdoovend geraas van zijn ijsbed in het water, terwijl het in alle richtingen hoog opspatte. 't Was als een schip dat van stapel loopt, en de terugkeer tot het bevriende element werd met luide juichkreten begroet. Maar de Fram zou zich dat jaar niet lang in haar vrijheid verheugen. Door verhalen en uitzagen werd zij weder in een veilige ijshaven gebracht, en was in Augustus opnieuw ingevroren.


Opnieuw vlottende.

In den beginne, nadat wij het schip hadden verlaten, was er weinig voortgang, maar tegen het eind van April werd de drifting weer wat sterker, in westelijke richting. Op 22 Juli 1895 was de Fram op 84' 50' N.B. en 73° O.L. In die dagen scheen er een groote beweging in het ijs te zijn, met sterke [ 84 ]persingen aan alle kanten rondom het schip. Daarna kwamen er weer zuidwestelijke en westelijke winden, welke gedurende de laatste helft van den zomer het voordrijven der Fram belemmerden en haar toen zelfs terugdrongen naar het Oosten of het Noorden. Het duurde nog tot October voor zij weer naar het Westen werd gedreven, meer gedurende het overige gedeelte van herfst en winter was de gang beter dan ooit. Op 10 October 1895 bereikte de Fram de grootste Noorderbreedte, te weten 85° 57' bij 66' O.L. Enkele dagen later was zij zelfs nog meer naar het Noorden voortgekomen, maar toen was het mistig, zoodat men geen waarnemingen kon doen. Half Februari 1896 was de Fram in zuidwestelijke richting gekomen op 84° 20' N.B. en 24° 0.L., maar hier werd de vaart geheel onverwachts door lang aanhoudende zuidenwinden tot in de maand Mei gestaakt, toen het schip weer zuidwaarts begon te gaan. Op 19 Juli was men al dus gekomen op 83° 14' N.B. en 14' 0.L., en toen begon het zware werk om de Fram uit het ijs los te maken. Wanneer dit niet was gelukt en het vaartuig genoodzaakt was geworden om voort te drijven, dan zou het natuurlijkerwijze, met het poolijs mee, langs de kust van Groenland zijn geloopen, waarop de stroom van het driftige ijs regelrecht was gericht; indien het echter nog [ 85 ]langer geduurd had voor de Fram was vrij gekomen, dan zou zij in zuidelijke richting en over Kaap Vaarwel zijn gestevend, een weg, die echter reeds dikwijls werd afgelegd, zoodat het minder de moeite zou geloond hebben die te herhalen.


Een ijsheffing.

Gedurende haar tocht door de onbekende Poolzee, van Nieuw Siberië naar het Noorden van Spitsbergen, was de Fram voortdurend bloodgesteld aan ijsdruk, maar toch geen enkele maal zoo ernstig als bij de reeds beschreven persing in Januari 1895. Gedurende dezen laatsten zomer en bepaaldelijk in Juni 1896 was het kruien weer zeer sterk en van een bijzonderen aard. De Fram lag in dezen tijd in een kanaal, dat zich bij de wisseling van eb en vloed regelmatig tweemaal in het etmaal opende en weer sloot. Gedurende een geheele week in Juni, bij springtij, was de persing in dat kanaal zeer hevig en de Fram werd geregeld eens of tweemaal per dag opgeheven, somtijds zoo hoog, dat men haar kiel boven het ijs kon zien. Maar breed en sterk als het vaartuig is, rees het statig op, zonder dat men binnen boord iets hoorde van krakend of splinterend houtwerk. Niemand van de bemanning werd door de persing gewekt, zelfs niet wanneer die het toppunt bereikte, en het gebeurde zelfs dat Sverdrup, die een hazenslaap heeft, des morgens ontwaakte zonder [ 86 ]te weten wat er des nachts was gebeurd. En eerst wanneer hij aan dek kwam en over de verschansing keek, bemerkte hij dan dat het vaartuig hoog boven het ijsoppervlak was op getild.

Dit regelmatig rijzen was natuurlijk toe te schrijven aan de goedgekozen lijnen volgens welke de Fram was gebouwd, en hieraan is het ook te danken, dat zij, zelfs bij haar hoogsten stand, nooit belangrijk overhelde; gewoonlijk lag het vaartuig bijna horizontaal. Somtijds bedroeg de schuine stand enkele graden, maar de grootste helling welke de Fram in het ijs aannam beliep toch slechts 8°.


Temperatuur van de Poolzee.

Ik heb reeds melding gemaakt van de temperatuur gedurende den eersten winter, en behoef er slechts bij te voegen dat de twee volgende winters aan boord van de Fram niet kouder waren. Het is bekend dat de streken ten Zuiden van de Lenadelta in Siberië, een der polen vormen van de laagste temperaturen op het Noordelijk halfrond. Daarom was het niet te verwachten dat de winters in het noordelijk deel van de onbekende Poolzee, hetwelk we gingen onderzoeken, kouder zouden zijn dan die aan den Siberischen kant. En zoo is het ook uitgekomen. 't Spreekt wel van zelf dat de temperaturen aan boord van de [ 87 ]Fram gedurende deze drie winters zeer laag waren, terwijl wij beiden op Franz Jozefsland een betrekkelijk zachter winter doorbrachten.


Zondagmiddag aan boord.


Maar als een soort van vergoeding daarvoor, hadden wij daarentegen hevige stormen te verduren, waarvan het binnenste Poolbekken grootendeels [ 88 ]verschoond blijft. In den binnensten Poolgordel waren ook de zomers vrij koud, want de temperatuur bleef gewoonlijk om en bij het vriespunt, slechts nu en dan enkele graden daarboven stijgend. Zoover ik mij herinner was de hoogste temperatuur gedurende onzen tocht 7 of 8° (Fahrenheit) boven nul. In de binnenste Poolstreek was weinige vocht in den dampkring, daar de koude lucht zeer weinig vochtdeelen meevoert. In den winter en het voorjaar hadden we dan ook gewoonlijk zeer standvastig helder weer, terwijl er in den nazomer zeer dikwijls een zware mist over het ijsvlak lag uitgespreid. Regen was zooals van zelf spreekt een groote zeldzaamheid.


Het Noorderlicht.

Gedurende de geheele reis was het Noorderlicht een zeer gewoon verschijnsel, en er ging schier geen dag voorbij of wij konden het waarnemen, indien ten minste de dampkring die waarneming niet belette. We waren dan ook in zeer gunstige omstandigheden om dit phenomenale natuurverschijnsel te bestudeeren. Somtijds steeg het tot een groote helderheid en 't was alsof het geheele uitspansel in vlammen opging. In het Noorden zagen we dikwijls licht van allerlei kleuren, welke bijwijlen zeer helder en sprekend waren. Geluiden werden daarbij nooit vernomen, en de kleuren waren nooit vlak aan den horizont.

[ 89 ]De atmospherische electriciteit was eveneens een onderwerp voor waarnemingen, en somtijds was de electriciteit vrij sterk. Het resultaat van deze bevindingen kan echter eerst later worden medegedeeld. Gedurende den geheelen tocht werden luchtdeelen in glazen buisjes besloten en zullen thuis aan analyse worden onderworpen.


De warme stroom.

Nadat ik van de Fram was vertrokken, nam de diepte op haren weg voortdurend toe, en het dieplood wees 1800 en 1900 vademen aan, terwijl het vaartuig zich een weg baande in de richting van Spitsbergen. Ook de temperatuur van het water bleef nagenoeg onveranderd; de laag van warmer water onder het koude aan de oppervlakte, waarvan ik vroeger reeds melding maakte, werd nu wat dieper naarmate men meer in westelijke richting vorderde, naar de Noordelijke IJszee tusschen Spitsbergen en Groenland.


De gezondheidstoestand.

Ik heb reeds meegedeeld dat de gezondheidstoestand aan boord buitengewoon gunstig was, en zoo bleef die ook gedurende het laatste jaar. De eenige gevallen van ongesteldheid waren een of twee aandoeningen van maagcatarrh, een korte aanval van rheumatiek en nog een paar lichte ongesteldheden. Gedurende den geheelen tocht vertoonde zich geen spoor van scheurbuik. [ 90 ]Ik ben dan ook van meening dat deze ziekte zich niet zal voordoen wanneer een expeditie maar goed is toegerust wat de deugdelijkheid der levensmiddelen betreft, en dat daarom dit ongemak thans voor goed behoort te worden verbannen bij alle tochten in het hooge Noorden. Van alle ziekte-verschijnselen welke bij Pooltochten werden ondervonden, heeft scheurbuik het grootst aantal slachtoffers gemaakt.


Hoe men het ijs liet springen.

Toen de expeditie in Juni en Juli van dit jaar eenige kans begon te zien om zich met de Fram een weg te banen in zuidelijke richting, werd er hard gewerkt om het vaartuig uit te ijzen, een taak welke te midden van de groote ijsbanken uitermate zwaar was. Het eenige middel was om het ijs stuksgewijze te laten springen, waarbij dan zoowel schietkatoen als buskruit werd toegepast. Het eerste bleek zeer doeltreffend, maar ladingen van 50 K.G. buskruit hadden ook, wanneer ze op handige manier waren aangebracht, een uitstekende uitwerking.

Gedurende dezen voortdurenden belegeringsoorlog gebeurde een ongeval dat allicht zeer ernstige gevolgen had kunnen hebben. Sverdrup had juist, met één man als helper, een mijn in het ijs gelegd en de lont aangestoken, toen plotseling het stuk ijs waarop zij stonden [ 91 ]omkantelde, en beiden in het water vielen, zoodat ze vlak bij de lading en de brandende lont terecht kwamen.


Het werken op het ijs.


Hun toestand was allesbehalve aangenaam. Zij deden al hun best om weer op het ijs te komen en buiten het bereik van de mijn, [ 92 ] die op het punt stond te springen; maar de rand van het ijs was hoog boven hen en het gelukte hun niet dan na enkele vruchtelooze pogingen om een veilige plaats te bereiken. Onmiddellijk daarop volgde de ontploffing.


De Fram komt weer los.

Nadat men een aantal dagen hard gewerkt had aan dit uitijzen met springmiddelen, slaagde men er eindelijk in de Fram weer vrij te krijgen, en zoo begon toen op 19 Juli het zware werk om het vaartuig in zuidelijke richting te sturen, dwars door het dicht opeengepakte drifijs. De hoeveelheid ijs in deze buurt was ontzaglijk, en daarbij waren zulke reusachtige schollen dat men zelfs met den kijker het einde niet kon zien. Nergens zag men open water en de toestand leek soms hopeloos. Maar er is een sterke prikkel wanneer men nergens een toevluchtsoord ziet, en er geen andere keus is dan vooruit te streven. Zoo werkte men maar door met dit uitstekende schip waarmede het onmogelijke tot mogelijkheid werd. Stoomende en laveerende zwoegde de dappere Fram, stukje bij beetje, door ijs waarvoor de meesten in vertwijfeling het doorbreken zouden hebben opgegeven. Werd het zelfs voor de Fram te machtig dan werd baan gebroken door springmiddelen.

Ongeveer een maand lang ging men voort met dit werk en zoo braken zij zich gedurende [ 93 ]dien tijd een weg door het ijs van 150 geographische mijlen lengte, een grooter ijsveld dan waartegen ooit eenig vaartuig is opgetornd.


150 mijl lang door het ijs werken.

Den 13den Augustus, op denzelfden dag dat Johansen en ik te Vardö aankwamen, geraakten ze ten slotte het ijs kwijt en kwamen weer in open water.


Geen tijding van Nansen.

Toen zij uit het ijs waren bevrijd hing er een mist, welke echter spoedig weer optrok. Zij waren toen vlak bij een klein vaartuig, de Söstrene (Gezusters), een schoener van Trömsö, wier bemanning de Fram met luide juichkreten begroette. De gezagvoerder Bottolfsen kwam aan boord, en de eerste vraag die men hem deed, was of Nansen en Johansen al in Noorwegen waren teruggekomen. Het ontkennende antwoord had een verkillende uitwerking op hunne vreugde dat zij eindelijk uit het ijs waren geraakt, en er waren nu maar enkelen aan boord die nog hoopten ons terug te zien. In de meening dat men op Spitsbergen beter ingelicht kon zijn, vertrokken zij daarheen om Andrée te ontmoeten, die volgens Bottolfsen daar moest wezen. Toen ze er kwamen kregen ze evenmin een geruststelling en hunne bezorgheid over ons, hunne beide kameraden, nam voortdurend toe. Kapitein Sverdrup was misschien wel de eenige aan boord, die nog durfde [ 94 ] gelooven aan ons behoud; hij vermoedde, dat we in het vorige najaar zoo laat Franz Jozefsland hadde bereikt, dat we genoodzaakt werden daar met de expeditie van Jackson te overwinteren.

Toen hij dit vermoeden kenbaar maakte, waren allen onmiddellijk bereid om ons op Franz Jozefsland te gaan zoeken. Inderdaad was de Fram nog voldoende toegerust om desnoods andermaal een Noordpooltocht te ondernemen. Voor alle zekerheid besloot men echter eerst naar Noorwegen te gaan om te hooren of men intusschen misschien iets van ons had vernomen.


Mijn naam is Sverdrup.

In den laten avond van 20 Augustus liet de Fram het anker vallen in de kleine haven Skjaervö, in Finmarken.

Sverdrup liet zich dadelijk aan wal roeien om telegrammen te verzenden. Nadat hij eenigen tijd tevergeefs op de verschillende deuren van het telegraaf-kantoor had gebonsd, werd er een raam opgeschoven en een nijdige stem riep:

„Kunnen ze dan iemand zelfs 's nachts niet met rust laten? Wat moet jullie hebben en wie ben je?"

„Mijn naam is Sverdrup en ik ben kapitein van de Fram!" was het kalme antwoord.

Toen sloeg de man die uit het raam keek, onmiddellijk een anderen toon aan. „Ik kom, ik [ 95 ]kom!"...., klonk het, en het raam viel dicht. Sverdrup liep om het huis heen naar de voordeur en vond daar tot zijn verbazing den directeur van het kantoor reeds gekleed staan. Nooit heeft iemand ter wereld zich zoo snel aangekleed, zeide hij later; maar zijn verbazing veranderde in opgetogenheid toen men hem tegemoet kwam met de woorden: „Nansen en Johansen zijn er al!"


Alles in orde.

Sverdrup gunde zich nauwelijks den tijd om te antwoorden, maar rende naar den waterkant, en schreeuwde het heuglijke nieuws aan de roeiers in het bootje toe, die elkaar als dol van blijdschap om den hals vielen. Toen werd het onmiddellijk overgebracht aan boord van de Fram, en spoedig daarop klonk het saluut: twee dreunende kanonschoten, die in den stillen zomernacht ver in het rond weerklonken, als het sein dat de Noorweegsche Poolexpeditie in het vaderland was teruggekeerd.

 
  1. Cairn of kayrn, eigenlijk ronde of conisch gebouwde steenhoopen, welke hier en daar in Engeland voorkomen; eeuwenheugende grafmonumenten, als de hunnebedden.—Reeds de expeditie welke onder Franklin jammerlijk omkwam (1846—'48) had dergelijke „cairns" opgericht.—Vert.
  2. De geheele expeditie telde slechts 13 man.—Vert.