Nansen's Poolreis/II. De reis




[ 15 ]

II. DE REIS VAN DE FRAM.


Den 24sten Juni 1893 was eindelijk alles gereed, en de Fram lichtte in Christiania Fjord het [ 16 ]anker. Op 21 Juli vertrokken we van Vardö, de laatste haven in Noorwegen, en richtten den koers naar Novaja Zemlja. Onderweg werden we gedurende eenige dagen door het ijs tegengehouden en bereikten Chabarowa in Straat Joegor eerst den 29sten Juli. Hier namen we 34 Siberische trekhonden aan boord, welke ons door een man werden aangebracht van wege Baron Von Toll, die ze van de Ostiaken in West-Siberië had gekocht. Hier moesten ook onze ketel worden schoon gemaakt en verschillende andere toebereidselen worden genomen voor we verder konden gaan.

Wij hadden ook te wachten op de Urania, een vaartuig dat ons een lading steenkolen zou aanbrengen. Toen dit maar niet kwam, en we toch al een grooten kolenvoorraad hadden, besliste ik dat we ons maar niet zouden ophouden omdat de tijd drong.


Het afscheid van de menschen.

In den avond van 3 Augustus waren we voor het vertrek gereed. Mijn secretaris Christoffersen, die ons tot hier vergezeld had, nam afscheid van ons. Juist toen we nu het anker zouden lichten kwam er zulk een dichte mist op, dat we de punt van den boegspriet nauwelijks meer konden zien. Die mist scheen niet te willen optrekken, zoodat ik besloot toch maar te vertrekken. Ik ging toen zelf met een man in een [ 17 ]petroleum-barkas vooruit om de nauwe engten te verkennen, waar we elk oogenblik aan den grond konden raken. We kregen gelukkig de ruimte, en den volgenden morgen waren we in Straat Joegor en kwamen in de gevreesde Kara-zee. Het duurde toen niet lang of we kwamen ijs tegen en het scheen wel of de weg aan alle kanten was versperd, maar we vonden een open kanaal dat in oostelijke richting langs de kustlijn liep en volgden dat tot de Kara-rivier. Toen staken we over naar het schiereiland Jalmal, waar we op den 6den Augustus door het ijs voor goed werden tegengehouden. We gingen aan wal en kortten den tijd met botanisch en geologisch onderzoek. Toen we bovendien eens poolshoogte namen, bevonden we dat de kust op de kaarten een halven graad te ver naar het Westen was aangegeven. Terwijl wij hier lagen, kwamen er twee Samojeden aan boord; ze werden gastvrij ontvangen, en vertrokken zeer in hun schik, verrijkt als ze waren met beschuiten en andere Europeesche weelde-artikelen. Het waren de laatste menschelijke wezens die wij zagen.

Op 12 Augustus opende de ijsbank zich voldoende, om ons een kans te geven voor een doortocht in Noordelijke richting. En werkelijk waren we zoo gelukkig aan de Noordelijkste punt van Jalmal, op 13 Augustus, open water te [ 18 ]vinden, maar een stijve bries uit het Noordoosten dwong ons om bij zware zee oostwaarts te houden.

Dit duurde zoo verscheidene weken.


Het eiland Sverdrup.

Toen we op zekeren dag tegen een stevige bries in de Kara Zee opwerkten, Noordwestelijk van den mond der Jenisei, kregen we plotseling land in 't zicht. We konden niet uitmaken wat dit was, want volgens onze waarnemingen waren we in volle zee, maar het werd spoedig duidelijk dat dit een nog onbekend eiland was dat we Sverdrup doopten. Dien avond kwamen we onder de kust bij Dicksonhaven. Oorspronkelijk was het onze bedoeling geweest hier binnen te loopen om brieven naar huis af te geven, welke dan zouden worden afgehaald door de Engelsche Jenesei-expeditie onder kapitein Wiggins, maar de tijd was te kostbaar en daarom besloot ik zonder verwijl voort te gaan.

Gedurende onzen tocht in Noordoostelijke richting langs de kust van Siberië, ontdekten we voortdurend nieuwe eilanden, waarbij ik nu niet langer zal stilstaan. Deze kust is over het algemeen geheel anders dan zij op de kaarten is weergegeven. Zij gaf mij den indruk van een glaciale kust met diepe fjorden, en een sterken gordel van rotsen en eilandjes daarvoor, eenigszins zooals de Westkust van Noorwegen of [ 19 ]Schotland, ofschoon de bergen niet zoo hoog en de fjorden niet zoo diep waren ingesneden.


Kenmerken van een ijstijdperk.

Op 20 Augustus zetten we voet aan wal op een der Kjelman's eilanden, waar we een paar beren en eenige rendieren schoten. Hier vonden we, evenals op verschillende plaatsen van de Siberische kust, de onmiskenbare sporen van een ijs-tijdperk, waarin Noordelijk Siberië met ijs moet bedekt zijn geweest over een groote uitgestrektheid.

Bijna overal waar ik landde, van het schiereiland Zalmal tot beoosten kaap Tsjeljoeskin, vond ik erratische blokken en moraine-lagen, en op het bedoelde eiland van de Kjelmangroep waren op een plek die bij laag water droog liep, de kenmerkende inkervingen te zien.


Het begin van den kamp met het ijs.

Toen we op het punt stonden om van hier te vertrekken, werden we opgehouden door storm en een snellen tegenstroom, welke ons het voortgaan in dit gevaarlijke vaarwater vol klippen en engten onmogelijk maakte. Het was niet vóór 24 Augustus dat het beter weer werd, maar we moesten toch nog voortwerken tegen een sterken tegenwind, in oostelijke richting. Op den 27sten bereikten we Kaap Palander en dien zelfden avond werden we gestuit door [ 20 ]ongebroken landijs tusschen Nordenskjöld's Taimyr Eiland en de Almquist eilanden. We trachtten wel ons baan te breken naar het Noorden, maar ontdekten toen een nieuwe eilandenreeks, welke zich ver Noordwaarts uitstrekte.

Een hoogte-bepaling (zomer van 1894).

Toen we eindelijk het Noordelijkste dezer eilanden hadden bereikt, werden we alweer tegengehouden door dichtopeengepakte ijsmassa's en waren genoodzaakt terug te keeren. Nergens was een doorgang te bespeuren; overal tusschen de eilanden lag [ 21 ]ongerept landijs uitgestrekt. We waren gedwongen te wachten en werden bedreigd met een overwintering op een plek waar Nordenskjöld reeds half Augustus van het jaar 1878 overal ijsvrij water had gevonden.

Maar de storm brak gelukkig het ijs op, en den 6den September konden we onze vaart vervolgen. Tot onze verwondering zagen we echter land vooruit, toen we volgens de kaart slechts halverwege de golf van Taimyr waren. Deze baai is veel nauwer dan men uit de gewone kaarten zou opmaken en heeft een geheel ander voorkomen. In Noordelijke richting hielden we op Kaap Tsjeljoeskin aan, maar werden op 7 September door zware ijsbanken aan de landzijde tegengehouden.

Den volgenden dag maakte ik een tocht op het schiereiland Tsjeljoeskin. Het bevatte uitgestrekte kleibeddingen, begroeid met groote erratische granietblokken, porphier en verschillende andere rotsachtige gesteenten. Ook ontdekte ik hier de opening van een uitgestrekten zeeboezem, die ver in het land doordrong.


We loopen de trekhonden mis.

Den 9den September konden we onze vaart Noordwaarts weer voortzetten en ontdekten voortdurend nieuwe eilandjes in de zee bewesten Kaap Tsjeljoeskin, dien we op den 10den [ 22 ]rondden. Ten Oosten daarvan werden we andermaal door het opeengehoopte ijs genoodzaakt halt te houden. Naar het Oosten en het Zuiden langs het schiereiland Taimyr lagen de ijsmassa's zoo dicht aan de kust dat we genoodzaakt waren daar voortdurend langs te varen tot ongeveer de hoogte van de rivier Anabara. Op 15 September waren we tegenover de Olenek-rivier, waar men met 26 uitstekende trekhonden onze komst zou afwachten. Deze waren ons ook bezorgd door Baron von Toll, omdat de honden uit Oost-Siberië veel beter zijn dan de West-Siberische. Het was voor mij van groot belang om deze honden mee te nemen, want ik voorzag dat ze ons van groot nut zouden zijn; maar het nauwe vaarwater en het late jaargetijde weerhield me om binnen te loopen. Zoo we hier aan den grond waren geraakt, zou het ons allicht verscheidene dagen hebben gekost om weer vlot te komen, en intusschen had de winter kunnen invallen en zouden we op zijn best voor een heel jaar gevangen zijn geweest. Ik berekende dat we ons aan deze kans niet mochten blootstellen en daarom zetten we den tocht naar de Nieuw-Siberische eilanden voort.


Door een ijsberg gesleept.

In den avond van 18 September passeerden we het westelijkste deel van deze eilandenreeks, met name [ 23 ]Bielkov-eiland. Te Kotelny waren door Baron von Toll eenige voorraden opgeslagen, voor het geval dat de expeditie gedwongen werd aan land te gaan en dwars door Siberië terug te keeren. Ik had die depôts gaarne bezocht, maar wederom werden we door den tijd gedrongen om zonder verwijl den tocht naar het Noorden in open water te vervolgen. Niet vóór 20 September werden we op 77° 44' N.B. door het ijs gestuit. Ik zou liever nog meer oostwaarts zijn opgegaan langs den rand van het ijsveld, om het geheimzinnige Sannikof-land te onderzoeken, en vandaar in de richting van het eiland Bennett te trekken; maar er zat te veel ijs naar dien kant en daar het dus twijfelachtig bleef of het voortgaan mogelijk zou wezen, ging ik in noordwestelijke richting langs het veld voorwaarts. Op 21 September kwamen we aan den ingang van een baai in het ijs, vanwaar het ijsveld zich in Zuidwestelijke richting uitstrekte. Hier zagen we er verder geen gat in om naar het Noorden door te breken en daarom maakten we op 22 September, ter hoogte van 78° 50' N.B. en 133° 37' O.L. het schip aan een ijsberg vast en lieten ons door het ijs omringen, dat spoedig dicht om de Fram was opgekruid.

Gedurende de eerstvolgende dagen dreven we in noordelijke richting, zoodat we op 29 [ 24 ]September den 29sten lengte-graad passeerden.


Wij drijven noordwaarts.

We hadden dus goede hoop, maar die vervloog spoedig toen er een noordenwind kwam, welke den geheelen herfst aanhield en ons in zuidoostelijke richting dreef. Dat was een treurige tijd, en 't scheen wel dat alles ons tegenliep. Op 8 November waren we weer teruggedreven tot 77° 43' N.B. en 138° 8' O.L. Toen kregen we echter winden uit het Zuiden en Zuid-oosten en begonnen nu in ernst noordwaarts en noordwestelijk te drijven, juist zooals in het plan van de expeditie was voorzien.


De Fram in het ijs bekneld.

In October reeds waren de ijspersingen geweldig geweest en duurden voort gedurende herfst en winter. Wij bemerkten spoedig dat dit voornamelijk een gevolg was van de getijden, en dat het ijs regelmatig tweemaal in het etmaal uiteenging en dan weer samenkruide. Daardoor was de persing bij springtij ook het sterkst; dan werd het schip soms voeten hoog opgelicht om later weer in zijn vorige positie terug te zakken, zoodra het ijs weer open kwam.

Voor elk ander vaartuig, dat in hetzelfde geval verkeerde, zou deze persing noodlottig zijn geweest, maar de Fram overtrof onze stoutste verwachtingen en was boven elke drukking verheven. [ 25 ]Het ijs kruide zich op, en schuurde langs de kanten van het vaartuig met een onheilspellend geraas, maar alles te vergeefs. Men hoorde daarbij niets dat aan het kraken of breken van houtwerk herinnerde. Het geweld van het langs de scheepswanden schurend ijs was echter soms zoo ontzettend, dat we elkander niet konden verstaan als we in de kajuit zaten. Dat was vooral lastig voor de kaartspelers, die daardoor niet konden hooren wat zij elkaar afriepen.


Als in een bomvrije vesting.

In den beginne, toen de bemanning hieraan nog niet gewend was, kwamen allen aan dek om het belangwekkende schouwspel te zien; maar men geraakte er spoedig aan gewoon, en niemand ging meer naar boven, hoe hevig de persing ook was. We voelden ons even veilig als in een vesting, en de Fram was een gezellige warme kluis, waar men niemendal merkte van de strengheid van den poolwinter.


De koude.

Het weerglas daalde intusschen sterk en bleef gedurende den winter op gelijke laagte. Weken lang was het kwik bevroren. De laagste temperatuur was 63° onder nul.

In weerwil hiervan, en hoewel er zelfs bij zulk een koude dikwijls wind stond, gevoelden we ons zeer behaaglijk bij onze tochten in de open lucht, waarbij we goede wollen kleeding droegen [ 26 ]en overjassen die „wind-proof" bleken. De Fram was zoo goed tegen de koude beveiligd dat we niet voor Nieuwjaar vuur in de kajuit behoefden aan te leggen.


De verlichting.

Alle deelnemers zijn gedurende de geheele expeditie volkomen gezond gebleven en we waren het er allen over eens dat de Poolzee een gezonde plaats is, vooral als men over zulk een uitstekend sanatorium kan beschikken als de Fram bleek te zijn.

Het electrisch licht werd door middel van den windmolen opgewekt en voldeed geheel aan onze verwachtingen. Er was echter niet altijd voldoende windkracht om steeds electrisch licht te leveren, maar dan wisten we ons met gewone olielampen te vergenoegen.


Het leven aan boord.

Het leven aan boord werd over 't geheel zoo aangenaam mogelijk gesleten. Er heerschte een prettige stemming en ieder man deed gaarne zijn plicht. Er was natuurlijk voor bezigheid gezorgd, maar zelfs zonder deze wist men met den leegen tijd wel raad. Voor degenen die niet voortdurend onledig waren met wetenschappelijk onderzoek en waarnemingen, was er overvloedig tijdverdrijf door een uitstekende bibliotheek, allerlei spellen, muziek, en tijdkorting van allerlei aard. Ik geloof niet dat een onzer gedrukt werd door [ 27 ] de eentonigheid van het bestaan waarover bij alle poolexpeditiën zeer geklaagd werd.

Een avond in de kajuit.


Wat onszelf betreft, die voor het wetenschappelijk werk hadden te zorgen, we hadden waarlijk meer te doen dan we afkonden. De Fram was inderdaad een uitstekend observatorium voor [ 28 ]wetenschappelijk onderzoek van elken aard, en daarom is het dan ook niet te verwonderen dat wij zulk een overvloed van kostbaar materiaal medebrachten, zooals weinige expedities vóór deze.

Luitenant Sigurd Scott-Hansen had de meteorologische, magnetische en sterrekundige waarnemingen voor zijne rekening genomen, welke naar ik durf te verzekeren zeldzaam volledig zijn. Op Dr. Blessing rustte voor het grootste deel de zorg voor de botanische waarnemingen, benevens die van de aurora borealis (Noorderlicht) en natuurlijk ook de physiologische en medische, welke evenmin onbelangrijk waren. Bovendien werden aan boord nog zoölogische onderzoekingen gedaan, voorts peilingen, opnemingen van temperatuur en zoutgehalte van het zeewater, waarnemingen omtrent de atmospherische electriciteit, en nog heel wat meer.


Diepte van de Poolzee.

In de zee bij de Siberische kust en noordwaarts tot 79° N.B. trof ik slechts geringe diepte aan, — minder dan 90 vadem. Een weinig zuidelijker van deze breedte nam de diepte echter met verbazende snelheid toe; zoo bevond ik dat de zee een weinig meer Noordwaarts een diepte bereikte van 1600 tot 1900 vadem. Het komt mij daarom voor, dat het geheele Pool-bassin kan beschouwd worden als ware het een voortzetting van een [ 29 ]diep kanaal dat van den Noordelijken Atlantischen Oceaan voortloopt tusschen Spitsbergen en Groenland door. Deze ontdekking van een diep Poolbekken werpt echter alle vroegere theoriën omtrent een nauwbegrensde Poolzee omver.

Nansen's taak. Diepzee-peilingen.

Bij de tallooze grondpeilingen, welke door ons werden verricht, constateerde ik steeds een totale afwezigheid van organisch leven, een feit dat waarschijnlijk tot eenige verandering zal leiden van onze inzichten over den aard van den bodem. Temperatuur en zoutgehalte van het zeewater bleken geheel af te wijken van de onderstellingen der meeste wetenschappelijke autoriteiten. Niet ver beneden het koude ijswater, dat de oppervlakte van de Poolzee vormt, vond ik een diepe [ 30 ]laag van warmer en zouter water, waarschijnlijk afkomstig van den Golfstroom en waarvan de temperatuur zelfs één graad boven het vriespunt bedroeg. Daar beneden was het water weliswaar weer wat kouder, maar toch nog belangrijk warmer dan men algemeen had ondersteld.


De richting waarin wij dreven.

Elk oogenblik veranderde de richting waarin wij dreven en onze koers was dus lang geen rechte lijn. Somtijds schoven we vooruit, maar een ander maal gingen we weer terug. Wanneer ik onze vaart eens zuiver op een kaart afteekende zou het een kluwen van knoopen en slingers worden, dat men moeilijk zou kunnen ontwarren. Het hierbijgaande kaartje, waarop onze voornaamste koersrichtingen zijn aangeteekend, geeft echter in hoofdzaak een goed denkbeeld van de richting. Zooals ik verwacht had, dreven we gedurende den winter en de lente meest noordwestelijk, terwijl we des zomers door noordenwinden werden tegengehouden.


Een record.

Op deze manier hadden we den 18den Juni 81° 52' N.B. bereikt, maar de noordwestenwinden kregen de overhand en drongen ons weer zuidwaarts. Den geheelen zomer dreven we aldus op zuidelijker breedte rond. Niet voor 21 October bereikten we den 82sten breedtegraad, bij 114° 9' O.L. Op [ 31 ]Kerstavond van 1894 haalden we den 83sten paralel,—bij ongeveer 105° 0.L.,—en weinige dagen later waren we op 83° 24' N.B., de hoogste breedte welke tot dusverre ooit door menschen was bereikt.


De beslissende proef.

Op 4 en 5 Januari 1895 werd de Fram blootgesteld aan de sterkste persingen welke wij bijwoonden. Voor we onze expeditie op touw zetten gaf de groote deskundige voor poolonderzoek Sir Leopold M'Clintock te kennen, dat de Fram naar zijne meening in den zomer wel bestand zou zijn tegen den druk van het ijs, maar wanneer zij er des winters aan blootgesteld werd, dan was de kans naar zijn oordeel zeer gering, dat zij voldoenden weerstand zou kunnen bieden, of dat ze in de hoogte gelicht zou worden. Andere deskundigen gingen nog verder, en beweerden dat geen enkel schip in staat zou wezen het kruien van het ijs te weerstaan. En nu werd de Fram echter niet alleen blootgesteld aan de persing gedurende den winter, maar toen dit gebeurde was zij vastgevroren in ijs van meer dan 30 voet dikte, zooals ik kort te voren door boringen had kunnen vaststellen. Over deze ijslaag kwamen nu ontzagwekkende ijsschotsen met onweerstaanbare kracht tegen de boorden van het schip opkruien. De persing was dan ook geweldig. De schotsen [ 32 ]stapelden zich op boven de geschutpoorten en tegen de tuigage, en dreigden het vaartuig zoo niet te verpletteren dan toch te bedelven. Iedereen aan boord dacht niet anders of de Fram zou het onmogelijk kunnen uithouden. De noodige mondvoorraad, de opgevouwen kajaks (schuiten), kooktoestellen, brandstoffen, tenten, sleden en ski (soort sneeuwschoenen) werden alle op het ijs in veiligheid gebracht. Alle opvarenden waren gereed het schip te verlaten en niemand mocht anders dan geheel uitgerust gaan slapen.

Maar de Fram bleek sterker te zijn dan ons vertrouwen op haar. Toen de persing het toppunt had bereikt, hoorden we voor de eerste maal het houtwerk kraken in zijn voegen; het vaartuig brak zich los, en werd langzaam opgeheven uit de wieg van ijs waarin het was vastgevroren.

't Was een ware triomf. Wanneer ik alle nadeelige omstandigheden bijeenvoegde, kon ik geen gevaarlijker toestand bedenken waarin een vaartuig bij mogelijkheid zou kunnen verkeeren, maar nu zij deze beproeving eenmaal had doorstaan achtte ik de Fram tot alles in staat. Hoewel we het schip aan een uiterst nauwkeurig onderzoek onderwierpen, zijn we er nog niet in geslaagd ook maar een enkel scheurtje of een splintering te ontdekken.

[ 33 ]

IJs in de lente.

[ 34 ]

Vergelijkenderwijs gesproken werden de persingen hierna veel minder, en we begonnen nu snel in noordelijke en noordoostelijke richting voort te varen.


Een zomersche dag. Honden, zich koesterend in de zon.