Pagina:DeOntwikkelingVanHetSocialisme (Engels 1905).djvu/10

Deze pagina is proefgelezen
— 8 —

vooreerst in den zin dat het menschelijk brein en de door zijn denken gevonden stellingen er aanspraak op maakten als grondslag van alle menschelijke handeling en vermaatschappelijking te gelden; dan echter later ook in den verderen zin dat de werkelijkheid, die met deze stellingen in strijd was, inderdaad onderste boven gekeerd werd. Alle tot dusverre bestaande maatschappij- en staatsvormen, alle van ouds overgeleverde voorstellingen werden als onverstandig in de rommelkamer geworpen; de wereld had zich tot dusverre uitsluitend door vooroordeelen laten leiden; al het verledene verdiende slechts medelijden en verachting. Nu eerst brak het daglicht, het rijk der rede aan; van nu af zouden het bijgeloof, het onrecht, de bevoorrechting en de onderdrukking verdrongen worden door de eeuwige waarheid, de eeuwige rechtvaardigheid, de in de natuur gegrondveste gelijkheid en de onvervreemdbare menschenrechten.

Wij weten thans dat dit rijk van de rede niets anders was dan het geidealiseerde rijk der bourgeoisie; dat de eeuwige rechtvaardigheid haar verwezenlijking vond in de bourgeois-justitie; dat de gelijkheid uitliep op burgerlijke gelijkheid voor de wet; dat als een der voornaamste menschenrechten geproclameerd werd — het burgerlijk eigendom; en dat de staat der rede, het maatschappelijk contract van Rousseau in het leven trad en slechts in het leven treden kon als burgerlijke, democratische republiek. Evenmin als al hunne voorgangers konden de groote denkers der 18e eeuw gaan buiten de grenzen die hun eigen tijdperk hun gesteld had.

Maar naast de tegenstelling van den feodalen adel en de als vertegenwoordigster der geheele overige maatschappij optredende burgerklasse, bestond de algemeene tegenstelling van


    dachte stelt en de werkelijkheid overeenkomstig deze gedachte opbouwt. Anaxagoras heeft het eerst gezegd, dat de Noes, de rede, de wereld regeert; maar thans eerst is de mensch er toe gekomen te erkennen, dat de gedachte de geestelijke werkelijkheid regeeren moet. Dit was dus een heerlijke zonsopgang. Alle denkende wezens hebben dit tijdperk medegevierd. Een verheven ontroering heeft in dien tijd geheerscht, een vervoering van den geest heeft de wereld doorsidderd, als ware het tot een verzoening van het goddelijke met de wereld nu eerst gekomen." (Hegel. Philosophie der Geschichte, 1840, blz. 535.) Zou het niet hoog tijd zijn tegen zulke staatsgevaarlijke omwentelingstheorieën van wijlen professor Hegel de socialistenwet in werking te stellen?