Pagina:DeOntwikkelingVanHetSocialisme (Engels 1905).djvu/44

Deze pagina is proefgelezen
— 42 —

deele van de kapitalisten. Hier echter wordt de uitbuiting zoo tastbaar dat zij ineenstorten moet. Geen volk zou zich een door trusts geleide productie, een zoo onverholen uitbuiting van het algemeen door een kleine bende couponknippers laten welgevatlen.

Zus of zoo, met of zonder trusts moet ten slotte de officieele vertegenwoordiger der kapitalistische maatschappij, de Staat, de leiding der productie overnemen.[1] Deze noodzakelijkheid van omzetting in staatseigendom treedt het eerst aan den dag bij de groote verkeersinrichtingen: post, telegrafie, spoorwegen.

Wanneer de crisissen het onvermogen der bourgeoisie tot verder beheer der moderne productiekrachten blootlegden, dan toont de omzetting der groote productie- en verkeersin-


  1. Ik zeg moet. Want alleen in het geval, dat de productie- of verkeersmiddelen aan de leiding door naamlooze vennootschappen inderdaad ontgroeid zijn, dat dus de nationalisatie economisch onafwijsbaar geworden is, alleen in dit geval beteekent zij, ook wanneer de huidige staat haar voltrekt, een economische vooruitgang, een voorlooper tot het in bezit nemen van alle productiekrachten door de maatschappij zelve. Er is echter kortelings, sinds Bismarck zich op het nationaliseeren geworpen heeft, een zeker valsch socialisme opgetreden, en hier en daar zelfs in zeker naar-den-mond-praten ontaard, dat elke nationaliseering, zelfs die van Bismarck, zonder meer voor socialistisch verklaart. Ongetwijfeld, ware het in staatsbeheer nemen van de tabaksindustrie socialistisch, dan telden Napoleon en Metternich eveneens mede onder de stichters van het socialisme. Wanneer de belgische staat uit zeer alledaagsche politieke en financieele redenen zijn voornaamste spoorwegen zelf legde, wanneer Bismarck zonder eenige economische noodzakelijkheid de voornaamste spoorweglijnen van Pruisen aan den staat trok, eenvoudig om ze in geval van oorlog beter te kunnen inrichten en gebruiken, om de spoorwegbeambten tot regeeringsstemvee op te voeden, en hoofdzakelijk om zich een nieuwe, van parlementsbesluiten onafhankelijke bron van inkomsten te verschaffen — dan waren dat volstrekt geen socialistische schreden, middellijk of onmiddellijk, bewust of onbewust. Anders zouden ook de koninklijke "Zeehandel", de koninklijke porceleinfabriek en zelfs de militaire kleermakers socialistische instellingen zijn, of zelfs de onder Frederik Wilhelm II in de dertiger jaren in allen ernst door een slimmerik voorgestelde nationalisatie der — bordeelen.