Pagina:Noodlot.djvu/127

Deze pagina is gevalideerd
126

in Franks ooren als met klokken: fier, flink, fier, flink... Maar de klokken waren toch gebarsten... Tóch stilde de muziek hem. Hield hij op dit oogenblik nog van Eve? Of was het uit, had zij zijne liefde gedood onder haren twijfel? Fier, flink, fier, flink... O, het niet meer te weten, niets meer te weten...

Met eene beweging als eene liefkoozing sloop Bertie toen nader, legde zijn hoofd op de armleuning van Franks stoel en, de handen gevouwen om de knieën, geleek hij in den halfschemer, in den vuurgloed, een lenige panter, flikkerden zijne oogen als zwart gouden panteroogen.

— Zeg Frank, ik kan je zoo niet zien. lk hoû zooveel van je, al zie je dat misschien niet zoo in, en al doe ik het op mijn manier... O, ik weet het wel: je vindt me soms bijna ondankbaar. Maar je kent me niet; ik hoû zielsveel van je, ik heb van mijn vader, van eene vrouw, van mezelven, van wat ook, nooit zóo gehouden als ik van jou hoû. lk zoû iets voor je over kunnen hebben, en dat is veel gezegd voor mij. Zeg Frank, ik kan je zoo niet meer zien. Laten we weggaan van Londen, laten we gaan reizen of ergens anders gaan wonen, in Parijs, of in Weenen. ja, laten we naar Weenen gaan. Dat is ver van hier. Of naar Amerika, naar San Francisco. Of naar Australië. Waar je maar wilt. De wereld is zoo groot, je kan zooveel zien, dat je andere ideeën geeft. Of laten we een tocht meêmaken in het binnenland van Afrika: ik zoû wel lust hebben in zoo iets woests, en ik ben sterker dan ik er uitzie: ik ben taai. Laten we veel beweging