Pagina:Verzameling van Nederlandse staatsregelingen (1798-1815).djvu/162

Deze pagina is gevalideerd

ministeriële Departementen, na een naauwkeurigonderzoek gebleken is, dat zulk een geval bestaat, roept dezelve de Staten-Generaal, en wel de tweede kamerin dubbelen getale bijeen, ten einde daarin gedurende het bestaande beletsel te voorzien.

De leden der Staten-Generaal die zich op den een en twintigsten dag na deze oproeping ter plaatse bevinden, waar de zetel van het gouvernement gevestigd is, openen de vergadering. (G. W. 48, 71v., 99, 104, 231.)

47. Indien er eenig toezigt op den persoon des Konings, die zich in de omstandigheden, bij het vorig artikel bedoeld, bevindt, noodig is, wordt daarin voorzien, naar de beginselen omtrent de voogdij van eenen minderjarigen Koning bij art, 39 en 41 bepaald.

48. Wanneer de Prins van Oranje in dat geval zijn achttiende jaar vervuld heeft, is hij van regtswege Regent. (G. W. 38, 72.)

49. [1] Wanneer de Prins van Oranje zijn achttiende jaar niet heeft vervuld, gelijk mede in de gevallen bij art. 27 en 44 voorzien, wordt het Koninklijk gezag uitgeoefend door den Raad van State, zamengesteld op dezelfde wijze als bij art. 46, tot dat daaromtrent door de Staten-Generaal is voorzien.

De leden van dien Raad leggen in handen van den voor- zitter, en deze, in tegenwoordigheid der vergadering, af, den navolgenden eed :

« Ik zweer, dat ik als lid (voorzitter) van den Raad van State, de Grondwet van het Rijk zal helpen onderhouden en handhaven, in de waarneming van het Koninklijk gezag tot dat daarin door de Staten-Generaal zal zijn voorzien.
-2em

50. [2] Bij de benoeming van den Regent wordt tevens bepaald de som, die op hetjaarlijksch inkomen van de kroon zal worden genomen voor de kosten van het Regentschap. Deze bepaling kan gedurende het Regentschap niet worden veranderd. (G. W. 30.)

51. [3] Indien de Koning aan de Staten-Generaal geen Troonopvolger heeft voorgedragen (art. 25) ; indien gezamenlijk met dezelve geene voogdij over den minderjarigen Koning is beraamd (art. 40) ; indien er geen Regent is benoemd (art. 43), verklaren de Staten-Generaal plegtiglijk welk geval bestaat, en voorzien daarin vervolgens op de gronden hier voren gelegd bij art. 27, 41 en 44.


VIJFDE AFDEELING.
Van de Inhuldiging des Konings.

52. [4] De Koning wordt bij het aanvaarden der Regering plegtiglijk beëedigd en ingehuldigd, in eene openbare en

vereenigde zitting der beide kamers van de Staten-Generaal,

  1. G. 1814. a. 26.
  2. C. 1806. a. 48.
  3. G. 1814. a. 27.
  4. ibid. a. 28.