Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 75/Nummer 301/Ochtendblad/Tijdschriften

(Doorverwezen vanaf Anoniem/Tijdschriften/4)
Tijdschriften
Auteur(s) Anoniem
Datum Woensdag 30 oktober 1918
Titel Tijdschriften
Krant Nieuwe Rotterdamsche Courant
Jg, nr 75, 301
Editie, pg Ochtendblad A, 3
Opmerkingen Robert van 't Hoff vermeld als Robt. van 't Hoff, Bart van der Leck als B. v.d. Leck, Jacobus Johannes Pieter Oud als J.J.P. Oud, Georges Vantongerloo als G. Vantongerloo, Abraham Bredius als Dr. Bredius
Genre(s) Proza
Brontaal Nederlands
Bron kranten.kb.nl
Auteursrecht Publiek domein
Tijdschriften.

      Met de October-aflevering is de eerste jaargang van De Stijl, maandblad voor de beeldende vakken onder redactie van Theo van Doesburg (uitgave Harms Tiepen, Delft) compleet.
      De medewerkers daaraan zijn blijkens de inhoudslijst geweest: Blaise Cendrars, Theo van Doesburg, Robt. van ’t Hoff, Huib Hoste, Vilmos Huszàr, Anthony Kok, B. v. d. Leck, Piet Mondriaan, J. J. P. Oud, Edith Pijpers, Gino Severini, G. Vantongerloo, Jan Wils.
      In deze twaalfde aflevering vindt men een opstel van Jan Wils over Symmetrie en Kultuur; het elfde stuk van Piet Mondriaan’s studie De nieuwe beelding in de schilderkunst en de vijfde Aesthetische Beschouwing door V. Huszàr. Als bijlage de afbeelding van twee moderne beeldhouwwerken.

      „Een onderzoek naar de kleederdracht in de Nederlanden gedurende de XVIe eeuw beoogt allereerst de zakelijke kennis van de mode en haar ontwikkeling in dat tijdsbestek. Deze kennis, om te beginnen verkregen door een systematische rangschikking van het materiaal, dat de monumenten der beeldende kunst verschaffen, kan evenwel slechts een voorloopig resultaat opleveren, daar al spoedig het verlangen naar de kennis van namen, de kennis der taal m.a.w. in verband met de kleederdracht zich doet gevoelen. Dus naast het vaststellen der onophoudelijke wisseling van aesthetische richting in de mode zelf, zoeken we den samenhang tusschen „Wörter und Sachen” — een verband, dat maar al te dikwijls zeer moeilijk te bewijzen zal zijn, ja zelfs menigmaal in het geheel niet kan worden aangetoond.
      „En kennen we Nederland eenmaal costuumhistorisch gedurende het tijdperk, waartoe wij ons onderzoek hebben beperkt, dan wenschen we ook zijn verhouding ten opzichte van de andere landen te overzien. Toonaangevend in zake de mode is Nederland niet geweest — behalve het Zuiden in den Bourgondischen tijd. Naar welke andere natie heeft het dan geluisterd of aan welken buitenlandschen smaak heeft het de voorkeur gegeven? Het antwoord op deze vragen houdt heel veel in. Deze neigingen toch zullen, dat kan men bij voorbaat vermoeden, het meest verband houden met algemeene beschavingstoestanden uit den tijd, dien wij onderzoeken, met de geheele geschiedenis der Nederlandsche beschaving. Wanneer men mag aannemen, dat elke tijd slechts één tijdsprincipe heeft, waartoe alle uitingen op ieder gebied huns ondanks kunnen worden herleid, dan zal ook voor de mode de neiging bestaan, om zich naar den heerschenden toon te voegen. Hoe heeft heel Europa de Napoleontische Empire-mode nagevolgd; waarom heeft de heerenmode in de latere XIXe eeuw zich geheel naar Engelands voorschriften gewijzigd of wel, hoe heeft het hof van Lodewijk XIV ook aan geheel Europa de wet voorgeschreven? Dit zijn de groote trekken, doch hetzelfde kan men nagaan voor een korter tijdperk, voor een klein land, dat toch even goed zijn eigen geschiedenis heeft. Zoo zal het dan onze taak zijn de sfeer van invloed te leeren kennen, waar uit de mode in de XVIe eeuw in Nederland zich ontwikkeld heeft, om, vervolgens, uit het geheele beeld het eigene, het Nederlandsche, dat in zijn kern nooit te loor kan gaan, weêr afzonderlijk af te leiden en te beschrijven.
      „Over de costuumlitteratuur en hare beteekenis in verband met deze onderzoeking, zal later uitvoeriger worden gesproken. Ik wil in deze inleiding kort zijn en onder verwijzing naar den hierboven omschreven drieledigen opzet van dit onderzoek slechts het materiaal vermelden waaruit ik mijn studie heb opgebouwd. Ik heb getracht uit een groot aantal schilderijen, teekeningen, prenten en sculpturen, zoo volledig mogelijk de documenten der beeldende kunst bijeen te brengen. De gedateerde stukken waren natuurlijk het gewichtigste en hebben het mogelijk gemaakt ook vele tot nu toe ongedateerde specima althans een plaats aan te wijzen in de chronologische reeks.”
      Aldus Jonkvr. Dr. C. H. de Jonge in den aanvang eener belangwekkende studie, voor velen, o.a. ook voor tooneelisten van belang: een Bijdrage tot de kennis van de Kleederdracht in de Nederlanden in de XVIe eeuw.
      Oud-Holland brengt haar met niet minder dan 43 afbeeldingen en twee schetsen.
      Van Dr. Van Gelder’s opstel over Jan van Scorel is gewag gemaakt.
      Verder brengt de aflevering een opstel van Mr. N. Beets over „een schotek van Haarlemsch percelein”, een antwoord van Dr. Bredius op de vraag wanneer Anthonie Mor van Dashorst is gestorven en het tweede stuk van Stan Leurs en C. F. X. Smits over Kempische torens.