Architectura/Jaargang 5/Nummer 31/Kleurgebruik

‘Kleurgebruik’ door B. van den Tempel
Afkomstig uit Architectura, jrg. 5, nr. 31 (zaterdag 31 juli 1897), p. 145-146. Publiek domein.

[ 145 ]KLEURENGEBRUIK.

In de schilder, officieel orgaan van den Nederlandschen Schildersbond, van 1 januari 1897, komt een merkwaardig artikel voor over het gebruik der kleuren door den heer b. van den tempel te willemstad, waaraan wij het volgende ontleenen:

Het gebruik der kleuren in het schildersvak geschiedt geheel willekeurig. Wel naar den zoogenaamd goe­den smaak, doch zoo daarin eene kleine storing ontstaat, valt het heele systeem in duigen.
Nergens vindt de gewone gezel de voorschriften in zijn bereik, die hem volgens onomstootbare wetten zich langzaam naar zeker in het goede spoor doen voortbewegen. Men verwacht, hoe goed de bedoeling ook moge zijn, te uitsluitend alles van de practijk. En de lectuur, die ons er van onder de oogen komt, is veelal te geleerd.
Het zonnespectrum, de samenstelling en de ontleding der kleuren worden ons met nauwgezetheid uitgelegd; maar eer we aan de toepassing zijn, blijkt de kost ons al zoo zwaar, dat onze magen er niet tegen bestand zijn.
En toch moet er wel een middel zijn om de wetten van het kleurengebruik op eenvoudiger wijze te leeren kennen; want die wetten zelf, ze zijn eenvoudig.
Zou het kuunen zijn, dat degenen, wier aangewezen taak het is, die wetten te verklaren, niet genoeg kunnen afdalen tot een gehoor, dat niet is voorbereid om ingewikkelde theorieën te ontwarren?

Vele vakken, die tot eene hoogere orde behooren, de zoogenaamde kunstindustriëele vakken, zouden dat onderwijs niet meer kunnen ontberen.
Zou bijvoorbeeld de lithographie zonder een stel­selmatig kleurengebruik niet dikwijls tot hare schade, het spoor bijster worden?
Zouden onze tapijtweverijen de goede toepassing der kleuren niet als eene der hoofdvoorwaarden van hun bestaan hebben te beschouwen?
De behangselfabrieken, leggen zij er zich niet op toe, om in hunne producten de meest gewenschte kleurenharmonie te leveren, zoodat wij niet zelden in arremoede tot het kleu­renspel van een behangselpatroon onze toevlucht moeten nemen?
Decoratieschilders, stoffeerders, moeten zij de eer van hunnen naam en daarmede hunne positie niet handhaven door in de kleurenmengeling de harmonie niet te verstoren?
En hebben zelfs modisten niet het grootste gedeelte van haar succes aan de gepaste aanwending der kleuren te danken?
Dit zijn wel bewijzen voor de kracht, die er van het kleurengebruik uitgaat, en dus ook voor de noodzakelijkheid om met zijne wetten bekend te zijn.
Wat zou het derhalve niet eene aanwinst zijn, wanneer onze aankomende schilders naar de mate hunner behoeften daarin werden onderwezen, en waarom zou het schildersvak er ook niet van gediend kunnen worden? Wij willen daarom een bescheiden voorbeeld geven, hoe daarmede het best kan worden aangevangen.
Het volledige kleurenstelsel aanschouwen wij in den regen­boog, in het zonnespectrum.
Hoewel nu wordt aangenomen, dat die uit zes kleuren bestaat, te weten: rood, oranje, geel, groen, blauw en violet, zoo zijn het feitelijk slechts drie kleuren, het rood, het geel en het blauw, die den grondslag van alle kleurenmengeling vormen, wat al reeds in de volgorde der zes kleuren aan het licht treedt; want het is duidelijk, dat door de werking van twee onvermengde kleuren telkens eene samengestelde kleur is ontstaan. Zoo wordt het oranje verkregen door het rood en het geel; eveneens het groen door het geel en het blauw; en eindelijk het violet door het blauw en het rood.
Deze kleuren kunnen nog wel vermeerderd worden met het wit en het zwart als ook door goud en zilver, maar deze laatste zijn onzijdige of neutrale kleuren.
Eigenaardig is nu de werking der kleuren op het oog, waardoor ze worden waargenomen.
Wanneer we één dezer kleuren goed in het oog opnemen, dan verkeert het oog in een buitengewonen toestand, die wel is waar aan onze waarneming ontsnapt, maar die door een eenvoudige proef aan het licht treedt.
Beschouwen wij bijvoorbeeld het rood, en richten we daarna het oog op een witten achtergrond, dan wordt dadelijk de groene kleur in ons oog opgewekt; zoo met het geel ver­krijgt men op deze wijze het violet; en handelt men zoo met de blauwe kleur, dan verschijnt voor ons oog het oranje.
Hierin ligt voor ons opgesloten, dat het oog steeds werk­zaam is om het evenwicht te herstellen en zullen dus die kleuren, die met elkaar het rood, geel en blauw vertegenwoordigen voor het oog het aangenaamste zijn.
Eén ding zij hierbij opgemerkt, dat niet alle kleuren in gelijke mate moeten worden aangewend. De berekening die de geleerden er van gemaakt hebben, geeft aan, dat wanneer de drie hoofdkleuren rood, geel en blauw, worden aangebracht, [ 146 ]de oppervlakte van de roode kleur wordt aangeduid door het getal 5, die van de gele kleur door het getal 3, en die van de blauwe kleur door het getal 8.
Deze verhouding is altijd te bereiken; is de voor een zekere kleur bestemde oppervlakte te klein, dan kan die kleur donkerder worden gemaakt en in het tegenovergestelde geval ook lichter.
Nu heeft men een hulpmiddel bedacht, dat ons bij de toe­passing der kleuren groote diensten bewijst, namelijk de kleu­renroos.
De kleurenroos is een cirkelvormig plat vlak, dat men verdeeld in drieën, in zessen, enz. al naar gelang men ver­kiest, welke deelen men sectoren noemt. Voor ons doel zullen we de kleurenroos in zes sectoren verdeelen.
Plaatst men nu de kleuren rood, geel en blauw in den eersten, derden en vijfden sector, welke sectoren men door lijntjes verbindt, dan blijven de tweede, vierde en zesde sec­tor voor het oranje, groen en violet.
In deze eenvoudige kleurenroos, hebben wij reeds een goed hulpmiddel, want niet alleen dat rood, geel en blauw met elkander harmonieerende kleuren zijn, maar ook het oranje, groen en violet zijn het en de zes kleuren met malkaar eveneens.
Geven wij ons zelven rekenschap, waarom ook het laatste drietal harmonieerende kleuren zijn, dan hebben we slechts in herinnering te brengen, dat het oranje bestaat uit rood en geel, het groen uit geel en blauw, en het violet uit blauw en rood, dus allen te samen uit rood, geel en blauw.
Het is geenszins ons doel hiermede eene volledige ver­handeling over het kleurengebruik te leveren: bereiken wij ons oogmerk, dan wekt het slechts het denkbeeld op, hoe men stelselmatig de kleuren kan toepassen.
Daarom, wie zich nu al hiervan zou willen bedienen, zou reeds bij de eerste poging op moeielijkheden stuiten, omdat volgens deze aanwijzing geen enkele kleur zou zijn te ge­bruiken, zonder ook hare aanvullingskleur er bij te pas te brengen.
Wij zouden dan het rood, het geel, het blauw steeds met eene samengestelde kleur moeten aanvullen, wilden we niet zondigen tegen de kleurenharmonie.
Niets is echter minder waar.
Voorwerpen van eene roode kleur kunnen met versierin­gen van de gele, dus eene enkelvoudige kleur worden op­geluisterd; evenzoo gele met blauw, en blauwe met rood.
Ook verkrijgt men eene aangename uitwerking, wanneer voorwerpen van een bepaalde kleur versierd worden met dezelfde kleur maar van zoogenaamd hoogeren toon welke men bereikt door van de voorhanden kleur eene gelijke hoeveelheid met wit te vermengen.
Daarentegen neemt men eene onsmakelijke uitwerking waar, wanneer groen wordt aangevuld met geel, oranje met rood, en violet met blauw.
Waarom?
Het antwoord, dat wij hierop gaan geven, zou, wanneer dat geheel en al werd uitgewerkt, de volledige methode doen kennen, hoe men in alle voorkomende gevallen zou hebben te handelen; doch wij willen ook daarvan slechts de hoofdgedachte weergeven.
Men heeft de verschillende kleuren vergeleken bij de tonen van de muziek en de verrassende overeenkomst, die daarbij aan den dag treedt, stelt ons in staat die oneindige combinaties ook op de kleuren toe te passen, zoodat we slechts de grondregels van de muziek hebben te volgen, om met dezelfde uitwerking van het oog te verkrijgen, wat men met de muziek voor het oor bewerkt.
Hiertoe was het noodig dat de kleuren met dezelfde be­namingen werden aangeduid, waarmede men de noten in de muziek aanduidt.
In de wetenschap verklaart men het ontstaan der tonen door luchttrillingen en het ontslaan der kleuren door aethertrillingen en door vergelijking van het aantal trillingen heeft men weten te bepalen welke kleuren met de verschillende tonen overeenkomen.
Wij zullen het groot octaaf tot voorbeeld nemen.
Men gebruikt voor de eerste noot van den toonladder,

voor de C rood
D oranje
E geel
F groen
G blauw
A violet

voor de B als zevende noot zwart, omdat zwart een vol­komen onzijdige kleur is.
Verder heeft men nog de neventonen Cis, Dis, Fis, Gis en Ais.

Men gebruikt voor de Cis rood oranje
Dis geel oranje
Fis donker groen
Gis donker blauw
Ais (A-dur) bruin.

Hierdoor heeft men voor de kleuren eene volkomene kleurenschaal, zooals men voor de tonen eene volkomene toonschaal heeft, welke wij ten overvloede naar volgorde hier nog eens weergeven.

C. rood Fis. donkergroen
Cis. roodoranje G. blauw
D. Oranje Gis. donkerblauw
Dis geeloranje A. violet
E. geel Ais. bruin
F. groen B. zwart.

Voor de hoogere octaven worden de kleuren naar ver­houding met wit vermengd, en voor de lagere met rood en blauw.
Het gebruik of de toepassing is nu eenvoudig.
Omdat men weet, dat in de muziek de tonen C en E, welke men terts noemt, harmoniëeren, kunnen die kleuren C rood en E geel bij elkaar gebruikt worden.
Omdat C, E en G een volmaakt accoord vormen, voegen de kleuren C rood, E geel en G blauw volkomen bij elkaar.
Vormen de tonen C, E, G, B een septieme accoord de kleuren C rood E geel, G blauw en B zwart harmonieeren insgelijks, en zoo vervolgens.
Wie met de accoordenleer bekend is, heeft zich slechts de gelijkluidende benamingen der kleuren in het geheugen te prenten om immer in staat te zijn op iedere denk­bare kleur eene samenstelling van andere kleuren te bouwen. Wie daar niet mee bekend zijn, vinden in de kleurenroos enkel een hulpmiddel om steeds te kunnen weten, welke kleuren elkanders aanvullingskleuren zijn, en derhalve ook welke kleuren niet bij elkaar behooren, omdat in de kleurenroos de harmonieerende kleu­ren door lijntjes verbonden zijn en de aanvullingskleuren tegenover elkaâr staan, en de disharmonieerende of niet samenstemmende kleuren juist naast elkaar staan.
Wanneer onze aankomende schilders daar nu eens in werden onderwezen, wat zouden ze het vak leeren liefheb­ben; wat een zelfvertrouwen zou dat bij hen aankweeken; en wat zou het schildersvak in degelijkheid winnen.
Kon het middel er eens toe gevonden worden!