EER-DICHT.

Ghelyck den dapp’ren handt des Maalders Taeffereelden
    Den Agmemnons Moordt, vermengt met wijn en bloedt,
    So dat het oogh verschrack, en keef tegen ’t gemoedt,
Oft ’t wesen was of schijn van Ameloose Beelden,

O Koning! van gelijck so twisten en krackeelden
    De zinnen onderlingh, van de geheele stoet
    En menichte des volcx in grooten overvloet
Oft’ spel of errenst was dat hier u Jephtah speelden

Als met de Vaders handt de Dochter werd’ onthooft,
Doen wierd’ de schaduw voor het eygen stuck gelooft
Van ’t Vrouwelijcke hart dat buys van medelijen.

    Haer tedre traantjes swalp. Doch ghy o Koning treedt
    Den Koning David na: dien heyligen Poëet,
Die Geestlyck heeft gedicht veel schoone Rymerijen.

Voor A. de Koningh, Jephtahs ende zijn eenighe dochters Treurspel (a°. 1615)