Bredero/Ick twijffel, lieve Lief

SONNET.

Ick twijffel, lieve Lief, wat my eerst mocht vercrachten:
De schoonheyt van u Ziel of van u rijpe Jeucht,
Of verlicht verstant, of u volmaakte Deucht,
Of wat ick sal voor ’t Eelst van dese dingen achten.

O soete straffe strijt! o stribbelighe gedachten!
Hoe stoot en stommel dy Garbrande inde vreucht,
Die van syn selven nau een trisseltje en heucht,
Want siet vergetel dranc dronckmy verscheyen nachten.

Door de beschouwing van niet Werelts noch niet cleyns,
Maer van u schoone ziel! die waerlijcx niet gemeyns
Heeft met dit aertsch volck van logge lompe sinnen.

O soetheyt! laet my noch een weynich nuchter Breyns,
Op dat ick myn hart met erenst overpeyns
Of ymandt meer als ick haer deuchden mach beminnen?