Bredero/Liedeken van mijn selven

LIEDEKEN VAN MIJN SELVEN.

Stemme: Esprits qu souspirez, &c.

Hoe star-ooght myn gesicht? wat mach ’t gepeyns bedelven?
Wat isser in mijn breyn dat ot den Hemel klimt?
O klare Spiegel van de kennis van mijn selven,
Ghy toont my ’t kundich quaet, dies my het herte krimpt.

Ick sie selve mijn self met schricken en met schreumen
Mijn siel is soo bebloet, dat icker selfs of schurck,
Ach etterachtigh beeldt! mijn krachten die verkleumen,
Ick vrees meer voor mijn self als voor den quaetsten Turck.

Ick selve ben mijn self en God den Heere tegen;
Ick selve haet mijn self en lief my in de schijn;
Ick selve ben mijn self tot mijn verderf genegen,
Hoe wel mijn selven ick schijn vordelijck te zijn.

Want my verleyt en vleyt het vleschelijck verkiesen,
Als ick na wensch en wil my lodder inde lust;
Doch als ick die geniet, so doetse my verliesen
Mijn nae, mijn goede faem en mijnder sielen rust.

Hoe dickwijls heb ick self mijn selven gaen bekyven
Van sonden, ide ick self voor God den Heer beken,
Ick neem wel dickwils voor de boosheyt uyt te dryven,
Maer wat ick doe of laet, ick blijf vast die ick ben.

Helaes, dat ick mijn self geen wetten en kan maken,
Die mijn verpenen straf of locken tot het goedt,
Dat doet mijn droeve ziel vaeck bitt’re tranen braken,
Met suchten die gepranght, geparst syn uyt mijn bloedt.

Maer wien sal ick mijn leet meer als mijn selven klagen?
Die selve heb verschult door ’t boeten van mijn wil:
Dus moet ick met gedult mijn smart oock selver dragen
En klagnese aen God en swygen voorder stil

Ist dan yemant syn self noch niet en kan bekennen,
Die treet in zijn gemoet en biechte hem voor God.
Met waer berou en boet: so sal hem Christus wennen
En brengen door de deught tot dienst van Gods gebod.

O grootte Coningh, die de gulde heyl’gre rycken
Der hemelen besit en alles over-heert,
Laet in mijn selven doch u lieve goedheyt blijcken
En van den dwael-wegh my genadelijck bekeert.