Bredero/Nu dobbert myn Liefje op de ree

AMOUREUS-LIEDTJEN.

Op de Voys: Phebus die is lang over die Zee.

Nu dobbert myn Liefje op de ree
Op de woelende, springhende baaren
Van de wytluchtighe groote Zee,
Dien hy elacy! nu sal bewaren:
Vaart heen, vaart heen, vaart voorde windt
En denckt altoos, waar datje sint,
Op haar die u bemindt.

Och had ick twee ooghen als de Son,
Die de gantsche Werelt beschouwen,
Of dat ickje, troosje, volghen con,
Ick souw u steets gheselschap houwen:
Maar of ’t lichamelijck niet gheschiet,
Vermits de eerbaarheyt ’t mjn verbiedt,
Mijn Ziel en latet niet

En al mis ick Dedalus kunst,
Die door de Lucht syn Lief con draghen,
Ick sal u gheleyden met mijn gunst,
Min waarste Lief, mijn wel behaghen!
Waar ick ontslaghen vant lodsich vleys,
Myn Geest trock met u op reys,
Nu doetet myn ghepeys.

Waar ick versien met Stentors stem,
Ick souw ghedurich met u spreecken,
Maar laas! mijn keeltjen, te cleen by hem,
Kan door de Wolcken soo niet breecken:
Dan doch al vaardy noch eens soo vart,
Ick sal nochtans in druck en smart
U spreecken met mijn hart.

Had ick Medeas Tovercracht,
Ick sou Aeolus in syn klippen
Bekollen met syn volle macht
Dat niet een wintje hem sou ontslippen,
Of borster een stoocker uyt syn sack,
Die sou ick in u seylen strack
Gaan stuuren met ghemack.

De winden, ’twater en de vloet,
Hippelende Starren en vast Polen,
Die worden nu mijn hoochste goet,
Mijn Lief, mijn licht, mijn leven bevolen;
O goedertieren Gode vermaart,
O regheerders van Hemel en aart,
Mijn waarde Ceyx bewaart.

Alcyonen u lieve Bruyt die schreyt,
t’Haar wil heur van droefheyt scheuren;
Om dattet dus buldert, stormt en wayt,
Doet u Tortelduyfje niet dan treuren:
O Ceyx! o Ceyx! waardighen Man!
Wat hartseer gaat u Vroutjen an,
Die van u niet syn en can.

Nu dobbert mijn Liefje op de ree,
Op de woelende, springhende baaren
Vande wytluchtighe groote Zee
Die hy Elacy! nu sal bewaaren:
Vaart heen! vaart heene! vaart voorde wint,
Maar denckt altoos, waar datje bint
Om haar die u bemindt.