Bredero/O ongeboren God

BRUYLOFTS-DICHT.
TER EEREN ADRIEN VANDEN HEEDEN ENDE CHRISTYNA GERRITS WESTERHOFS.
ONDERTROUWD OP 10 APRIL 1618.

O ongeboren God! drievuldigh onverscheyden,
Vol onbegrijpelijckheydts van u selfstandigheyden!
O ongeboren God! voor eeuwigh en voor Tijt,
Die nieuwers buyten, noch oock ingesloten zijt.
O ongeboren God! O oorsaeck aller dingen!
Leerd myn den aenvangh van den Echten-stant eens singen,
En reynight mijn verstant en geeft my kracht en klem
Van reden en begrijp, op dat mijn swacke Stem,
Gevoegelijck met maet de sangerige kelen
Door myne sangh beweegh u lof-sangh t’helpen quelen,
Jae dat de Engeltjens met onsen lagen toon
De boven sangh ontroert uytschatren voor u Troon.
O driemael Heylich God! ick en wil niet beschrijven
Wat ghy voor ’s wereldt gront mocht maken of bedryven,
Want dat is my te hoogh, al doen ’t sommige lien:
Ick heb op Jacobs Leer ’t verborgen niet gesien,
Ick wil maer slecht en recht soo veel mijn oogen mercken
En soo veel als ick kan getuygen van u wercken:
Het menschelijck vernuft dat doch niet vart en siet,
Heeft vyandtschap met God en vat het Godlijck niet,
Maer na de gaven Heer, die ghy mijn hebt gegeven
En naer het gene dat door u Geest is geschreven,
So ty ick dan te werck, op ’t geen ghy myn in geeft:
    Nae dat de groote God op ’t water had gesweeft
En dat hy nae zijn lust en Godlijck wel behagen
Alles geschapen hadd’ in sys verscheyde dagen,
Soo schiep hy voor het laetst de aldereerste Man,
Waer aen zijn wysheyt deed een wonder proef-stuck an.
Hy nam een klomp of kluyt die hy soo leïch kneden,
En bieck daer af een mensch, een mensch met al zijn leden,
Een mensche hem gelijck en nae zijn Godheydts sin
En blies hem door de neus het levend adem in:
Soo wiert den eerste mensch met lijf en Ziel geschapen,
Die sonder Godes kracht noch in het stof sou slapen.
Soo wert den eerste Mensch met lijf en Ziel gemaeckt,
Soo is den Adam eerst an lijf en Ziel geraeckt,
Soo wiert de eerste Man tot eeuwigheyd geboren
Die tot een Coningh selfs van God was uytverkoren,
Die tot een Coningh selfs van God werdt voortgebracht,
Tot Heerscher en tot Heer van ’t dierelijck geslacht.
Het lustigh Paradijs, de wereldsche waranden
Stelt hem der Heeren Heer als eennigh Heer in handen.
Gelucksalige Man! die soo veel wert vereert,
By wien der Hem’len God soo minnelijck verkeert,
Hoe hoogh is u geluck? O Vader aller menschen!
Och soudy wel, seght my, yet grooters konnen wenschen
Als Gods aenschijn te sien? O neen ghy, waerlijck niet;
Want wie dat eens aenschout, het grootste wonder siet.
De schoonste Godheyt is soo hoogh, soo groot van krachten,
Datse geen sterflijck mensch kan sien dan met gedachten.
Zijn goedheyt is oo goed, sulcx dat sy niet en doet
Dan dat wel wenschlijck en heylsaem is en goet.
    De onbegonnen God begon zijn groote wercken,
Met zyne wijsheyd selfs wel grondigh aen te mercken:
Hy vandse alle goed, bequaem en nae zijn wensch,
Behalven als alleen de Gade-Loose mensch,
De Schepper deed een slaep over syn schepsel komen,
En heeft een Ribbe uyt de slapers rugh genomen
En schiep daer af een Vrou, ô sonderlinghe kracht!
Een Vrou werdt uyt een Man ter wereld voort gebracht
En Adam toegevoeght: Die sy nau was verschenen,
Of hy riep, met een schreeuw: Dit’s been van mynen beenen
En vleesche van mijn vleesch. O heymelijck gemoedt!
Hoe krachtigh is de treck en kennis van ons bloedt?
Hoe dickwils propheteert de Geest ons van te voren,
Wat ziel tot onze ziel van Gode is geboren?
Vol-doende-groote-God, doen hebdy ingeset
Den Heyl’gen Echten-standt, de Goddelijcke Wet.
Ghy gaeft de mensch zyn Gay, en voorts was ’t u begeeren
Dat hy hem met zijn zaet mocht wassen en vermeeren.
O goetheydt sonder endt! al wat ghy hebt geplant
Stelt ghy (o Maker!) selfs in uwe maecksels hant:
Ghy maeckt hem u gelijck, O wat genadigheden!
Ghy set hem tegen ’t Oost, inden Lust-hof van Eden,
Toch met een peen des doodts, indien hy hem vergaet
In ’t eten vanden boom des wetens goed en quaet:
Maer List en Licht-geloof die doen ons God vergeten,
Noch alle daegh de vrucht daer wy de dood aen eten,
En dat was Adams val in’t lustigh Paradijs,
Leerdt nu met anders scha, O Bruydgom! sydy wijs.
O Bruydgom! sydy wijs, soo leerdt aen Adams schade
En bruyckt doch danckbaerlijck de volheyd der genade,
Die u de Heere doet. Aensiet u lieve Bruyt!
Hoe blinckt haer schoone Deughd ten kuysschen oogen uyt:
Haer zeden en gelaet de grootste ziel sou troonen
Beweeghlijck uyt syn borst om steets by haer te woonen.
En voeldy niet een kracht en tuygingh in u bloet,
Dat dit u halve ziel u eygen wesen moet?
Ick houd gewis en vast. En siedy daer niet blaken?
Daer wassen Roosen op haer Lely-witte Kaken,
Haer soete roode mont die toont u seer verblyt,
Dat ghy haer hooghste goed en al haer leven zijt.
O lieffelijcke Bloem van d’alderbester lof,
In ’t oosten niet gezaeyt, maer in ’t soet Wester-hof,
Dat d’Opper Bou-Heer selfs den Bruydegom van Heeden
Tot eeuwigh gunnen wil in wenschelijcker vreden,
Dat uyt u Wester-hof mach werden voort gebracht
(God-vruchtige Kristijn!) en Kristelijck geslacht,
Die in een ronde kringh u disch mogen besluyten,
Gelijck een Groene-Boom me jonge Groene-Spruyten
Een çingel-trans hem maeckt, en roept als ghy dit siet:
Van Heeden is dit huys een saligheyt geschiet!
Van Heeden moet u t’saam soo veel voorspoets geschieden,
Als God u geven kan, O brave Jonge-lieden!
Van Heeden wensch ick u, o waerdige Kristijn!
Dat ghy noch binnen ’t Jaer mooght blye-Moeder zijn
’t Is tegen mijn beroep mijn wyser yet te leeren,
Ick wijs u vanden Mensch op ’t eygen Woordt des Heeren,
Dat is van sulcken kracht, voor die ’t aendachtich leest,
Dat de Zielen troost door Gods Heyl’gen Geest:
Geen moeden soo verlaen met droefheyt, noch met plagen,
Of daer in vindmen raet om wel zijn kruys te dragen.
Komt u de Zegeningh van God in overvloet,
Danckt God, besit u schat met een gelijck gemoet,
Want nae des werelts loop die dingen haest verkeeren,
Men moet sich voor de noot, de noot te dulden leeren.
    Noch loop ick uyt de tret dien ick docht eerst te gaen,
U wysheyd duyd’ in ’t goed mijn al te stout bestaen.
Eersamen Bruydegom, wilt goedichlijck gedencken,
Dat yeder een is mildt in ander raet te schencken.
Gaet, doet als ghy behoordt, gaet henen alle bey:
En plant u eerste vrucht op d’eerste nacht van Mey.