Camera Obscura/Om te bewijzen dat eenvoudige genoegens ook genoegens zijn, en voorts iets droevigs

Vaderangsten en kinderliefde Om te bewijzen dat eenvoudige genoegens ook genoegens zijn, en voorts iets droevigs door Nicolaas Beets

De familie Kegge

De grootmoeder
Uit: Camera Obscura

De Familie Kegge; Om te bewijzen dat eenvoudige genoegens ook genoegens zijn, en voorts iets droevigs

De verguldpartij zou uiterlijk te half zes aanvangen, en tegen dat uur begaf ik mij op weg naar de woning van de koekebakker De Groot of, zoals Henriëtte altijd zeide, van `de De Grooten'. Zij was vrij verre van het huis van de heer Kegge gelegen, en ik ging op voor een stadgenoot waarschijnlijk zeer heldere, maar voor een vreemdeling zeer ingewikkelde aanduidingen van de heer Kegge af.

Plotseling bevond ik mij in een donkere steeg, aan welker eind een hel licht als uit de grond opkwam, voor welk licht zich een duistere massa met een zekere golving scheen te bewegen. Naarmate ik verder ging, hoorde ik stemmen, die mij toeschenen van jonge knapen te zijn, uit deze massa voortkomen. Geheel genaderd, zag ik een op alle manieren op en over elkander liggende stapel jongens, die door een kelderraam, waaruit het licht kwam, het oog hadden op de bewegingen van een meesterkoekebakker en zijn gezellen, die in hun witte linnen pakjes al zulke schone wonderen kneedden, duimden, schikten en bakten, als welke Henriëtte versmaad had verder te volmaken. Ik stond een ogenblik stil en verlustigde mij in de belangstelling dier straatjongens, die waarschijnlijk geen beter aandeel in de genoegens van Sint Nicolaas hebben zouden, dan dat zij de lekkernijen zagen toebereiden, die hun begunstigder broederen gelukkig, of, zoals maltentige mensen beweren, ziek zouden maken.

`Nou, wat weerga, jongen, laat mai ook reis kaiken,' zei de een, en ondersteunde zijn begeerte met een heftige beweging der ellebogen.

`Doppie, Jan! dat is een mooie!' riep een ander, `da's zeker `en Jan Klaassen!'

`Ben je mal, jongen?' riep een derde; `'t is `en waif!'

`Nou as dat `en waif is,' merkte een vierde aan, `dan mag ik laien dat Piet in de kelder valt.'

`Hou je ellebogen óór je, Gerritje; ik waarschou je, hoor!'

`Pas op, Pietje! of je Holsblok gaat de bakkerij in.'

`Kaik; ie doet de oven open; is `t een vuurtje?'

`Wat doet die dikke nou weer? Hij doet meel aan zen knuisten!'

`Wel nou, mot `t deeg dan an zen vingers blaiven hangen? Jij bent ook een mooie ...'

`Wacht `en beetje! da's een knokkerd, - die kost wel een daalder, hoor!'

`Hoor je hem? Je zoudt er wel kommen met `en daalder.'

`En daalder op je ogen.'

Deze en dergelijke waren de gesprekken van de kunstbeschouwers voor het raam van dit altelier.

Op de hoek van `t huis hing een groot uithangbord, waarop de bekende geschiedenis van de Zoete Inval stond afgebeeld, en daar onder

H.P. de Groot Alle Zoorten van Koek en Kleyngoed

Ik trad de winkel binnen, en er was zulk een verward geluid van vrouwestemmen in een belendende kamer, die door een glazen deur met een groen horretje daarop uitzag, dat ik duidelijk bemerkte dat de partij aan de gang was, en ik mij nogmaals luidkeels moest aanmelden eer er iemand opdaagde. De glazen deur ging open, en het mooie Saartje verscheen, met een hoge kleur, als iemand die uit een zeer druk gesprek, of uit een zeer warme kamer komt.

`U alleen; mijnheer Hildebrand?'

`In plaats van uw nichtje Kegge, lieve juffrouw! ik kom haar bij u verontschuldigen.'

`Maar u zal toch binnenkomen?'

`Een ogenblikje.'

Saartje opende de deur opnieuw, om mij in te laten, en ik overzag de schare. Daar zat, in al de glorie van een bloedkoralen halsketting, bloedkoralen oorbellen, bloedkoralen doekspeld, en zelfs van een ring, met een zeer grote ronde bloedkoraal aan de vinger, juffrouw Mietje Dekker, de dochter van een deftige kledermaker, en aan haar zijde, met een grote doodvlek op haar wang en een koperen gesp als een vierkante zon op haar buik, Keetje de Riet uit de kruidenierswinkel. En daarnaast Pietje Hupstra, wier vader het gewichtig ambt van deurwaarder bekleedde, en die zich verbeeldde dat niets losser en bevalliger stond dan een rozerood tissuutje door een ringetje gehaald. Dan had men er Truitje en Toosje, de twee telgen van de heer Opper, voornaam metselaar, waarvan de ene in `t openbaar een hoed met stenen bloemen, en de andere een dito met houten pluim droeg, maar die in deze huiselijke kring zich gelukkig gevoelden in het hoofdsiersel, de ene van blauwe, de andere van rode céphalide, in de stellig overtuiging dat er op dit ondermaanse geen bevalliger op modieuzer damescoiffure kon bestaan. Voorts het magere Grietje van Buren, die de oudste van de gevraagde partij was en een- of tweeëndertig jaren tellen mocht. zij leefde `in otio cum dignitate' van een kleine lijfrente, haar door een oude vrijster gemaakt, bij wie zij iets meer dan kamenier en iets minder dan gezelschapsjuffrouw was geweest. Zij droeg een mutsje met een smal kantje, en een toertje aan twee kleine trosjes rozijnen niet ongelijk. Ook zag ik Barje Blom, wier vader een deftige spekslagerij had, en die zelf een grote zwarte duimelot aan haar middelste vinger droeg, omdat zij zich ongelukkig aan gemelde vinger had verwond, bij welke kwetsuur `de kou' gekomen was. Ter afwisseling, Suzette Noiret, dochter ener weduwe, die op een hofje woonde, en van de Franse Gemeente was. Deze had allerliefst, beschaafd en net besneden uiterlijk, en wedijverde, in het bruin, met het blonde Saartje, waarnaast zij gezeten was. En eindelijk, aan het hoger einde van de tafel, moeder De Groot zelf, een dame van een veertig jaar, in een zwarte zijden japon gekleed en dragende een muts met een belangrijke hoeveelheid wit lint opgesierd, die groot en breed genoeg was, en toch ongetwijfeld slechts een schaduw vertoonde van het hoofdtooisel dat zij op de vijfde december dragen zou.

De herhaling van mijn boodschap maakte veel sensatie bij juffrouw De Groot, die gehoopt had met nicht Henriëtte te pronken; het speet de vergaderde juffers ook recht, zoals zij zeiden, schoon ik mij overtuigd hield, dat het wegblijven van zulk een dame voor menig harer een pak van `t hart was.

Een algemeen gefluister, dat door de dames twee aan twee werd uitgevoerd, volgde, waaruit zich eindelijk de solo van Grietje van Buren ontwikkelde, met de betuiging, `dat het jammer voor juffrouw Kegge was; zo reis vergulden, dat altijd nog reis aardig.'

`Ik hoop,' zie juffrouw De Groot, `in de aanstaande week, de kleine neefjes en nichtjes der ook nog reis op te noden. Dan vraag ik zo wat klein grut.'

`Maar dan zal je ook zulke effetieve stukken niet laten werken,' merkte juffrouw Van Buren aan, haar penseel indopende en een lange streep goud op de wimpel van een oorlogschip klevende.

``'t ziet er wel prettig uit,' zei ik zelf; `ik watertand om het ook reis te doen. Mag ik eens effen van de partij zijn?'

Dit voorstel bracht een schaterend gelach en grote vrolijkheid te weeg, die evenwel nog vermeerderde, toen men zag dat ik het waarlijk meende.

Tot de edele kunst van het vergulden, ook wel, met een bij alle koekebakkers voor beledigend gehouden naam `plakken' genoemd, zijn vier dingen nodig, als: de koek die verguld moet worden, het verguldsel zelf, een nat penseel, en dat gedeelte van een hazen- of konijnenvacht, hetwel jagers de pluim, en gewone mensen de staart noemen, en dat in dit bijzonder geval dient om het opgelegde goud aan te dringen en vast te drukken. Om alles geregeld in zijn werk te doen gaan, zat aan het ene einde van de tafel de lieve Saartje, die de verschillende Sinterklaaskoeken uitdeelde, welke de bewerking moesten ondergaan: vrijers, vrijsters, schepen, paradijzen, dagbroers, ruiters, rijtuigen, alle meestal van de eerste grootte; terwijl aan het tegenovergestelde einde moeder De Groot, die ook thee schonk, boekjes bladgoud in breder en smaller repen knipte, om daarvan ieder behoorlijk te voorzien, de tafel met kopjes met water bezaaid was, en elk der genodigden met een penseel en een konijnepluimpje was uitgerust. Men voorzag ook mij hiervan, en bij ieder materiaal of instrument, dat ik in handen nam, proestte men `t uit van `t lachen en ging een kreet van verbazing op.

`'t Is zonde!' betuigde Mietje Dekker.

`Heb ik van mijn leven?' informeerde Keetje de Riet.

`Die stedenten hebben alevel altijd wat raars,' fluisterde die van de rode céphalide.

`Menheer doet het heus!' verklaarde die van de blauwe.

`'k ben benieuwd hoe dat af zal komen,' sprak Grietje van Buren.

`Wat menheer breekt mag menheer opeten, niet waar juffrouw De Groot?' vroeg Bartje Blom, die het goed met mij scheen te menen.

Maar Suzette Noiret en Saartje wezen mij te recht en deden `t mij voor.

Nu moeten mijn lezers, die misschien op de schone kunst van koekvergulden neerzien, niet denken dat de gezegde kunst zo heel eenvoudig en gemakkelijk is. Ja, een vierduits varken kan een ieder beplakken; een streepje voor de grond, en een ruitje op zijn lijf, dat kan een kind!'

Maar deftige vrijers en vrijsters van vierentwintig stuivers netjes te vergulden, tot de plooitjes van de kraag en de ruitjes van de breizak toe; een Eva bij de boom op te sieren, geen enkel appeltje (want het is een appelboom geweest) te vergeten, en de bochten van de slang niet te hoekig te maken, een geheel oorlogsschip met gouden repen op te tuigen en de schietgaten netjes af te zetten, zoals juffrouw Van Buren deed, en een koets met paarden, als juffrouw De Riet, die het zweepkoord zo natuurlijk wist te doen kronkelen of het een gouden kurketrekker was, dat is iets anders. Het is gemakkelijk gezegd: `t is maar koekvergulden! maar ik verzeker u dat koekvergulden en koekvergulden twee is, en dat er bijvoorbeeld een hemelsbreed onderscheid was tussen de vrijer die Toosje, en de vrijster die Truitje had uitgemonsterd, zodat Toosje zelf moest bekennen dat ze niet wist hoe Truitje die parapluie zo natuurlijk kreeg; waarop de vrijer van Truitje dan ook rondging, en het gehele gezelschap eenstemmig verklaarde, dat het waarlijk was alsof die parapluie leefde. Ik voor mij kan u als eerlijk man betuigen dat mij, nadat ik eerst mijn krachten aan de zadel van de ruiter, die juffrouw Noiret onderhanden had, beproefd, en mij van haar omtrent de hoofdgeheimen der kunst had laten onderrichten; dat mij, zeg ik, een koude rilling door de leden ging, toen er een grote majestueuze dagbroer voor mijn eigen onbijgestane verantwoording werd gelegd. Eén ding kan ik niet nalataaen hier ten algemene nutte op te merken. In het koekvergulden is vooral van het uiterste gewicht de juiste hoeveelheid water die men op de plaats penseelt, waar men het goud op wil doen kleven; want neemt men te gering, zo wil het niet kleven, en doet men het te nat, zo wordt het verguldsel dof. En wat is er nu aan een doffe dagbroer?

Spoedig was men het er over eens, dat ik het al heel mooi begon te doen; ik hoop niet dat men grootspraak zal achten, wat ik gaarne aan de zachtmoedigheid der kritiek toeschrijf; en weldra lette men er niet meer op.

Ook werd het gesprek gedurig levendiger. Mietje Dekker met de bloedkoralen, Keetje de Riet en Pietje Hupstra hadden het heel druk met juffrouw De Groot over `fripante sterfgevallen in de Haarlemmer krant; drie onder mekaar in de bloei van `t leven, en twee door een ongelukkig toeval'. Voorts spraken zij van `pinnetrante kou, fattegante reizen, en katterale koortsen'. Zij roerden ook het teder onderwerp van vomatieven en opperaties', en kwamen van lieverlede nog eens op de vinger van Bartje Blom. `Zij moest er toch niet te luchtig over denken.' De een zei, zij moest er de meester bij halen, maar de ander beweerde dat zij er de meester niet bij moet halen; en zulks om de duchtige reden, dat er een meester was geweest, die de duim van de neef van haar zusters man `verknoeid' had. De een wilde haar vinger pappen, omdat de kou er bij was; een ander ried zoete melk aan om er de brand uit te trekken; een derde, kennelijk onder de invloed van de genius der plaats, achtte niets zo heilzaam als koekebakkersdeeg. En Bartje Blom dacht er over hoe zij deze verschillende raden het best zou verenigen. Daarop maakte Grietje van Buren zich van de boventoon meester en vertelde het gezelschap wonderen van de gierigheid van de freule Troes, van wie zij haar lijfrente had. `Ik kan je zeggen, mens, als er zoete appelen zouen gegeten worden, gaf ze der vierentwintig uit, en dan moest de meid de pan binnenbrengen als ze ze geschild had, en dan telde ze na of der - hoeveel is `t ook weer? viermaal vierentwintig? - als `t viermaal vijfentwintig was dan was `t net honderd; dat's vier minder; dat's zesennegentig; - of der zesennegentig vierdepartjes waren, en als ze dan op tafel kwamen, nog eens.'

Waarop die van de blauwe en rode céphalides haar uiterste verbazing te kennen gaven. Bartje Blom vroeg of het waar was, dat de freule enkel zo rijk was geworden, door in haar jeugd al de spelden en naalden, die zij bij de weg vond, op te rapen en te verzamelen? En ik nam de gelegenheid waar om verscheidene anekdotes van befaamde Engelse gierigaards te verhalen, die bij al mijn kennissen hadden uitgediend, maar die hier nog eens gaaf opgingen, zodat men mij zeer aardig begon te vinden, maar tussenbeiden ook aanmerkte `dat ik er maar wat van maakte'.

Juffruw Noiret was niet zeer spraakzaam, en ik bracht haar doorgaande stilheid in verband met een weemoedige trek om de mond, die mij deed onderstellen dat zij niet gelukkig was.

Saartje was allerliefst en, ofschoon het gehele gezelschap in beschaving vooruit, ook hier volkomen op haar plaats, en enkel eenvoud. Zij liep gedurig af en aan, om ieder van het nodige te voorzien; maar Grietje van Buren begon haar veelbetekenende ogen toe te werpen en op een mysterieuze wijze toe te lachen, waarvan de zin was dat zij haar met mij plaagde, tot groot genoegen van al de anderen. Evenwel kreeg Bartje Blom ook haar beurt, daar men haar laatst, bij het uitgaan van de kerk, zo vriendelijk had zien groeten tegen een zekere Kees; maar zij wendde de scherts af, door haar op die van de rode céphalide over te brengen, die laatstgeleden kermis met dezelfde Kees in `t paardespel geweest was; en die van de blauwe céphalide werd opgeroepen om te getuigen dat het tussen haar zuster en Kees, `ja, ja! wel zo wat koek en ei was, als men zegt'; waarop die van de rode zeide, dat die van de blauwe wel zwijgen mocht; waarop Grietje verklaarde, dat Bartje een ondeugd was. - Ik merkte op dat Suzette Noiret door niemand werd geplaagd.

Om een uur of half acht kwam er een grote ketel anijsmelk binnen, die door al de dames déli gevonden werd. Daarna kwam de schepper en boetseerder van al de koeken kunstgewrochten, die wij zaten op te luisteren, even uit de bakkerij opdagen, en keek eens of men wat vorderde.

Het was een ordentelijke, goedhartige, vrolijke man, die er heel veel pleizier in had, toen Bartje Blom hem knipogend vertelde, dt Toosje en Truitje Opper vast wel voor zeven gulden gebroken en opgegeten hadden, waarop Toosje aanmerkte dat zij, Bartje wel zwijgen mocht, daar zij zelf een heel oorlogschip in haar zak had gesmokkeld; waarop de koekebakker dreigde, dat geen van de dames de deur uit zoude komen, voor hij zelf haar zak had geïnspecteerd. Toen verhief zich de vrolijkheid tot uitgelatenheid. De Groot stopte een klein houten pijpje, dat hij in de hand had, en daalde weder ter bakkerije.

Met het slaan van negenen kwamen er drie stevige, opgeschoten knapen, goedige bollebuizen, met hun beste rok aan, en boorden tot over de oren. De een was een broer van Pietje Hupstra en schreef op `t stadhuis; de ander was een broer van de juffrouwen Opper en voor `t kastenmaken bestemd; en de derde, een broer van Keetje de Riet, ondermeester op een Hollandse school; het doel van hun verschijning was geen ander dan hun zusters en al wie zich verder aan hun bescherming zou willen toevertrouwen af te halen en thuis te brengen.

Nu zie juffrouw De Groot dat men maar uit zou scheiden, want dat het toch altijd gekheid werd `als de heren er bij kwamen', en er werd besloten dat men nog gauw een pandspelletje doen zou. Men koos daartoe, nadat het gehele verguldatelier als zodanig was opgeredderd, `alle vogels vliegen', en ik heb nooit zoveel onschuldige vreugde bij malkaar gezien als toen de oude juffrouw De Groot een domedaris wilde laten vliegen. Bartje Blom werd met `de vogel struis' vertrikt en er ontstond verschil over de vleermuis, van welke de ondermeester De Riet beweerde `dat hij niet vloog, maar fladderde'. Hoe dit zij, hij verbeurde pand, en al de heren verbeurden pand, en Saartje verbeurde pand, en wij verbeurden allemaal pand.

Toen werd Grietje van Buren verkoren om al de panden te doen lossen, en werden de bloedkoralen armbanden en de bloedkoralen speld van Mietje Dekker, met en benevens het tissuutje van Keetje de Riet, en een `loddereindoosje' van haarzelf, en een vingerling van de oude juffrouw De Groot, en een pennemes van de ondermeester De Riet, en een ménagère van Bartje Blom, en een horlogesleutel van de kastenmaker Opper, en een huissleutel van de klerk Hupstra, en een beurs van mijzelf, en al wat verder ter tafel was gebracht, in HEd. maagdelijk schoot geworpen, daarover werd een zakdoek gespreid, en nu begon het roepen van: wat zal diegene doen, van wie ik dit pand in de hand heb?

Ik spreek niet van de moeielijke en wonderspreukige dingen, die wij tot het terugbekomen onzer kleinodiën moesten ten uitvoer brengen; als met vier poten tegen de muur oplopen, een spiegel stuk trappen, de zolder zoenen, en dergelijke; noch van zoete penitentën, als daar waren: hangen en verlangen, de diligence, de put, de klok, het bijenkorfje, en andere, waarbij machtig veel gekust en evenveel gegild werd. Ik schilder u de uitgelatenheid van het gehele gezelschap niet, toen Toosje Opper iets moeielijks had opgegeven, in de stellig overtuiging dat Bartje Bloms pand voor de dag zou komen, en het waarlijk haar eigen naaldenkoker bleek te zijn; of toen de heer Hupstra, in het Spaans speksnijden, dat hij nooit te voren gedaan had, met zekere verliefdheid de mooie juffrouw Noiret had gekozen, en per slot niets te kussen kreeg dan de harde muur, terwijl het de jonge Opper het lot te beurt viel haar de zoen te geven! - in één woord, het was aller-aller-prettigst, de vreugd was op ieders aangezicht te lezen, en ik vermaakte mij duizendmaal meer onder deze goede blijhartige mensen, dan ik gedaan zou hebben, indien ik ware thuisgebleven onder de sublieme piano van juffrouw Kegge en de charmante viool van de charmante Van der Hoogen.

De dames, die nu allen kleuren hadden als boeien, werden onder de heren verdeeld, en ik nam op mij juffrouw Noiret, die mij groot belang inboezemde, thuis te brengen. De juffers namen van elkander en van ons een hartelijk afscheid; de bollebuizen drukten mij allen zeer voelbaar de hand; en ik was zeer tevreden met de vriendschap, die ik zo onverwachts had aangeknoopt.

Juffrouw Noiret was er mede verlegen dat ik de moeite nam haar thuis te brengen. `Het was zo ver!'

Ik antwoordde zoals het betaamde, dat hoe langer ik in haar bijzijn genoot, het mij des te aangenamer zijn zou.

`Ach!' zeide zij, `mijn bijzijn, mijnheer, is toch anders niet heel aangenaam. Ik schaamde mij onder al die vrolijke mensen. Zat ik er niet treurig bij?'

`Gij waart zeker nit zo luidruchtig als de overige. Maar toch ...'

`Neen, zeg het niet! zeg niet dat ik vrolijk was!' viel zij mij in de rede. `Het zou mij spijten. Ik hield mij zo goed als mogelijk; maar mijn hart was ergens anders ... Mijn hart was bij mijn moeder,' voegde zij er haastig bij.

`Is uw moeder ziek, of ...'

`Zij is oud, mijnheer! heel oud. Was zij niet wèl geweest, u zou mij daar niet gevonden hebben. Maar wie kan zich bij vriendelijk mensen, die u gaarne zien, verontschuldigen, altijd weer daarmee verontschuldigen, dat zij een oude moeder heeft? Ook had zij van avond iemand die haar gezelschap hield, en wilde volstrekt dat ik gaan zou.'

Suzette zuchtte.

`Is uw moeder zo heel oud?' vroeg ik. `Gij zijt, dunkt mij, nog zo heel jong.'

`Ik ben drieëntwintig, mijnheer!' antwoordde zij met openhartigheid, `en mijn moeder is vijfenzestig. Maar zij heeft veel ongelukken gehad. Mijn vader stierf voordat ik geboren werd. Zij had toen negen kinderen; sedert twaalf jaar ben ik haar enigste, en kan zij niet wel zonder mij ... en ik niet wel zonder haar.'

`En uw vader ...'

`Mijn vader was de zoon van een Zwitsers predikant, mijnheer! Maar zijn vader had hem niet kunnen laten studeren. Hij had maar een kleine post bij een accijnskantoor, en moest mijn moeder in behoeftige omstandigheden achterlaten. Maar wij werken beiden. Nu heeft zij sedert drie jaren het hofje, en dat is een groot geluk. En toch ...'

`Ik geloof,' zeide ik, `dat wij voor de poort van het hofje staan. Klopt men hier aan, of moet men aan de lange schel trekken.'

`Helaas, geen van beide,' zei Suzette, op een allerdroevigste toon van stem, die een klank had als of haar een traan in de ogen schoot; geen van beide. Mijn moeder woont wel op het hofje, maar ik niet.'

`Waarom niet?' vroeg ik.

`Op het Hofje woont niemand onder de zestig jaar,' ging Suzette voort; `ik kom er `s morgens heel vroeg, zodra de poort opengezet wordt, en blijf er de hele dag bij mijn moeder; maar slapen mag ik er niet. Voor tienen moet ik er vandaan, en `s avonds na zevenen mag ik er zelfs niet meer op. O, wat zou ik geven als ik mijn moeder nu nog maar even mocht goenacht zeggen ...!'

En zij zag naar de gesloten poort om.

`Mijn moeder slaapt daar nu moederziel alleen in haar huisje,' ging zij voort; `haar naaste buurvrouw is hartstikke doof; en als haar eens iets overkwam! Dat, dat is mijn grootste zorg; dat pijnigt en vervolgt mij altijd en overal ...!'

`Maar als uw moeder ziek wordt, dan moogt ge toch wel ...'

`Als zij ernstig ziek wordt, dan schrijft de dokter van `t hofje een verklaring dat zij niet alleen kan blijven, en dan mag ik in haar huisje slapen. Maar ach, het ligt mij op de leden dat mijn lieve moeder er eens onverwachts uit zal zijn, en als dat eens bij nacht was! O, ik bid God alle dagen dat het bij dag moge zijn ... Ik zou het niet overleven!'

Wij gingen zwijgend verder.

`Hier woon ik, mijnheer!' zei juffrouw Noiret, haar schone ogen afvegende, als wij voor een kleine komenijswinkel stonden; `ik dank u voor uw vriendelijkheid.'

`Ik hoop,' zeide ik, `dat gij uw moeder nog lang zult hebben, en zonder angsten.'

Zij reikte mij stilzwijgend de hand, en als het licht uit de kleine winkel op haar gelaat viel, zag ik hoe bleek en bedroefd zij was. Wij scheidden.

Ik vond de familie Kegge reeds bijna aan het Souper. Van der Hoogen deelde er in, en maakte op walgelijke wijze het hof aan Henriëtte, die al de aantrekkings- en afstotingskunsten ener handige coquette (het is een aangeboren gaven) in werking bracht. Men vermeed in `t bijzijn van ZEWG. van `de De Grooten' te spreken en, eerst toen hij vertrokken was, vroeg men hoe ik mij geamuseerd ahd. Ik gaf een gunstig antwoord, maar trad niet in bijzonderheden, omdat ik voor geen geld ter wereld de onschuldige vreugde der De Groot, De Rieten, Dekkers, Hupstra's en zo voorts, door een juffrouw Henriëtte Kegge wilde horen bespotten.