Carl Wilhelm Siemens/Over brandstof/2

Over brandstof [2]
Auteur(s) C.W. Siemens
Datum Zondag 5 juli 1874
Titel Over brandstof
Tijdschrift De Opmerker
Jg, nr, pg 9, 27, [1]
Brontaal Nederlands
Bron tresor.tudelft.nl
Auteursrecht Publiek domein

OVER BRANDSTOF.


(Vervolg van No. 26).


II.


      Wij komen nu tot het tweede gedeelte van ons onderzoek:


Welke is de bron der brandstof?


      De zonnestralen brengen kracht voort in den vorm van warmte en licht, die aan onze aarde worden medegedeeld door de middelstof, die de ruimte tusschen ons en den grooten luchtbol vult. Als deze stralen op de groeiende planten vallen, onttrekt zich hunne uitwerking aan het rechtstreeksch toezicht onzer zintuigen; het loof wordt niet verhit, gelijk het geval zijn zoude, als het uit ijzer of droog hout bestond, maar wij bevinden, dat er eene chemische omzetting plaats grijpt. Het koolzuur, namelijk, dat door de bladeren van den boom aan den dampkring onttrokken wordt, wordt daar vervangen of in zijn elementen: kool en zuurstof ontbonden, terwijl de zuurstof in den dampkring terugkeert en de kool achterblijft om het vaste bestanddeel van den boom te vormen.
      De zon deelt den boom elf millioen warmteeenheden mede om één pond kool in de gedaante van houtvezelen te vormen, en deze elf millioen warmte-eenheden worden eenvoudig weder opgewekt als het hout verbrandt of weder met zuurstof verbonden wordt om koolzuur te vormen.
      Brandstof ontstaat dus uit de werking van de zon op de oppervlakte onzer aarde.
      Maar hoe staat het met de boeveelheden minerale brandstof, namelijk de kool, die wij in het binnenste van de aarde vinden? Hoe kwam het dat zij aan het algemeene verbrandingsproces ontsnapten, dat, gelijk wij zagen, alle andere elementaire zelfstandigheden verteerde? Het antwoord is zeer eenvoudig. Deze onderlagen van minerale brandstof zijn de overblijfselen van oorspronkelijke wouden, die op dezelfde wijze als tegenwoordig door de zonnestralen gevormd, en bij de talrijke omwentelingen en overstroomingen der aardoppervlakte met aardachtige bestanddeelen bedekt zijn geworden. Zoo kan men de kolenbeddingen als eene verzameling sluimerende kracht beschouwen, die in vroegere eeuwen rechtstreeks van de zon uitging, of, gelijk George Stephenson met eene de wetensehap van zijnen tijd vooruitsnellende scherpzinnigheid antwoordde, toen hem gevraagd werd, wat de eigenlijke oorzaak van de beweging der locomotief was: »dat zij vooruitging door het vermogen van de op flesschen getrokken zonnestralen.”
      Uit deze beschouwingen volgt, dat het bedrag der sluimerende kracht, die voor onze doeleinden aanwendbaar is, zich tot onze kolenmijnen beperkt, die, gelijk uit de grondige, onlangs door de koninklijke Kolencommissie in het werk gestelde onderzoekingen blijkt, wel is waar zeer groot, maar geenszins onuitputtelijk zijn, als wij bedenken, dat onze eischen steeds toenemen en dat het delven van kolen van jaar tot jaar moeilijker worden zal, naarmate de diepte toeneemt, waartoe wij moeten afdalen.
      Tot dezen voorraad moeten ook de bruinkool en turf gerekend worden, die, ofschoon geene steenkool, toch het product van de kracht der zon zijn en uit een tijdperk der aardvorming afstammen, dat op het ontstaan van de kolenmijnen volgde, maar onzen eigen tijd voorafging. Deze soort van brandstof is tot een even hoogen graad van werkzaamheid te brengen als de gewone kool, wanneer zij behoorlijk behandeld wordt.
      Terwijl ik de noodzakelijkheid, van onze kolenbeddingen spaarzamer partij te trekken, doe uitkomen, moet ik toch zeggen, dat wij niet beangst behoeven te zijn onzen nakomelingen geene brandstof te zullen achterlaten, daar de menschelijke geest, na uitputting van den kolenschat, zeker eene andere bron van kracht ontdekken zal (1) en zulk eene bron vermoedelijk in de electricittit zal worden gevonden. Ik hoorde zulk een vermoeden vóór eenige weken in eene internationale jury te Weenen opperen, en kon mij toen niet weerhouden op het feit opmerkzaam te maken, dat electriciteit slechts een andere vorm van de algemeene kracht of energie is, die evenmin door nenschen kan worden voorgebracht als warmte, en juist dezelfde spaarzaamheid met den verzamelden voorraad zou noodig maken.
      Als onze hoeveelheid kolen sterker afnam, zouden wij ongetwijfeld tot de kracht onze toevlucht moeten nemen, die jaar in jaar uit en dag aan dag van de zon uitstraalt, en daarin ligt voor ons eene aanleiding eenigermate te berekenen, hoe uitgebreid die kracht is, na te gaan, waarin onze middelen bestaan om ze op te vangen en aan te wenden. Wij hebben dan in de eerste plaats de verzameling van de kracht der zon op onze aardoppervlakte, die in de omzetting van koolzuur in planten bestaat, die, gelijk wij uit ervaring welen, voor de menschelijke behoeften in zwak bevolkte, door nijverheid nog weinig ontwikkelde, landen toereikende is. Waar evenwel de bevolking sterk aangroeit, is het hout der bosschen voor de huiselijke behoeften niet meer voldoende en minerale brandstof moet daar van verre worden aangevoerd.
      De zonnestralen brengen echter buiten den wasdom der planten nog andere werkingen voort, en onder deze is die der verdamping de meest beteekenisvolle, als bron van aanwendbare kracht. Door de zonnestralen wordt aan onze aarde een bedrag van warmte medegedeeld, die jaarlijks eene waterlaag van veertien voeten diepte tot verdamping zoude brengen. Eene aanzienlijke hoeveelheid dezer warmte werkt voortdurend op het zeewater en doet het verkeeren in damp of wasem, die dan op de gezamenlijke landoppervlakte weder als regen neervalt. Het gedeelte, dat op het hoogere land neerslaat, vloeit in de gedaante van rivieren naar zee terug, en van zijn gewicht kan bij het afstroomen nut worden getrokken door werktuigen te drijven. Waterkracht is bijgevolg eveneens het product der zonnekracht, en een hoog gelegen meer kan als potentiale kracht gelijk brandstof worden beschouwd, daar het een gewicht vormt, dat door zijne voorafgegane verkeering in damp boven den zeespiegel is geheven geworden. Deze bron der kracht is eveneens sterk aangesproken geworden en zoude in nog grooter mate kunnen aangewend worden in de bergachtige landstreken, maar de aard der zaak brengt mede, dat de groote middelpunten der nijverheid in de vlakte liggen, waar de vervoermiddelen gemakkelijk zijn, en de toepassing van waterkracht is dus zeer beperkt.
      Een ander product der zonnekracht zijn de winden, waarvan men partij getrokken heeft tot het voortbrengen van kracht; deze krachtbron is wel is waar over het geheel van zeer groote beteekenis, maar hare aanwending is verbonden met zeer groote bezwaren. Reeds het spreekwoord zegt, dat niets onzekerder is dan de wind, en zoo wij, gelijk vroeger, afhankelijk waren van windmolens om meel te bekomen, zou het dikwijls gebeuren, dat geheele landstreken dit noodzakelijk bestanddeel van ons dagelijksch leven moesten ontberen. Ook zeilschepen, die zich op den wind verlaten om de zee te doorklieven, moeten menigmalen weken lang stilliggen, en maken zoo allengskens plaats voor de stoomkracht wegens hare grootere zekerheid.
      Men heeft in de laatste jaren voorgesteld de zonnewarmte dienstbaar te maken, door hare stralen op te vangen in een brandpunt door middel van reusachtige lenzen, en in dit brandpunt stoomketels te plaatsen. Dit zoude eene zeer rechtstreeksche aanwending van de werkzaamheid der zon zijn, maar dit plan is bezwaarlijk aan te bevelen in een land als Engeland, waar de zon slechts zelden te zien is, en zelfs in Spanje zou het moeilijk tot nuttige en practische gevolgen leiden.
      Er is eene natuurlijke bron der kracht, die voor onze doeleinden aanwenbaai is; zij hangt meer samen met de beweging onzer planeet dan met de zon, namelijk eb en vloed. Van deze zoude in ruime mate nut kunnen worden getrokken, vooral op een eiland als Engeland; maar eene uitgebreide aanwending gaat met groote practische moelijkheden en kosten gepaard wegens de ontzettende uitgestrektheid van de vloedbassins, die men zou moeten oprichten.
      Als wij deze verschillende bronnen van kracht, die wij dienstbaar konden maken, overzien, na ons opgehoopt kapitaal van sluimerende kracht in de gedaante der kool voor den geest te hebben geroepen, kan het ons niet ontgaan, dat geene dezer bronnen de plaats van onzen willigen en steeds gereedstaanden slaaf, het stoomwerktuig, kan innemen; ook zouden die bronnen niet voor het doel van voortbeweging kunnen strekken, ofschoon wellicht middelen konden gevonden worden ze op te hoopen en de sluimerende kracht in andere vormen over te brengen.
      Het is evenwel niet alleen kracht, maar ook warmte, die wij behoeven om ons ijzer en de andere metalen te smelten en andere chemische processen te volvoeren. Ook hebben wij een grooten voorraad voor onze huiselijke behoeften noodig. Wel is waar zouden wij met een voldoenden voorraad werktuiglijke kracht warmte kunnen voortbrengen en zoo feitelijk al onze oogmerken: smelten, koken en verwarmen, beieiken, zonder de aanwending van eene brandbare stof, maar zulk eene omzetting zou met zoovele zwarigheden en kosten verbonden zijn, dat men zich geen denkbeeld kan maken van menschelijke welvaart onder zulke moeilijke en kunstmatige voorwaarden.


(Wordt vervolgd.)



      (1) Dr. Beius, te Groningen, schijnt ze gevonden te hebben in den kalksteen. Zie Isis, 9 Mei, jl.      R. v. E