Da Costa/De hulk van staat

D E H U L K V A N S T A A T.
O navis! referent in mare te novi Fluctus? — HORAT

   Met telkens sneller vleugelslag
doorrent de tijd des hemels bogen,
   en zwaait den sikkel nacht en dag,
by wiens geflikker uit den hoogen
   afgronden beurtling opengaan
en weêr met lachend groen zich dekken,
   terwijl langs de oude wereldbaan
de ontelbre schaduwbeelden trekken. —
   de grijzaart, leunende op zijn staf,
verwondert zich hoe weinig dagen
   ook zijn wieg afstond van zijn graf,
maar van hoe veel zy heugnis dragen.
   Zag niet zijn leeftijd van Bourbon
het koningsbloed den moordbijl verwen,
   op Sint-Heleen Napoleon,
Philippe in England balling sterven?
   Zag niet één leeftijd, naast den stroom
van honderd Staatsomwentelingen,
   de wonderheên van licht en stoom
elkaêr voltooien en verdringen?
   Het vlugst gewiekte ros gedwee
By de ijzren wagens achterblijven,
   en naast het blanke zeil op zee
   de zwarte kooldamp bovendrijven?
   Ja, als een nachtlijk droogezicht,
door duizend krachten, t’ zaam verbonden,
   een nieuwe wereld opgericht,
reeds door nog nieuwer half verslonden?

   Uw grijzaarts mede, o Nederland!
omvatten ’t naauwlijks, wat ze al zagen
   zich achtervolgen op dat strand,
waar in hun jeugd of kindsche dagen
   de Zoon eens Vierden Willems stond
gehuldigd beurtling en verdreven, —
   waar thands, uit alleer braven mond
het volksgebed wordt aangeheven
   voor ’s Konings hoofd, voor ’s Konings zoon,
die zoon, een vierde Willem weder!
   Dale op den erfgenaam der Kroon
de zegen zijner vaadren neder!

   Vijf kroonen op- en afgelegd, (1)
tien Constitutin versleten (2), versleten,
   met België een bezworen echt
ontbonden weêr en reeds vergeten,
   getuigen met hoe fel een vaart
het zij we waakten, ’t zij we sliepen,
   op Neêrlands grond, als op heel de aard,
de losgelaten tijden liepen.
   Wat zal de toekomst, die vast naakt,
u, mijn geboorteland! nog baren?
   Geslaakt uw scheepvaart, of gestaakt?
ten zetel voor uw handelaren
   den Helder ginds of d’ Amstel hier? —
Oud Java u of d’ Engelander?
   de Fransche bloedvalg uw banier,
of onverwrikt de Oranjestadner?

   Wy waren ’t Harelemmer meir
vol moed beleegrend en bestokend,
   en ’t zeeveld, Flevoos kom weleer,
zag, van vergeefsche woede kokend,
   ons de oogen wenden naar het strand
hem met dien zelfden blik bedreigend,
   waarmeê zich ’t Hollandsch Vasteland
den zusterkolk reeds heeft geëigend! —
   Als ziet! een vreeselijker vloed,
die, Frankrijks bergen afgekomen,
   des werelds hoogten zinken doet,
ook Neêrlands aangrimt mèt zijn stroomen,
   by Sprokkelmaanlicht opgezweept,
door Maartsche vlagen voortgedreven,
   dat half de grond wordt meêgesleept,
dat aan het roer de stuurliên beven.

   o Scheepken, dierbaar Vaderland,
door ’t woên bedreigd van zoo veel golven!
   o Scheepken, dank zij hooger hand,
nog in dat schuim niet gantsch bedolven!
   Ach! op dien dollen Oceaan
wiens waatren donderen en slopen,
   hoe zal het verder met u gaan?
Voor alle winden ligt gy open!
   ’t Zij ’t uit den Westen vrijheid blaast,
o kille dwangzucht uit den Noorden!
   Zij ’t by- of ongeloof, dat raast,
gebroed aan Seine- of Tiberboorden.
   O Scheepken! veilig zult gy zijn
op deze dobberende baren,
   meer dan waar ijdle wijsheidsschijn
op hoogten wijst, die niet bewaren.
   Zoo slechts, als voortijds, aan uw boord
(waar ook een dwaas geslacht zich keere!)
   de naam, het bloed, de Geest, het woord
van dien Bevrijder blijft in eere,
   die op der Zijnen: Wy vergaan,
het noodweêr wendde, hooggeklommen,
   d’ ontboeiden bergwind stil deed staan
en de opgezette zee verstommen.

            1851.



VOETNOTEN:
1. Koning Lodewijk en diens zoon, — Napoleon, de Koningen Willem I en II.
2. Van 1795 tot 1848.