De Burgeroorlog in Frankrijk/Adres III

Adres van de Generale Raad over de burgeroorlog in Frankrijk II De Burgeroorlog in Frankrijk (1936) door Karl Marx, vertaald door W.C. Siewertz van Reesema

Adres van de Generale Raad over de burgeroorlog in Frankrijk III

Adres van de Generale Raad over de burgeroorlog in Frankrijk IV
Uitgegeven in Amsterdam door „PEGASUS”.

[ 47 ]

III.


In de ochtend van de 18de Maart 1871 werd Parijs gewekt door de donderende kreet: „Leve de Kommune”. — Wat is die Kommune, deze sphinx, die het bourgeois-verstand op zulk een harde proef stelt?

„De proletariërs van Parijs”, — zeide het Centraal Komitee in zijn manifest van de 18de Maart, — hebben te midden van de nederlagen en het verraad der heersende klassen begrepen, dat het uur heeft geslagen, waarop zij de toestand moeten redden, door de leiding van de openbare zaken in hun eigen handen te nemen... Zij hebben begrepen, dat het hun hoogste plicht en hun absoluut recht is, zich tot meesters van hun eigen lot te maken en de regeringsmacht te grijpen.”

Maar de arbeidersklasse kan de kant-en-klare staatsmachinerie niet eenvoudig in bezit nemen en deze voor haar eigen doeleinden in beweging zetten.

De gecentraliseerde staatsmacht, met haar alom tegenwoordige organen, — staand leger, politie, burokratie, geestelijkheid, rechterlijke stand, —organen, naar het plan van een stelselmatige hiërarchische deling van de arbeid geschapen, — is afkomstig uit de tijden der absolute monarchie, waarin zij de opkomende bourgeoisie als een machtig wapen in haar strijd tegen het feodalisme diende. Toch bleef haar ontwikkeling belemmerd door allerlei middeleeuws puin, voorrechten van landheren en adel, plaatselijke privileges, stedelijke en gilde-monopolies en provinciale keuren. De reusachtige bezem van de Franse revolutie der achttiende eeuw veegde al die bouwvallen uit vervlogen tijden weg en reinigde op deze wijze tegelijkertijd de maatschappelijke bodem van de laatste hinderpalen, die de bovenbouw van het moderne staatsgebouw in de weg hadden gestaan. Dit moderne staatsgebouw verhief zich onder het eerste keizerrijk, dat op zijn beurt was voortgebracht door de koalitie-oorlogen van het oude half-feodale Europa tegen het moderne Frankrijk. Gedurende de daarop volgende heerschappij-vorm werd de regering onder parlementaire ontrôle geplaatst, d.w.z, onder de direkte kontrôle der bezittende klassen. Enerzijds ontwikkelde ze zich thans tot een broeikas voor reusachtige staatsschulden en drukkende belastingen, en werd krachtens de onweerstaanbare aantrekkingskracht van haar ambtelijke macht, haar inkomsten en haar beschikking over betrekkingen, de twist-appel voor de [ 48 ]konkurrerende frakties en avonturiers der heersende klassen, anderzijds wijzigde zich haar politiek karakter gelijktijdig met de ekonomische veranderingen der maatschappij. Naarmate de vooruitgang der moderne industrie de klassentegenstelling tussen kapitaal en arbeid ontwikkelde, vergrootte, verdiepte, in dezelfde mate kreeg de staatsmacht meer en meer het karakter van een openbare macht ter onderdrukking van de arbeidersklasse, een machine der klassenheerschappij. Na elke revolutie, die een stap vooruit in de klassenstrijd betekent, treedt het zuiver onderdrukkende karakter van de staatsmacht meer en meer openlijk te voorschijn. De revolutie van 1830 droeg de regering van de grondbezitters aan de kapitalisten over en daardoor van de meer verwijderde op de meer direkte tegenstanders der arbeiders. De bourgeois-republikeinen, die in naam der Februari-revolutie het roer van de staat in handen namen, gebruikten het voor het tot stand brengen van de Juni-slachting, om de arbeidersklasse te bewijzen, dat de „sociale” republiek verder niets betekende dan haar sociale onderdrukking door de republiek; en om de koningsgezinde massa der bourgeois en grondbezitters te bewijzen, dat zij de zorgen en de geldelijke voordelen der regering rustig aan de bourgeois-republikeinen konden overlaten. Na deze, hun enige heldendaad van Juni restte den bourgeois-republikeinen nog slechts, uit het voorste gelid terug te treden in het laatste gelid van de „partij der orde”, — een koalitie, gevormd uit alle konkurrerende frakties en fraktietjes der uitbuitende klassen in haar, thans openlijk verklaarde tegenstelling tot de voortbrengende klassen. De passende vorm voor haar gezamenlijke regering was de parlementaire republiek met Louis Bonaparte als president; een regering van het onverhulde klasse-terrorisme en de opzettelijke belediging van de „vile multitude” (de sjofele menigte). Wanneer, zoals Thiers zeide, de parlementaire republiek de staatsvorm was, die de frakties der heersende klasse het minst van elkaar scheidde, zo opende zij daarentegen een afgrond tussen deze klasse en geheel het, buiten haar dun gezaaide rijen levende maatschappelijk lichaam. De beperkingen, die onder vroegere regeringen de innerlijke verscheurdheid van die klasse nog aan de staatsmacht had opgelegd, waren door haar vereniging thans weggevallen. Ten overstaan van de dreigende opstand van het proletariaat maakte de verenigde bezittende klasse thans meedogenloos en brutaal gebruik van de staatsmacht als het nationale oorlogsinstrument van het kapitaal tegen de arbeid. Maar haar onafgebroken kruistocht tegen de producerende massa dwong haar niet alleen het uitvoerende bewind met een steeds toenemende onderdrukkingsmacht uit te [ 49 ]rusten, — hij dwong haar ook, haar eigen parlementaire citadel, — de Nationale Vergadering, — allengs van alle verdedigingsmiddelen tegen de uitvoerende macht te ontbloten. De uitvoerende macht, in de persoon van Louis Bonaparte, zette haar buiten de deur. De lijfelijke nakomeling der republiek van de „partij der orde” was het tweede keizerrijk.

Het keizerrijk, met de staatsgreep als geboorteakte, het algemeen kiesrecht als bekrachtiging en de sabel als scepter, gaf voor, dat het op de boeren steunde, — op die grote massa van producenten, die niet rechtstreeks in de strijd tussen kapitaal en arbeid waren gewikkeld. Het gaf voor, dat het de arbeidersklasse zou redden door het parlementarisme te breken en daarmee de onverbloemde onderworpenheid der regering aan de bezittende klassen. Het gaf voor, dat het de bezittende klassen zou redden door haar ekonomisch zeggingschap over de arbeidersklasse in stand te houden; en ten slotte gaf het voor, dat het alle klassen zou verenigen door de herleving van het waanbeeld van de nationale roem. In werkelijkheid was het de enig mogelijke regeringsvorm in een tijd, dat de bourgeoisie het vermogen, de natie te beheersen, reeds had verloren, en dat de arbeidersklasse dit vermogen nog niet had verworven. De gehele wereld juichte het toe als de redder der maatschappij. Onder zijn heerschappij bereikte de bourgeois-maatschappij, van alle politieke zorgen ontheven, een door haar zelf nooit vermoede ontwikkeling. Haar industrie, haar handel breidde zich tot onmetelijke verhoudingen uit; de financiers-zwendel vierde kosmopolitische orgiën; de ellende der massa's stak schril af tegenover de schaamteloze praal van een fonkelende, overladen en schofterig riekende luxe. De staatsmacht, die hoog boven de maatschappij scheen te zweven, was niettemin zelf het meest schandaalverwekkende schandaal dezer maatschappij en tegelijkertijd de broedplaats van al haar verrotting. Haar eigen ontbinding en de ontbinding van de door haar geredde maatschappij, werd blootgelegd door de bajonetten van Pruisen, dat zelf brandde van begeerte, het zwaartepunt van dit regiem van Parijs naar Berlijn te verleggen. Het imperialisme [1] is de meest geprostitueerde en tegelijk de uiteindelijke vorm van die staatsmacht, die door de opkomende burgerlijke maatschappij in het leven was geroepen, als het werktuig van haar eigen bevrijding van het feodalisme, en die de volkomen ontwikkelde bourgeois-maatschappij had veranderd in een werktuig voor het onderdrukken van de arbeid door het kapitaal.

De direkte tegenstelling van het keizerrijk was de Kommune. De kreet [ 50 ]der „sociale republiek", waarmee het Parijse proletariaat de Februari-revolutie inleidde, gaf slechts uiting aan het vage verlangen naar een republiek, die niet alleen de monarchistische vorm der klasseheerschappij moest afschaffen, maar de klasseheerschappij zelf. De Kommune was de bepaalde vorm van deze republiek.

Parijs, het middelpunt en de zetel der oude regeringsmacht, en tegelijkertijd het maatschappelijk zwaartepunt der Franse arbeidersklasse. Parijs was gewapenderhand in opstand gekomen tegen de poging van Thiers en zijn landjonkers om hun van het keizerrijk overgenomen oude regeringsmacht te herstellen en te vereeuwigen. Parijs kon slechts tegenstand bieden, doordat het tengevolge van het beleg het leger was kwijt geraakt, in welks plaats het een, hoofdzakelijk uit arbeiders bestaande Nationale Garde had opgericht. Thans kwam het er op aan, dit feit in een blijvende instelling te veranderen. Het eerste dekreet der Kommune bepaalde dus het afschaffen van het staande leger en zijn vervanging door het gewapende volk.

De Kommune bestond uit de gemeenteraadsleden, die door het algemeen kiesrecht in de verschillende distrikten van Parijs waren gekozen. Zij waren verantwoordelijk en te allen tijde afzetbaar. Voor het merendeel waren zij natuurlijk arbeiders of erkende vertegenwoordigers der arbeidersklasse. De Kommune zou geen parlementair, maar een werkend lichaam zijn, tegelijkertijd uitvoerend en wetgevend. De politie, tot dusverre werktuig der staatsregering, werd onmiddellijk van al haar politieke eigenschappen ontdaan en in een verantwoordelijk en te allen tijde afzetbaar werktuig der Kommune veranderd. Evenzo de beambten van alle andere takken van bestuur. Vanaf de leden der Kommune moest de openbare dienst tegen arbeidersloon worden verricht. De verworven rechten en de representatiegelden der hoge staatswaardigheidsbekleders verdwenen met deze waardigheidsbekleders zelf. De openbare ambten hielden op privaateigendom van de handlangers der centrale regering te zijn. Niet slechts het stedelijk bestuur, maar ook het gehele, tot dusverre door de staat uitgeoefende initiatief werd in handen der Kommune gelegd.

Toen het staande leger en de politie, de werktuigen van de materiële macht der oude regering, eenmaal waren afgeschaft, ging de Kommune er terstond toe over, het geestelijke onderdrukkingswerktuig, de papenmacht, te breken; zij dekreteerde de ontbinding en de onteigening van alle kerken, voor zover zij bezittende lichamen waren. De papen werden in de stilte van het partikuliere leven teruggezonden om zich daar naar [ 51 ]het voorbeeld hunner voorlopers, de apostelen, van de aalmoezen der gelovigen te voeden. Al de inrichtingen van onderwijs werden kosteloos voor het volk opengesteld en tegelijkertijd van elke inmenging van de staat en de kerk gezuiverd. Daardoor was niet alleen het schoolonderricht voor iedereen toegankelijk gemaakt, maar ook de wetenschap zelf bevrijd van de banden, haar door het klassevooroordeel en de regeringsmacht opgelegd.

De rechterlijke ambtenaren verloren die schijnbare onafhankelijkheid, die slechts gediend had ter bemanteling van hun onderdanigheid aan alle, elkaar opvolgende regeringen, aan wie zij, de een na de ander, de eed van trouw hadden gezworen en gebroken. Als alle andere openbare dienaren zouden zij voortaan gekozen worden, verantwoordelijk en afzetbaar zijn.

De Parijse Kommune moest natuurlijk aan alle grote industriële middelpunten ten voorbeeld strekken. Zodra de Kommune-orde eenmaal in Parijs en in de middelpunten van de tweede rang was ingevoerd, zou de oude gecentraliseerde regering ook in de provincies voor de zelfregering der producenten hebben moeten wijken. In een korte schets der nationale organisatie, die de Kommune uit gebrek aan tijd niet verder kon uitwerken, heet het nadrukkelijk, dat de Kommune de politieke vorm zelfs van het kleinste dorp moest zijn, en dat het staande leger op het platteland door een volks-militie met uiterst korte diensttijd moest worden vervangen. De landelijke gemeenten van elk distrikt moesten hun gemeenschappelijke aangelegenheden door een vergadering van afgevaardigden in de distrikts-hoofdstad besturen, en deze distrikts-vergaderingen weer afgevaardigden naar de nationale delegatie te Parijs sturen; de afgevaardigden moesten te allen tijde afzetbaar en aan de bepaalde instrukties van hun kiezers gebonden zijn. De weinige, maar belangrijke funkties, die dan nog voor een centrale regering overbleven, moesten niet, zoals met opzet valselijk is voorgesteld, worden afgeschaft, maar aan kommunale, d.w.z. streng verantwoordelijke ambtenaren worden overgedragen. De eenheid der natie moest niet worden verbroken, maar integendeel door de Kommune-inrichting georganiseerd, ze moest werkelijkheid worden, door de vernietiging van die staatsmacht, die zich voor de belichaming van deze eenheid uitgaf, maar onafhankelijk en de meerdere wilde zijn tegenover de natie, aan welker lichaam zij evenwel slechts een parasitaire uitwas vormde. Terwijl het er op aankwam, de enkel maar onderdrukkende organen van de oude regeringsmacht af te snijden, moesten de rechtmatige funkties van de macht, die er aanspraak op maakte, boven de [ 52 ]maatschappij te staan, haar worden ontrukt en aan de verantwoordelijke dienaren der maatschappij worden teruggegeven. In plaats van één keer in de drie of zes jaren te beslissen, welk lid der heersende klasse het volk in het parlement zou vertegenwoordigen en vertrappen („ver- und zertreten”), moest het algemeen kiesrecht het, in de Kommunes gekonstitueerde volk dienen op de wijze, zoals het individuële kiesrecht elk ander werkgever dient om arbeiders, opzichters en boekhouders voor zijn zaak uit te zoeken. En het is bekend genoeg, dat maatschappijen even goed als enkelingen in dingen, het werkelijke zakenleven betreffend, gewoonlijk den juisten man weten te vinden en, als zij zich al een keer vergissen, dit spoedig weer weten goed te maken. Aan de andere kant kon evenwel niets verder van de geest der Kommune verwijderd zijn dan het algemeen kiesrecht door een hiërarchische investituur te vervangen.

Het is het gewone noodlot van nieuwe historische scheppingen, voor het pendant van oudere en zelfs van afgeleefde vormen van het maatschappelijk leven, waarop zij enigermate gelijken, te worden gehouden. Zo werd deze nieuwe Kommune, die de moderne staatsmacht breekt, gehouden voor een herleving van de middeleeuwse kommunes, die eerst de voorloopsters waren van die staatsmacht en daarna haar grondslag werden. Het Kommune-bewind werd voor een poging gehouden om een bond van kleine staten, waarvan Montesquieu en Girondijnen droomden, in de plaats te zetten van die eenheid van grote volken, die, hoewel aanvankelijk door geweld tot stand gebracht, thans echter een machtige faktor der maatschappelijke produktie is geworden. — De tegenstelling der Kommune ten opzichte van de staatsmacht werd gehouden voor een overdreven vorm van de oude strijd tegen de ten top gevoerde centralisatie. Bijzondere historische omstandigheden mogen de klassieke ontwikkeling van de bourgeois-regeringsvorm, zoals dit in Frankrijk heeft plaats gevonden, in andere landen hebben verhinderd, en hebben toegelaten, dat, zoals in Engeland, de grote centrale staatsorganen zich aanvullen door korrupte parochie-bijeenkomsten (vestries), geldsjacherende wethouders en van woede snuivende armenbestuurders in de steden, en door feitelijk erfelijke vrederechters op het platteland. De Kommunale grondwet zou integendeel aan het maatschappelijk lichaam al die krachten hebben teruggegeven, die tot dusverre de parasitaire uitwas „staat”, die op de maatschappij teert en haar vrije beweging belemmert, heeft verbruikt. Door deze daad alleen zou zij de wedergeboorte van Frankrijk op gang hebben gebracht. — De middelklasse der provinciesteden zag in de Kommune een poging tot herstel der heerschappij, die zij onder Louis Philippe [ 53 ]over het land had uitgeoefend en die onder Louis Bonaparte werd verdrongen door de zogenaamde heerschappij van het land over de steden. Doch in werkelijkheid zou de kommunale grondwet de landelijke producenten onder de geestelijke leiding der distriktshoofdsteden hebben gebracht en hun daar in de stedelijke arbeiders de natuurlijke vertegenwoordigers van hun belangen hebben verzekerd. — Alleen reeds het bestaan van de Kommune bracht als iets, dat van zelf sprak, de plaatselijke zelfregering met zich mee, maar nu niet mee rals tegenwicht tegen de, thans overbodig gemaakte staatsmacht. Alleen een Bismarck, die, wanneer hij niet door zijn bloed-en-ijzer-intrigues in beslag wordt genomen, gaarne tot zijn oud, aan zijn geestelijk kaliber zo zeer beantwoordend handwerk als medewerker aan de „Kladderadatsch” terugkeert, — alleen zulk een kop kon op de gedachte komen, aan de Parijse Kommune een vurig verlangen toe te dichten naar die karrikatuur der oude Franse stedenkonstitutie van 1791, de Pruisische stedenverordening, die de stedelijke besturen tot niets dan ondergeschikte raderen in de Pruisische staatsmachine vernedert. — De Kommune maakte het wachtwoord van alle burgerlijke revoluties, — goedkope regering, — tot waarheid, door de twee grootste bronnen van uitgaven, het leger en het ambtenarendom, op te heffen. Haar bestaan alleen veronderstelde het niet-bestaan der monarchie, die, althans in Europa, regelrechte ballast en de onontbeerlijkste dekmantel der klasseheerschappij is. Zij verschafte de republiek de grondslag van werkelijk demokratische instellingen. Maar noch de „goedkope regering”, noch de „ware republiek” was haar einddoel; beiden ontstonden als bijkomstigheid en vanzelf.

De menigvuldigheid der uitleggingen, waarvan de Kommune het voorwerp was, en de menigvuldigheid der belangen, die in haar tot uitdrukking kwamen, bewijzen, dat zij een in alle opzichten voor uitbreiding vatbare politieke vorm was, terwijl alle vroegere regeringsvormen in wezen onderdrukkend waren geweest. Haar waar geheim was dit: zij was in wezen een regering der arbeidersklasse, het resultaat van de strijd der voortbrengende tegen de toeëigenende klasse, de eindelijk ontdekte politieke vorm, waaronder de ekonomische bevrijding van de arbeid zich kon voltrekken. Zonder deze laatste voorwaarde was de kommunale inrichting een onmogelijkheid en een misleiding. De politieke heerschappij van den producent kan niet bestaan naast de vereeuwiging van zijn maatschappelijke knechtschap. De Kommune moest daarom dienen als hefboom, om de ekonomische grondslagen omver te werpen, waarop het bestaan der [ 54 ]klassen en daarmee dat van de klasseheerschappij berust. Is eenmaal de arbeid geëmancipeerd, dan wordt ieder mens een arbeider, en de produktieve arbeid houdt op, een klasse-eigenschap te zijn.

Het is een bijzonder kenmerkend feit: trots al het gepraat en de onmetelijke literatuur van de laatste zestig jaren over de emancipatie der arbeiders, — nauwelijks nemen de arbeiders ergens de zaak in hun eigen handen, of terstond weerklinken weer de apologetische praatjes van de pleitbezorgers der huidige maatschappij met haar beide polen: kapitaal en loonslavernij (de grondbezitter is thans nog maar de stille vennoot van den kapitalist), als leefde de kapitalistische maatschappij nog in de staat der reinste maagdelijke onschuld, — al haar beginselen nog onontwikkeld, al haar zelfmisleidingen nog niet ontsluierd, al haar geprostitueerde werkelijkheid nog niet bloot gelegd! De Kommune, — roepen zij uit, — wil de eigendom, de grondslag van alle beschaving, afschaffen. Jawel, mijne heren, de Kommune wilde die klasseneigendom afschaffen, die de arbeid van velen in de rijkdom der weinigen verandert. Ze stelde zich het onteigenen van de onteigenaars ten doel. Zij wilde de individuele eigendom tot een waarheid maken, door de produktiemiddelen, de grond en het kapitaal, — thans vóór alles de middelen tot knechting en uitbuiting van de arbeid, — tot louter werktuigen van de vrije en geassocieerde arbeid te maken. — Maar dit is het kommunisme, het „onmogelijke” kommunisme! Nu, de lieden uit de heersende klassen, die verstandig genoeg zijn om de onmogelijkheid van het voortduren van het huidige systeem in te zien, — en zulken zijn er velen, — hebben zich tot opdringerige en rumoerige apostels der koöperatieve produktie opgeworpen. Maar wanneer de koöperatieve produktie niet slechts schijn en zwendel zal blijven, wanneer zij het kapitalistische stelsel moet verdringen, wanneer alle koöperaties te-zamen de nationale produktie volgens een gemeenschappelijk plan moeten regelen, ze aldus onder haar eigen leiding nemen en een einde maken aan de bestendige anarchie en de periodiek terugkerende konvulsies, die het onvermijdelijk lot der kapitalistische produktie zijn, — wat zou dit dan anders zijn, mijne heren, dan het kommunisme, het „mogelijke” kommunisme?

De arbeidersklasse eiste geen wonderen van de Kommune. Zij behoeft geen kant-en-klare utopieën bij volksbesluit in te voeren. Zij weet, dat zij, om haar eigen bevrijding en daarmee die hogere levensvorm, die de huidige maatschappij door haar eigen ekonomische ontwikkeling onweerstaanbaar tegemoet gaat, te voorschijn te brengen, — dat zij, de arbeidersklasse, een langdurige strijd, een ganse reeks van historische processen [ 55 ]moet doormaken, waardoor de mensen evenals de toestanden volkomen anders zullen worden gemaakt. Zij behoeft geen idealen te verwezenlijken; zij moet slechts de elementen der nieuwe maatschappij vrij maken, die zich reeds in de schoot der ineenstortende bourgeois-maatschappij hebben ontwikkeld. In het volle bewustzijn van haar historische zending en van het heldhaftig besluit, harer waardig te handelen, kan de arbeidersklasse zich bepalen tot een glimlach over het plompe schelden der lakeien van de pers, zoowel als over de schoolmeesterachtige protektie van welmenende bourgeois-doktrinairen, die hun onwetende gemeenplaatsen en sektarische grillen in de orakeltoon der wetenschappelijke onfeilbaarheid voorpreken.

Toen de Parijse Kommune de leiding van de revolutie in haar eigen hand nam, – toen eenvoudige arbeiders voor de eerste maal waagden, het regeringsprivilegie van hun „natuurlijke overheid”, de bezitters, aan te tasten en, onder omstandigheden van weergaloze moeilijkheden, hun werk bescheiden, nauwgezet en ijverig te verrichten, — te verrichten tegen salarissen, waarvan het hoogste nauwelijks een vijfde gedeelte was van wat, volgens een hooggeplaatst wetenschappelijk zegsman (Professor Huxley), het laagste is voor een sekretaris van de Londense schoolraad, toen kromde zich de oude wereld in krampachtige woede bij het aanschouwen van de rode vaan, die, als het symbool van de republiek van de arbeid, boven het stadhuis wapperde.

En toch was dit de eerste revolutie, waarin de arbeidersklasse openlijk werd erkend als de enige klasse, die nog tot maatschappelijk initiatief in staat was; erkend zelfs door de grote massa der Parijse middelklasse, — kleinhandelaren, handwerkers, kooplieden, — alleen met uitzondering van de rijke kapitalisten. De Kommune had hen gered door een wijze afdoening van die steeds terugkerende oorzaak van twist in de middelklasse zelf, van de kwestie tussen schuldenaars en schuldeisers. Hetzelfde deel der middelklasse had in 1848 aan het onderdrukken van de arbeidersopstand in Juni deelgenomen; en terstond daarop was het door de Konstituerende Vergadering zonder enige omslag aan zijn schuldeisers ten offer gebracht. Maar dit was niet de enige reden, waarom het zich thans bij de arbeiders aansloot. Het gevoelde, dat er nog maar één keus was: — de Kommune of het keizerrijk, onverschillig onder welke naam. Het keizerrijk had deze middelklasse ekonomisch te gronde gericht door zijn verkwisting van de openbare rijkdom, door de financiers-zwendel, die het had opgekweekt, door zijn hulpverlening bij de kunstmatig verhaaste centralisatie van [ 56 ]het kapitaal en de daardoor bepaalde onteigening van een groot gedeelte dezer middelklasse. Het had haar politiek onderdrukt, haar zedelijke verontwaardiging gewekt door zijn orgiën; het had haar Voltairianisme beledigd door de opvoeding van haar kinderen aan de „onwetende broedertjes” uit te leveren; het had haar nationaal gevoel als Fransen in opstand gebracht, door haar hals over kop in een oorlog te storten, welke voor al de verwoesting, die hij aanrichtte, slechts één vergoeding liet: de vernietiging van het keizerrijk. Inderdaad: na de verhuizing van de hoge Bonapartistische en kapitalistische zigeunerbende uit Parijs trad de ware orde-partij der middelklasse naar voren als de „Union Républicaine”, schaarde zich onder de vanen der Kommune en verdedigde haar tegen de opzettelijke vervalsingen van Thiers. Of de dankbaarheid dezer grote massa der middelklasse de huidige zware beproevingen zal bestaan, moet nog worden afgewacht.

De Kommune had volkomen gelijk, toen zij den boeren toeriep: — „Onze overwinning is uw hoop”. Van al de leugens, die te Versailles werden uitgebroed en door de met roem bedekte Europese perszouaven uitgebazuind, was een van de monsterachtigste, dat de landjonkers der Nationale Vergadering de vertegenwoordigers der Franse boeren zouden zijn. Men denke zich slechts de liefde van den Fransen boer voor de mensen, aan wie hij, na 1815, een milliard schadevergoeding moest betalen! In de ogen van den Fransen boer is immers reeds het bestaan alleen van een groot-grondbezitter een inbreuk op zijn veroveringen van 1789. De bourgeois had in 1848 het lapje grond van den boer met 45 opcenten belast, maar hij deed het in naam der revolutie; thans had hij een burgeroorlog tegen de revolutie ontketend om de grootste last der aan Pruisen toegekende vijf milliard schadevergoeding op de boeren te laden. Daarentegen verklaarde de Kommune onmiddellijk in een van haar eerste proklamaties, dat de werkelijke veroorzakers van de oorlog ook de kosten daarvan moesten dragen. De Kommune zou den boer de bloedbelasting hebben afgenomen, hem een goedkope regering hebben gegeven, en zijn bloedzuigers, den notaris, den advocaat, den deurwaarder en andere gerechtelijke vampyrs, in bezoldigde Kommune-beambten, door hem zelf gekozen en aan hem verantwoordelijk, hebben veranderd. Zij zou hem hebben bevrijd van de willekeur-heerschappij van den veldwachter, den gendarm en den prefekt; ze zou in plaats van de verdomming door de papen, de verheldering door den onderwijzer hebben gebracht. En vóór alles is de Franse boer een man, die rekent. Hij zou het uiterst verstandig hebben [ 57 ]gevonden, dat de betaling van den priester, in plaats van door den belastinggaarder te worden ingevorderd, slechts afhankelijk zou zijn van het vrijwillige resultaat van de hang naar vroomheid zijner gemeente. Dit waren de grote direkte weldaden, die de heerschappij der Kommune, — en zij alleen, — den Fransen boeren in het vooruitzicht stelde.

Het is dus geheel overbodig, hier nader in te gaan op de ingewikkelde werkelijke levenskwesties, die de Kommune alléén in staat, en tegelijkertijd gedwongen was, ten voordele van den boer op te lossen: — de hypotheekschuld, die als een zware last op zijn lapje grond drukte, — het landelijke proletariaat, dat dagelijks daarop aangroeide, — en zijn eigen onteigening van dit lapje, welke met steeds toenemende snelheid plaats vond als gevolg van de ontwikkeling van het moderne landbouwbedrijf en de konkurrentie der kapitalistische bodemkultuur.

De Franse boer had Louis Bonaparte tot president der republiek gekozen, maar de partij der orde schiep het tweede keizerrijk. Wat de Franse boer werkelijk nodig heeft, begon hij in 1849 en '50 te tonen, toen hij overal zijn burgemeester tegenover den regeringsprefekt, zijn onderwijzer tegenover den regeringspaap en zelfs tegenover den regeringsgendarme plaatste. Alle wetten, door de partij der orde in Januari en Februari 1850 uitgevaardigd, waren erkende dwangmaatregelen tegen de boeren. De boer was Bonapartist, omdat de Grote Revolutie, met al de voordelen voor hem, in zijn ogen in Napoleon was belichaamd. Deze vergissing, die onder het tweede keizerrijk bezig was, snel in elkaar te storten (zij was overeenkomstig haar gehele aard vijandig aan de landjonkers), dit vooroordeel van het verleden, — hoe zou het hebben kunnen standhouden tegenover het beroep der Kommune op de levende belangen en dringende behoeften der boeren?

De landjonkers, — dit was inderdaad hun voornaamste angst, — wisten, dat drie maanden van vrij verkeer tussen het Parijs der Kommune en de provincies een algemene boerenopstand te weeg zou brengen. Vandaar hun angstige haast om Parijs met een politie-blokkade te omringen en de verbreiding van de runderpest tegen te houden.

Wanneer aldus de Kommune de ware vertegenwoordigster van alle gezonde elementen der Franse maatschappij was, en daarom de werkelijk nationale regering, zij was tegelijkertijd, als een arbeidersregering, als de stoutmoedige voorvechter van de bevrijding van de arbeid, in de volle zin van het woord internationaal. Onder de ogen van het Pruisische leger, dat twee Franse provincies aan Duitsland [ 58 ]had geannexeerd, annexeerde de Kommune de arbeiders der gehele wereld aan Frankrijk.

Het tweede keizerrijk was het jubelfeest der kosmopolitische knevelarij geweest; de zwendelaars van alle landen waren op zijn roep toegesneld om aan zijn orgiën en aan de uitplundering van het Franse volk deel te nemen. Zelfs op dit ogenblik nog is Thiers' rechterhand Ganesco, de Walachijse schoft, en zijn linkerhand Markowski, de Russische spion. De Kommune liet alle vreemdelingen toe tot de eer, voor een onsterfelijke zaak te vallen. — Tussen de, door hun verraad verloren buitenlandse oorlog en de, door hun samenzwering met de vreemde veroveraars ontbrande burgeroorlog had de bourgeoisie tijd gevonden, haar patriottisme door de organisatie van politiejachten op de Duitsers in Frankrijk bot te vieren. De Kommune maakte een Duitser tot haar minister van arbeid. — Thiers, de bourgeoisie, het tweede keizerrijk, hadden Polen voortdurend door luide beloften van deelname misleid, terwijl zij het in werkelijkheid aan Rusland verrieden en Rusland's vuile werk opknapten. De Kommune eerde Polen's heldenzonen door hen aan de spits der verdedigings van Parijs te plaatsen. En om geheel onmiskenbaar het nieuwe historische tijdperk, dat zij welbewust inleidde, te kenmerken, haalde de Kommune onder de ogen, hier van den zegevierenden Pruis, daar van het, door Bonapartistische generaals geleide Bonapartistische leger, het kolossale symbool van de krijgsroem, de Vendôme-zuil omver. —

De grote sociale maatregel der Kommune was haar eigen arbeidend bestaan. Haar bijzondere maatregelen konden slechts de richting aanwijzen, waarin zich een regering van het volk door het volk beweegt. Daartoe behoren de afschaffing van de nachtarbeid voor de bakkersgezellen; het verbod, onder strafbedreiging, van de bij de werkgevers gebruikelijke praktijk, het loon te drukken door de arbeiders onder allerlei voorwendsels boeten op te leggen, — een wijze van handelen, waarbij de werkgever in één persoon wetgever, rechter en uitvoerder is en bovendien het geld in zijn zak steekt. Een andere maatregel van deze aard was het overgeven van alle gesloten werkplaatsen en fabrieken aan arbeiders-koöperaties, onder voorbehoud van schadeloosstelling, onverschillig of de betrokken kapitalist was gevlucht of er zelfs de voorkeur aan gaf, het werk te laten stilstaan.

De financiële maatregelen der Kommune, uitmuntend door hun inzicht en gematigdheid, konden zich slechts beperken tot zulke, die met de toestand ener belegerde stad waren te rijmen. Met het oog op de [ 59 ]reusachtige diefstallen, aan de stad Parijs begaan door de grote financiers-maatschappijen en bouwondernemers onder Hauszmann's heerschappij, zou de Kommune een veel groter recht hebben gehad om hun eigendom verbeurd te verklaren dan Louis Napoleon het eigendom van de familie Orleans. De Hohenzollern en de Engelse oligarchen, die beiden een flink stuk van hun bezittingen van geroofd kerkeneigendom afleiden, waren natuurlijk hoogst verontwaardigd over de Kommune, die uit de sekularisatie slechts 8000 Frank voordeel trok.

Terwijl de regering te Versailles, zodra zij weer enigszins moed en kracht had verzameld, de gewelddadigste middelen tegen de Kommune gebruikte; — terwijl zij de vrijheid van meningsuiting over geheel Frankrijk onderdrukte en zelfs vergaderingen van gedelegeerden der grote steden verbood; — terwijl zij Versailles en het overige Frankrijk aan een spionnage, veel erger dan die van het tweede keizerrijk, onderwierp; — terwijl zij door haar gendarmen-inkwisiteurs alle in Parijs gedrukte kranten verbrandde en alle brieven van en naar Parijs openbrak, — terwijl in de Nationale Vergadering de schuchtere pogingen, een woord ten gunste van Parijs te doen horen, werden neergeschreeuwd op een, zelfs in de Jonker-kamer van 1816 ongehoorde manier; gedurende de bloeddorstige wijze van oorlogvoeren der Versaillanen buiten, en haar pogingen tot omkoperij en samenzwering binnen Parijs, — zou dan de Kommune haar positie niet smadelijk hebben verraden, als zij alle beleefdheidsvormen van het liberalisme, als in tijden van de meest volkomen vrede, had in acht genomen? Ware de regering der Kommune aan die van den heer Thiers verwant geweest, dan zou er even weinig aanleiding toe hebben bestaan, om bladen der partij van de orde in Parijs, als Kommune-bladen in Versailles te onderdrukken.

Inderdaad was het ergerlijk voor de landjonkers, dat juist omstreeks de tijd, dat zij de terugkeer tot de kerk als enig middel tot de redding van Frankrijk verklaarden, de ongelovige Kommune, de eigenaardige geheimen van het nonnenklooster Picpus en de kerk St.-Laurent blootlegde. Het was een satire op Thiers, dat, terwijl hij grootkruisen op de Bonapartistische generaals liet regenen voor hun meesterschap in het verliezen van veldslagen, het ondertekenen van kapitulaties en het sigaretten draaien te Wilhelmshöhe, de Kommune haar generaals afzette en gevangen nam, zodra zij van het verwaarlozen van hun dienst verdacht werden. Het uitstoten en arresteren van een lid, dat onder valse naam was binnen geslopen en vroeger te Lyon zes dagen [ 60 ]gevangenis wegens eenvoudig bankroet had ondergaan, — was dit niet een voorbedachte belediging, in het gezicht geslingerd van den vervalser Jules Favre, die toen nog altijd Frankrijks minister van buitenlandse zaken was, nog steeds Frankrijk aan Bismarck verkocht, nog altijd bevelen dikteerde van die onvergelijkelijke Belgische regering? Maar inderdaad, de Kommune maakte geen aanspraak op onfeilbaarheid, zoals zonder uitzondering al de oude regeringen doen. Zij publiceerde alle redevoeringen en handelingen; zij wijdde het publiek in in al haar onvolkomenheden.

In iedere revolutie dringen zich, naast haar werkelijke vertegenwoordigers, mensen van een ander slag op de voorgrond. Enkelen zijn de overlevenden van vroegere revoluties, waarmee zij zijn saâmgegroeid; zonder inzicht in de huidige beweging, maar toch in het bezit van grote invloed op het volk door hun bekende moed en hun karakter, of ook door traditie alleen. Anderen zijn alleen maar schreeuwers, die jarenlang steeds dezelfde deklamaties tegen de regering van de dag herhalen en zich zo de reputatie van revolutionnairen, van het zuiverste water hebben aangematigd. Ook na de 18de Maart kwamen zulke lieden te voorschijn en speelden zelfs in enkele gevallen een voorname rol. Zover hun macht ging, hinderden zij de werkelijke aktie der arbeidersklasse, zoals zij de volledige ontwikkeling van iedere vroegere revolutie hebben gehinderd. Zij zijn een onvermijdelijk kwaad; mettertijd schudt men hen van zich af; maar juist die tijd werd de Kommune niet gelaten. —

Wonderlijk was inderdaad de verandering, die de Kommune in Parijs had teweeggebracht! Geen spoor meer van het boelerende Parijs van het tweede keizerrijk. Parijs was niet langer doe verzamelplaats van Britse grondbezitters, Ierse absentees, Amerikaanse ex-slavenhouders en parvenu's, Russische ex-lijfeigenen-bezitters en Walachijse bojaren. Geen lijken meer in de Morgue, geen nachtelijke inbraken en bijna geen diefstallen meer; sedert de Februari-dagen van 1848 waren de straten van Parijs werkelijk weer eens veilig en dit alles zonder enigerlei politie. „Wij horen nu”, — zeide een lid der Kommune, — „niets meer van moord, roof en aanranding van personen; het schijnt inderdaad alsof de politie al haar konservatieve vrienden naar Versailles heeft meegesleept”. De cocottes hadden het spoor van hun beschermers weergevonden, — de voortvluchtige mannen van het gezin, de godsdienst en vooral van de eigendom. In haar plaats kwamen de werkelijke vrouwen van Parijs weer op straat, — heldhaftig, edelmoedig [ 61 ]en opofferingsgezind als de vrouwen in de oudheid. Parijs, werkend, denkend, strijdend, bloedend, — door de voorbereiding van een nieuwe maatschappij de kannibalen voor de poorten bijna vergetend, stralend in de geestdrift van zijn historisch initiatief.

En ziet nu, tegenover deze nieuwe wereld in Parijs, de oude in Versailles, — deze verzameling van „Ghuls” van alle vroegere regeringsstelsels, — legitimisten en Orleanisten, begerig, te azen op het kadaver der natie met een sleep van voorwereldlijke republikeinen, die door hun tegenwoordigheid in de vergadering toestemming gaven tot de opstand der slavenhouders, die het behoud van hun parlementaire republiek hoopten te verkrijgen van de ijdelheid van den bejaarden hansworst aan het hoofd der regering, en die het jaar 1789 tot karikatuur maakten door hun spookachtige vergaderingen in de „Jeu de Paume”.[2] Daar zat zij, die vergadering, de vertegenwoordigster van al wat afgestorven was in Frankrijk, in haar pose van schijnbaar leven steunend op niets dan de sabels der generaals van Louis Bonaparte. Parijs geheel waarheid, Versailles geheel leugen, en die leugen verkondigd door de mond van Thiers.

Thiers zei aan een deputatie van burgemeesters van het departement Seine-et-Oise: „Gij kunt u verlaten op mijn woord, dat ik nooit heb gebroken! De vergadering zelf”, — zei hij, — „is de vrijst gekozen en liberaalste vergadering, die Frankrijk ooit heeft gehad”; zijn bonte verzameling van soldaten „de bewondering der wereld en het schoonste leger, dat Frankrijk ooit heeft bezeten”; aan de provincies vertelde hij, dat het bombardement van Parijs een sprookje was: „als er enkele kanonschoten zijn gevallen, dan geschiedde dit niet door het leger van Versailles, maar door enige opstandelingen, die willen doen geloven, dat zij slag leveren, ofschoon zij zich toch nergens durven vertonen”. Dan weer maakt hij de provincies wijs: „De artillerie van Versailles bombardeert Parijs niet, zij kanonneert slechts”. Aan den aartsbisschop van Parijs zegt hij, dat de exekuties en repressailles, die de troepen van Versailles worden aangewreven (!) louter leugens zijn. Hij verkondigt Parijs, dat hij slechts van plan is, „het te bevrijden van de afschuwelijke tyrannen, die het onderdrukken”, en dat het Parijs der Kommune inderdaad „slechts een handvol misdadigers” is.

Het Parijs van Thiers was niet het werkelijke Parijs der „schamele [ 62 ]menigte”, maar een Parijs der fantasie, het Parijs der francfileurs, het Parijs der boulevards, mannelijk zowel als vrouwelijk, het rijke, het kapitalistische, het vergulde, het niets-doende Parijs, dat zich nu met zijn lakeien, zijn oplichters, zijn literaire zigeunerbende en zijn cocotte's te Versailles, Sant-Denis, Rueil en Saint-Germain verdrong, — voor wie de burgeroorlog slechts een aangenaam tussenspel was; — dat de strijd door een verrekijker bekeek, de kanonschoten telde en bij zijn eigen eer en die van zijn hoeren zwoer, dat dit schouwtoneel oneindig veel beter was gearrangeerd dan ooit in het theater der Porte Saint-Martin. De gevallenen waren werkelijk dood, de kreten der gewonden waren niet maar vertoning en dan, — hoe wereld-historisch was niet die hele zaak!

Dit is het Parijs van den heer Thiers, geheel en al zoals de emigratie van Koblenz het Frankrijk van den Heer de Calonne was.

  1. Imperialisme — in de betekenis van Caesarisme. — Vert.
  2. Zaal te Versailles, waar de Derde Stand de belangrijke besluiten gedurende de revolutie van 1789 nam. — Vert.