De Génestet/Een kind der eeuw onder een preekstoel

[ 345 ]

LXV.

EEN KIND DER EEUW ONDER EEN PREEKSTOEL.



Gij Prediker, daar in de lucht,
Hebt gij dan geen woordje voor mij?
Uw rede, als een galmend gerucht,
Rolt ledig mijn ziele voorbij.

Verborgenheën, vreemd aan 't gemoed,
Van hooger mysteries vervuld,
Door kennis en twijfel gevoed,
Verkondt ge mijn zoekend geduld!

Gij scheldt, wie het woord niet gelooft,
Bezegeld, door wondren, met kracht,
En vroom buigen allen het hoofd
Wee d' arme, die bidt en versmacht!

Het ongeloof velt gij ter neer:
„Geloof of verga!” is 't betoog.
„De Twijfel is Hoogmoed, niets meer!”
Klinkt troostend my toe van omhoog.

Ach hoogmoed! Maar is dan de gaard,
Is de akker, versmachtend van dorst,
Hoogmoedig? — mij, strijder op aard,
Aldus ook versmacht mij de borst.

Gij Prediker, daar in de lucht,
Hebt gij dan geen woord voor mijn hart?
En weet ge dan niet wat ik zucht?
En voelt gij dan niets van mijn smart?

1859.