Stichtelijk De dichtwerken van P.A. de Génestet (1877) door P.A. de Génestet

Jan Rap

Vroomheid
Uitgegeven in Amsterdam door Gebroeders Kraay.
[ 315 ]

X.

JAN RAP



Ware er, in het gemeen, geen andere keus
als tusschen rechtzinnig en lichtzinnig, ik zou
liever om mijne orthodoxie voor ouderwetsch
doorgaan, dan om mijn liberalisme ingehaald
worden door lieden van verdachten ernst.
Jan Rap is zeer vrijzinnig, zeer!
Hij houdt niet van die vromen:
[ 316 ]Hij heeft „geen weerga” om de leer,
En smaalt van „breede zoomen.”
Hij vindt geen waren christengeest
Bij al die fijne kwezels;
Hij zegt „de Liefde is ’t hoogst, is ’t meest,”
En scheldt hen uit voor Ezels.

Jan Rap is zeer vrijzinnig, zeer!
Een vijand van de vromen,
En, ik geloof, ook niet veel meer
Met vroomheid ingenomen.
Jan Rap beweert, na wijs beraad,
„’t Bestaat’ em niet in ’t bidden,”
Maar waarin of ’t em dan bestaat,
Dat laat hij liefst in ’t midden!

Jan is geen knecht der wet; hij staat,
Dus zegt hij, in de vrijheid!
Ook, als hij t’huis komt, ’s avonds laat,
Psalmzingt hij: Vrijheid, Blijheid!
Jan volgt in denken en in doen
De stem van zijn geweten,
Maar ’t is er een van ruim fatsoen
En, min of meer, versleten.

Jan oordeelt – alles zonder vrees,
Wat hij zegt staat op pooten;
Hij weet vooral van Dominees
Ontelbare anekdoten.
Ook voelt Jan Rap, die menschen kent,
Nogal zijn eigen waarde:
Waar vindt ge zoo’n patenten vent,
Zóó liberaal, op aarde?

Jan Rap is zeer vrijzinnig, zeer!
Een standje vol verlichting;
Afbreken is zijn vreugd, zijn eer,
In spotten vindt hij stichting.
Wat knappe kop! wat diepe blik!
Hij hangt niet aan de letter;
[ 317 ]Hij hangt veel meer aan eigen Ik
En nommer Eén – die ketter!

De waarheid heet het doel alleen
Van dees geliefde broeder:
Hij sierde onlangs met aardigheên
Den Bijbel zijner moeder,
Hij grijnst zijn kleine zusjen ân,
Die wonderen gelooven;
Want zijn geloof, ’t geloof van Jan,
Staat vast en ver daarboven!

Jan is niet kerksch; dat spreekt van–zelf,
Hij denkt zoo heel verheven:
„Zijn tempel is het blauw gewelf,
„Zijn godsdienst is – zijn leven!”
Zoek hem in ’t Zondagsmorgensuur
Niet bij de vrome scharen!
Hij, wel zoo goed, in Gods natuur,
Houdt kerk en – rookt sigaren!

Nog tegen ’t Zendingswerk vooral
Richt Jan zijn geestigheden;
Hij kan zijn geld – Jan is niet mal –
Wel nuttiger besteden.
Het krielt – verklaart hij – om ons heen
Van Heidnen en Heidinnen:
Bekeer die eerst! Heel fraai; alleen
Jan moest met Jan beginnen!

Jan Rap is zeer vrijzinnig, zeer!
Lichtzinnig wel te weten:
Zoo zijn er – ja! zoo zijn er meer,
Die liberaal zich heeten!
Moog Jan dès leven in mijn lied
En heden en nadezen,
Opdat wie ’t leze of hoore – niet
Begeer zijn maat te wezen!