De Opmerker/Jaargang 19/Nummer 22/Maatschappij tot Bevordering der Bouwkunst II

De Opmerker Jaargang 19 Nummer 22 (31 mei 1884)

Maatschappij tot Bevordering der Bouwkunst II (Vergadering van donderdag 29 mei 1884)
Door anonieme auteur

Vergadering van Donderdag 29 Mei 1884.


      De Voorzitter C. Muysken opende te ruim twee uren de vergadering en verzocht den Secretaris het rapport te lezen der Commissie, die de voorstellen tot wijziging van art. 52 der wet onderzocht heeft. Wij ontleenen aan dit stuk, dat de volgende voorstellen onderzocht zijn, als:
      A. Van het Bestuur der Afdeeling Rotterdam met 72 handteekeningen het volgende:
      De ondergeteekenden, gewone leden der Maatschappij tot Bevordering der Bouwkunst, hebben de eer voor te stellen om art. 52 der wet van de Maatschappij te wijzigen en daarvoor het onderstaande in de plaats te stellen:
      „De Afdeelingen kunnen ook tot leden aannemen personen, die geen leden der Maatschappij zijn. Zij dragen den naam van Plaatselijke leden. Deze hebben bij zaken en voorstellen de Maatschappij betreffende, slechts eene adviseerende stem.”
      B. Van den heer J. B. Kam, met 71 handteekeningen:
      De ondergeteekenden, leden der Maatschappij tot Bevordering der Bouwkunst, stellen voor art. 52 der wet (luidende: de Afdeelingen kunnen slechts tot leden aannemen de gewone-, buitengewone- en kunstlievende leden der Maatschappij) in dien zin te wijzigen, dat deze bepaling niet geldt voor jongelieden van 16 tot 23 jaar.
      C. Van den heer Daniel J. Sanches, met 57 handteekeningen.
      De ondergeteekenden, gewone leden van de Maatschappij, hebben de eer u uit te noodigen, aan de algemeene vergadering, in Mei 1884 te houden, voor te stellen: het laatste gedeelte van art. 5, aanvangende met kunstlievende leden enz. tot ƒ 5 per jaar, te wijzigen en te doen luiden: kunstlievende leden betalen eene contributie van ƒ 2. Op verlangen worden hun de te verschijnen afbeeldingen van oude gebouwen verstrekt tegen eene jaarlijksche vergoeding van ƒ 2.
      D. Van 66 leden der Maatschappij:
      Naar aanleiding van breedvoerige discussiën, gehouden in eene vergadering te Utrecht, waar vertegenwoordigerd waren de afdeelingen Amsterdam, Rotterdam, ’s-Gravenhage, Arnhem en Utrecht, noodigen de ondergeteekenden het Bestuur der Maatschappij uit aan de algemeene vergadering, in Mei 1884 te houden, voor te stellen de volgende wijziging der Wet:
      10. Artikel 4 te lezen:
      De Maatschappij bestaat uit gewone, buitengewone, plaatselijke afdeelings-, kunstlievende- en eereleden.
      Het lidmaatschap enz.
      20. In art. 5 in te lasschen:
      Plaatselijke afdeelingsleden kunnen aangenomen worden, mits ƒ 2 contributie aan de Maatschappij betalende. Zij hebben daarvoor stem op de algemeene vergaderingen en kunnen het Bouwkundig Weekblad à ƒ 4 per jaar en de verdere uitgaven der Maatschappij tot verminderden prijs, in overleg met het Bestuur te bepalen, bekomen.
      30. Het slot van de eerste zinsnede van art. 19 te lezen: en bovendien een stembiljet aan de gewone en aan de plaatselijke afdeelingsleden.
      40. In art. 52 te laten vervallen gewone, buitenwone en kunstlievende.
      E. Van het Bestuur der Afdeeling Arnhem, ondersteund door 54 handteekeningen, de volgende wijzigingen: Art. 5, alinea 4.
      Kunstlievende leden ontvangen het Weekblad. Hunne contributie bedraagt ƒ 5 per jaar.
      Art. 35 in plaats van de woorden „geeft jaarlijks” te lezen: geeft zooveel mogelijk jaarlijks.
      Art. 51. De Afdeelingen zijn vrij in haar financieel beheer. Zij ontvangen eene geldelijke toelage uit de kas der Maatschappij voor elk lid, minstens tot ¼ van het bedrag der contributie, die de Maatschappij ontvangt.
      De Afdeelingen heffen geene plaatselijke contributie.
      Art. 52. De leden der Maatschappij zijn rechtens leden der Afdeeling hunner woonplaats.
      Leden van de Maatschappij in plaatsen, waar geene Afdeeling is, kunnen als leden in naburige Afdeelingen worden toegelaten. De Afdeelingen ontvangen dan ook voor die leden ¼ der contributie, die aan de Maatschappij voldaan wordt.


[188]

188

      F. Van den heer P. J. Huibers met 52 handteekeningen:
      De ondergeteekenden, gewone leden der Maatschappij tot Bevordering der Bouwkunst, hebben de eer de navolgende wijzigingen der wet aan de eerstvolgende algemeene vergadering voor te stellen:
      Art. 4 te lezen als volgt:
      „De Maatschappij bestaat uit gewone-, buitengewone-, plaatselijke afdeelings-, kunstlievende- en eereleden.”
      „Het lidmaatschap is” enz.
      Bij art. 5 in te lasschen:
      Plaatselijke afdeelingsleden ontvangen het Weekblad. Hunne contributie bedraagt ƒ 5 per jaar.
      De laatste zinsnede van art. 51 te lezen:
      „tevens gewoon lid der Maatschappij.”
      In art. 52 te laten vervallen de woorden:
      Gewone, buitengewone en kunstlievende.
      Voorts zien wij uit dit verslag, dat het voorstel van den heer Huibers algemeene instemming verwierf, wat aangaat de wijzigingen in art. 4 en art. 5, doch algemeene afkeuring wat aangaat dat gedeelte, waarin hij art. 51 wenscht te wijzigen in dier voege, dat de retributie alleen voor gewone leden zou betaald worden.
      Vele leden der Commissie meenden echter, dat bij aanneming van het voorstel van den heer Huibers, de leden, te Amsterdam woonachtig, financieel voordeel zouden hebben, daar zij binnenkort met alle uitgaven der Maatschappij (op de Bibliotheek) gemakkelijk kennis kunnen maken, wanneer zij slechts de geringe contributie van plaatselijk afdeelingslid betalen, terwijl de buiten Amsterdam wonenden, om hetzelfde te kunnen genieten, de contributie van gewoon lid moeten voldoen.
      Ten slotte formuleert de Commissie ten gerieve der leden datgene, wat zij aanbevelenswaard in de ingekomen voorstellen vindt, als volgt:
      Art. 4 te lezen:
      De Maatschappij bestaat uit Gewone-, Buitengewone-, Plaatselijke Afdeelings-, Kunstlievende- en Eereleden.
      Het lidmaatschap is met het Eerelidmaatschap vereenigbaar.
      Bij art. 5 in te lasschen:
      Plaatselijke Afdeelingsleden ontvangen het Weekblad. Hunne contributie bedraagt ƒ 5 per jaar.
      en toe te voegen:
      De buitengewone-, plaatselijke Afdeelings- en kunstlievende leden hebben alleen eene adviseerende stem.
      Art. 51 te lezen:
      De Afdeelingen zijn vrij in haar financieel beheer.
      Zij ontvangen eene geldelijke toelage uit de kas der Maatschappij voor elk lid der Afdeeling, tevens lid der Maatschappij.
      Deze toelage bedraagt ƒ 2 voor elk Plaatselijk Afdeelingslid; voor de andere rubrieken van leden wordt de toelage jaarlijks vastgesteld.
      Art. 52 te lezen
      De Afdeelingen kunnen alleen leden der Maatschappij tot lid aannemen.


      De Secretaris las daarna het praedvies van het Bestuur, luidende als volgt;
      „Het Bestuur der Maatschappij heeft met belangstelling kennis genomen van de ingekomen voorstellen tot wijziging van eenige wetsartikelen, om, in het belang der afdeelingen, het toetreden tot deze meer gemakkelijk te maken. Zoo ook van de gedachtenwisselingen, die, naar aanleiding daarvan, hebben plaats gehad. Het heeft, ingevolge Art. 57, die voorstellen tot nader onderzoek in handen gesteld van eene Commissie, die daarover intijds haar rapport heeft uitgebracht.
      „Het Bestuur juicht het toe, dat die Commissie als meest wichtige conclusie van haar onderzoek heeft vooropgesteld, dat de geest van de wet, aangenomen in 1880, moet worden gehandhaafd, n. l.: Alle leden der Afdeelingen moeten zijn leden der Maatschappij.
      „Het Bestuur is echter niet overtuigd, dat het in het leven roepen eener nieuwe 5de categorie van leden voor de afdeelingen, resp. de Maatschappij gewenscht en noodzakelijk is, vooral niet op de voorwaarden door de Commissie voorgesteld.
      „Wanneer leden zouden worden aangenomen, die voor een contributie van ƒ 5 ’s jaars het Bouwkundig Weekblad ontvangen, terwijl van die som weder ƒ 2 uit de maatschappelijke kas aan de afdeelingen moet worden uitgekeerd, zoo kreeg de Maatschappij feitelijk eene rubriek van inteekenaren op het Bouwkundig Weekblad, die (overigens ongeveer hetzelfde genietende van de baten en lasten der Maatschappij als de overige hooger contribueerende leden) zeer zeker tot schade der maatschappelijke kas zoude strekken, omdat de hiermede gepaard gaande meerdere inkomsten niet evenredig zouden zijn aan de daaruit voortvloeiende meerdere uitgaven voor de Maatschappij.
      Het Bestuur is evenwel, gelijk zoovele leden en evenals de Commissie, overtuigd, dat eenige meerdere vrijheid moet verleend worden, teneinde de belangstelling in de afdeelingen meer levendig te houden en om het vooral aan jeudige beoefenaars der bouwkunst meer gemakkelijk te maken, intijds kennis te nemen van- en hun voordeel te kunnen doen met het streven en werken der afdeelingen, respectievelijk de Maatschappij.
      „Het Bestuur stelt naar aanleiding dezer overweging voor:
      „Art. 52 te behouden, maar daaraan toe te voegen: „De Afdeelingen hebben evenwel het recht, personen tot den leeftijd van 23 jaren, die geen lid der Maatschappij zijn, tot hunne vergaderingen toe te laten, op voorwaarden, bij huishoudelijk reglement door de Afdeelingen te regelen.”
      „Daar de afdeelingen vrij zijn in hun financieel beheer, kunnen zij deze personen aannemen tegen eene contributie, als door elke Afdeeling in haar belang gewenscht wordt.


Het Bestuur voornoemd,
C. MUYSKEN, Voorzitter.
C. T. J. LOUIS RIEBER, Secretaris.”


      Op voorstel van den heer P. J. H. Cuijpers komen de verschillende voorstellen achtereenvolgens aan de orde en alzoo in de eerste plaats dat van het Bestuur der afdeeling Rotterdam, sub A genoemd.
      Als lid der Commissie, die de voorstellen onderzocht, vond de heer J. B. Jager het moeilijk ze opnieuw te behandelen, maar tegenover het preadvies van het Bestuur, handhaafde hij met kracht het advies der Commissie. Spreker wees op het onmisbare van plaatselijke leden, om aan de afdeelingen kracht te geven en wordt deze rubriek van leden niet toegestaan, dan zullen naast de afdeelingen vereenigingen ontstaan, die niet samenwerken maar een eigen weg bewandelen. Omtrent het denkbeeld, datv de afdeelingen een hoofdelement der Maatschappij vormen, bestaat overeenstemming en minstens 500 bouwkundigen, die thans zijn uitgesloten of wel oogluikend worden toegelaten, verbeiden het oogenblik, dat hun als plaatselijke leden recht van toegang zal worden verleend. Spreker behandelde daarop de toelage en stelde de vraag: wil men plaatselijke leden, ja of neen?
      De heer Knuttel vindt de voorgestelde regeling van het debat moeilijk en zal daarom de zaak in het algemeen bespreken. De toestand is halfslachtig; elk lid behoort bij eene afdeeling, maar dit is voor het oogen


[189]


189


blik te ingrijpend en om nu zoo min mogelijk aan de wet te tornen, verdient het aanbeveling het preadvies van het Bestuur te volgen. Na onderteekening van het rapport en lezing van het voorstel van het Bestuur, is spreker tot deze gedachte gekomen en mitsdien doet hij het voorstel dit preadvies in stemming te brengen. De financiëele uitkomsten van het beheer der afdeelingen zijn hem onbekend, maar het verslag geeft geene redenen tot bezorgdheid.
      De heer Cuypers bespreekt de redenen, die hem aanleiding gaven het voorstel te doen om de verschillende voorstellen achtereenvolgens te behandelen; na kennisneming der uiteenloopende denkbeelden kon dan met kennis van zaken gestemd worden.
      De heer Leliman, die het rapport op verzoek van de medeleden der Commissie het eerst onderteekende, verklaarde zich tegen het preadvies van het Bestuur en wilde de zaak, die in het Weekblad besproken werd, en bloc behandelen; zonder nader onderzoek is ieder op de hoogte zijne stem uit te brengen over het voorstel van het Bestuur, waaraan spreker de prioriteit wenscht te geven, zooals de heer Knuttel voorstelde.
      De heer Cuypers kon zich met dit denkbeeld vereenigen als het den wil der Vergadering is en de Voorzitter stelde alsnu het rapport der Commissie met het preadvies van het Bestuur aan de orde, zoodat de afzonderlijke voorstellen vervielen.
      Het slotwoord van het preadvies van het Bestuur gaf den heer Wolter aanleiding een enkel woord in het midden te brengen over de financieële quaestie, en de heer Stoeller besprak het voorstel der afdeeling Arnhem, dat hem eene kleine terechtwijzing van den Voorzitter veroorzaakte.
      De heer J. B. Jager stelde in het licht, dat de Commissie in het algemeen van gedachte was, dat er plaatselijke leden moeten bestaan en het Bestuur duldt alleen minderjarigen. Het bezwaar schijnt in de geldquaestie gelegen te zijn, maar mocht het blijken dat ƒ 5 eene te lage contributie is dan kan zij verhoogd worden. Spreker zag in het voorstel van het Bestuur eene schending der wet door het insmokkelen van minderjarigen en betuigde ten slotte zijne verwondering, dat eene zoo eenvoudige zaak tot vreemde gevolgtrekking kan leiden.
      De heer F. H. van Malsen antwoordde, dat de afdeeling ’s-Gravenhage ernaar streeft de minderjarigen tot zich te trekken en daaraan beantwoordt het voorstel van het Bestuur. Jeugdige krachten zijn noodig, want de oudere leden worden gewoonlijk te veel door zaken verhinderd aan de werkzaamheden deel te nemen.
      De heer P. J. H. Cuypers repliceerde den heer Jager, dat er van insmokkelen geen sprake is, zoodra het voorstel tot wet verheven wordt; spreker vereenigde zich met het gevoelen van den heer Van Malsen, dat juist in het belang der jongelui gehandeld moet worden.
      De heer P. G. Lancel kon dit gevoelen onderschrijven voor groote plaatsen, als Amsterdam, Rotterdam en Den Haag, waar vele jongelieden gevonden worden, maar niet voor Leiden en dergelijke steden, waar de kracht der afdeelingen moet gezocht worden in de werkbazen, die ongenegen zijn ƒ 8 of meer aan contributie te betalen.
      De heer Jager was van meening, dat de heer Van Malsen hem niet begreep; in ’s-Hage toch beschouwt men de afdeeling meer als eene architectenvereeniging, waar jongelui zich oefenen. Volgens spreker moet eene afdeeling der Maatschappij tot Bevordering der Bouwkunst zich niet beijveren de jongelui tot zich te trekken en de ouderen, dat zijn de werkbazen, te weeren, want daardoor treedt zij in concurrentie met Architectura et Amicitia en worden de algemeene belangen der bouwkunst niet bevorderd.
      Nadat de heer Kam zijn voorstel had ingetrokken en adhesie betuigde aan het preadvies van het Bestuur, waardoor de wet minder verkracht werd, stelde de heer Van Etteger voor, laatstgenoemd preadvies in stemming te brengen. Daarop gaf de heer H. W. Veth in overweging geene plaatselijke, maar adspirant-leden aan te nemen en de heer H. Cramer om de jongelui, die als minderjarigen toegang tot de afdeelingen hadden, ook na hun 23ste jaar als plaatselijke leden aan te nemen. Beide voorstellen, van de Bestuurstafel gedaan om aan de bezwaren tegemoet te komen, werden door de heeren Knuttel, Van Malsen en W. C. Metzelaar bestreden en niet ondersteund. De heer Van Malsen trachtte de bezwaren, door den heer Jager geopperd, te weerleggen en wees erop dat de werkbazen ook met eene kleine contributie lid der Maatschappij kunnen worden; de heer Stoeller was eene geheel andere gedachte toegedaan en hield staande, dat het voorstel van het Bestuur de aanwerving van leden voor de afdeelingen zou in den weg staan.
      De Voorzitter lichtte het door ’t Bestuur ingenomen standpunt eenigszins toe. De voorstellen hadden naar de meening van ’t Bestuur alle de strekking, wat geld te nemen uit de maatschappelijke kas ten behoeve der afdeelingen. Dit kon niet. Het getal leden van ƒ 15 mocht niet in gevaar worden gebracht en ’t Bestuur moest waken voor de schatkist; vandaar, dat het niet verder kan tegemoet komen aan de door de afdeelingen geuite wenschen.
      De heer J. H. Leliman verklaarde met het voorstel van het Bestuur te kunnen medegaan; al bracht de Commissie verslag uit over de ingekomen voorstellen en werd door haar aangegeven, wat aanbeveling verdient, moet erkend worden dat het Bestuursvoorstel voorzichtig is en werd door hem in overweging gegeven het met algemeene stemmen aan te nemen. Bij stemming bleek dat slechts acht leden daartegen zijn, zoodat de door het Bestuur voorgestelde wijziging met groote meerderheid is aangenomen.


      Van de gelegenheid, die daarop werd aangeboden om vragen of voorstellen te doen, die tot geen stemming aanleiding geven, werd door eenige leden gebruik gemaakt.
      De heer Van Etteger wenschte de ochtenden der vergaderingen, die te Amsterdam gehouden worden, nuttiger te besteden door en corps het een of ander in de stad te bezichtigen. De Voorzitter gaf de verzekering den wenk ter harte te nemen en de heer Van Malsen was van meening, dat het Maatschappelijk Gebouw als vanzelf de gelegenheid zal aanbieden om de leden tot elkander te brengen.
      De heer Schill herinnerde aan de quaestie over het loon der architecten en de bekende motie-Leliman en gaf in overweging deze zaak in de aanstaande Septembervergadering te behandelen. Ook op dit punt zal de aandacht van het Bestuur gevestigd blijven.
      De heer D. E. C. Knuttel uitte den wensch het Weekblad wat minder te vullen met de verslagen der Afdeelingen, die voor den lezer weinig waarde hebben; werd er werkelijk eene belangwekkende redevoering gehouden, dan zou daaraan eene plaats kunnen worden ingeruimd, en het verzoek daartoe werd door hem uit naam van meer leden gedaan. De Voorzitter repliceerde, dat het moeilijk is de verslagen der afdeelingen te bekorten en dat de Maatschappij er prijs op stelt ze in haar orgaan op te nemen; de opmerking zal echter aan de verslaggevers worden medegedeeld.
      De heer Stoeller gaf in overweging van de stukken,


[190]


190


die op de Algemeene Vergadering behandeld worden en in het Weekblad opgenomen zijn, steeds afdrukken voorhanden te hebben, opdat de leden niet genoodzaakt zijn het Weekblad mede te nemen. De Voorzitter antwoordde dat er afdrukken aanwezig zijn.
      De heer Scheltema vroeg naar de diploma’s, die bij de door de Maatschappij gehouden tentoonstelling waren toegekend en ontving van den Voorzitter de geruststellende verzekering, dat de gereed lagen.


      Alsnu werd het uitschrijven, beantwoorden en beoordeelen van prijsvragen aan de orde gebracht; de voorwaarden, indertijd door den heer Leliman ontworpen, waren in handen eener Commissie gesteld, die de zaak nader overwogen en het onderstaande concept aan het Bestuur gezonden had.
      Artikelen bij het uitschrijven, beantwoorden en beoordeelen van prijsvragen aanbevolen en vastgesteld ter algemeene vergadering van Mei 1884.
      Art. 1. Het Rijk der Nederlanden en iedere corporatie op publiek terrein, behooren bij prijsvragen voor gebouwen de mededinging algemeen te stellen.
      Een uitgeschreven prijsvraag mag niet worden teruggetrokken.
      Art. 2. Bij prijsvragen voor monumentale gebouwen mogen eerst dan architecten uit het buitenland tot mededinging worden opgeroepen, wanneer gebleken is dat de krachten hiertelande ontoereikend zijn.
      Art. 3. Het programma voor elke prijsvraag behoort door minstens twee deskundigen te worden opgesteld. Deze moeten de opgaven der prijsuitschrijvers aan de eischen van kunst en werkelijkheid toetsen, en die in onderling verband brengen.
      Het programma moet door de samenstellers onderteekend worden en zoo mogelijk de hoofdafmetingen of oppervlakten aangeven van de voornaamste der verlangde lokalen, eene omschrijving van den aard van den bodem, en de situatie.
      Wordt een bepaalde stijl of constructie verlangd, dan moet dit vermeld worden.
      De wijze van voorstelling en het aantal der teekeningen worden bij het programma opgegeven.
      Art. 4. Wordt eene bouwsom opgegeven, dan moet deze proefhoudend, en strikt verbindend voor alle mededingers zijn.
      De begrooting, door de mededingers in te leveren, moet gegrond zijn op de eenheidsprijzen der materialen, die bij het programma moeten vermeld zijn, en eene opgave bevatten der afmetingen en hoeveelheden van de te verwerken bouwstoffen.
      Art. 5. De uit te loven prijs en premiën moeten in geld zijn, en wat den prijs betreft bedragen, voor gebouwen de 50 mille en hooger:
      a. Voor schetsteekeningen op niet grooter schaal dan 1 à 100, minstens ½% van de bouwsom;
      b. Voor volledige ontwerpen op de schaal van 1 à 100 of 1 à 200, 1% der bouwsom;
      c. Voor volledige ontwerpen als boven, met details en uitgewerkte begrooting 2% der bouwsom;
      d. Voor volledige ontwerpen als boven, met details, uitgewerkte begrooting en bestek, 2½% der bouwsom.
      Voor gebouwen, beneden 50 mille, behoort deze percentage naar gelang van de kleinere bouwsom aanmerkelijk verhoogd te worden, en wordt het bedrag van prijs en premiën door de deskundige opstellers van het programma vastgesteld.
      Art. 6. De Jury moet worden benoemd, voor de helft door de mededingers, voor de wederhelft door de prijsuitschrijvers.
      Deze Jury kiest nog een medelid.
      De twee samenstellers, sub 3 genoemd, zijn rechtens de Juryleden der prijsuitschrijvers.
      Art. 7. Alle leden van deze Jury ontvangen van de prijsuitschrijvers eene vooraf te bepalen restitutie van reis- en verblijfkosten benevens een honorarium. De samenstellers van het programma, benevens de rapportsteller der Jury, ontvangen het dubbele honorarium van een gewoon Jurylid.
      Art. 8. De naar den prijs dingende ontwerpen worden gedurende minstens acht dagen publiek tentoongesteld, en het rapport der Jury ter visie gelegd.
      Elk mededinger ontvangt, bij de terugzending van zijn ontwerp, een kopij van dat rapport.
      Art. 9. Het rapport moet eene met redenen omkleede beoordeeling bevatten van de naar den prijs dingende ontwerpen.
      De prijsuitschrijvers verbinden zich, wat de toekenning van prijzen en premiën aangaat, naar de uitspraak der Jury te handelen.
      Het met den prijs bekroonde ontwerp wordt het eigendom der prijsuitschrijvers; alle overige blijven het eigendom der inzenders.
      Art. 10. Ieder ontwerp, dat bij meerderheid van stemmen in strijd blijkt te zijn met de bepalingen van het programma, wordt van verdere mededinging uitgesloten. Meerdere dan de gevraagde teekeningen blijven buiten beoordeeling.
      Ontwerpen, ingekomen na den termijn van inzending, blijven buiten beoordeeling, behalve wanneer bewezen kan worden, dat de afzending geschied is vóór dien termijn.
      Art. 11. De uitspraak der Jury is onherroepelijk, geschiedt met meerderheid van stemmen, en wordt openbaar gemaakt vóór de tentoonstelling der ontwerpen.
      Elk mededinger, wiens werk beoordeeld is, is gehouden zich te onderwerpen aan de uitspraak der Jury.
      De prijsuitschrijvers waarborgen alle mogelijke verliezen van elk ingezonden ontwerp, tot het bedrag van den uitgeloofden prijs, voor zoolang deze ontwerpen in hun bezit zijn.
      Art. 12. De Juryleden mogen van geen mededingend antwoord vóór de beoordeeling kennis dragen, en verbinden zich, van de prijsuitschrijvers geene andere opdracht, hoe ook genaamd, betreffende het ontwerp van den wedstrijd te aanvaarden.
      Het bekroonde ontwerp mag, zonder goedkeuring van den vervaardiger, door geen ander worden uitgevoerd.
      In alle gevallen, waarin hierboven niet is voorzien, beslist de Jury bij meerderheid van stemmen.
      De heer Leliman bracht lof aan de Commissie, die de voorwaarden na rijp beraad had vastgesteld en in de eerste plaats aan haren Secretaris C. T. J. Louis Rieber om ten slotte de Vergadering in overweging te geven deze voorwaarden als proef of legger aan te nemen en ze later te veranderen, zoodra de ondervinding geleerd heeft welke leemten en gebreken daarin voorkomen.
      De ontwerp-voorwaarden werden aangenomen, nadat door de heeren Klinkhamer, Leliman, Cuypers, Van Malsen, Knuttel, Metzelaar en De Kruyff eene discussie gevoerd was over de wijze, waarop het Bestuur der Maatschappij invloed zal kunnen uitoefenen op het uitschrijven van prijsvragen. Het denkbeeld van den heer Klinkhamer, om het voorbeeld van buitenlandsche bladen te volgen en de medewerking op de uit te schrijven prijsvragen door middel van het Weekblad aan te bevelen of te ontraden, werd door de heeren Leliman en Knuttel gedeeld, terwijl de heeren Cuypers en Van Malsen het voor de redactie moeilijk vinden op alle prijsvragen te letten. De heer Metzelaar was


[191]


191


van meening, dat deze vaderlijke zorg te ver zou gaan, daar elk lid de vergelijking kan maken tusschen de voorwaarden der prijsuitschrijving met die, door de Maatschappij noodzakelijk geoordeeld.


      Aan de orde is de proeve eener Algemeene Bouwverordening voor Nederland, waaromtrent de heer N. Redeker Bisdom mededeelt, dat deze zaak in 1882 besproken en later aan de Voorzitters der verschillende afdeelingen opgedragen is. Het ontwerp, in het Weekblad opgenomen, is door den heer F. J. Nieuwenhuis geleverd en voor het oogenblik wenscht men zich te bepalen tot het bespreken der algemeene strekking.
      De heer Leliman vindt dat het industrieel, sanitair en rijks bouwkundig vraagstuk wel wat stiefmoederlijk is behandeld, evenals het landbouwkundige. Overigens brengt hij hulde aan de Commissie voor haar verdienstelijken arbeid.
      De heer Redeker Bisdom brengt de hulde terug op den heer Nieuwenhuis en meent, dat men de algemeene legger, want dit moet de verordening zijn, niet meer kan uitbreiden. Sommige onderwerpen kunnen slechts zeer ter loops worden aangeroerd, te meer daar het moeilijk is, voor alle streken des lands geldende bepalingen te treffen.
      Spreker acht het raadzaam – en zoo is ook de wensch van den heer Nieuwenhuis – dat de verordening alsnog door de Afdeelingsn in overweging zal worden genomen.
      Nadat de heer Metzelaar eenige opmerkingen heeft gemaakt over het onwenschelijke van vage bepalingen en het overlaten van beslissingen over afwijking der verordening aan de gemeentebesturen – welke opmerkingen werden bestreden door de heeren Redeker Bisdom en Cuypers, terwijl de heer Van Etteger met den heer Metzelaar medegaat, – werd de Commissie uitgenoodigd zich verder met de zaak bezig te houden.
      De heer Leliman bedankte den Voorzitter voor de aangename en onpartijdige leiding der vergadering en richtte een welwillend woord tot den secretaris, den penningmeester en de verdere leden van het Bestuur, de verschillende commissiën en de vertegenwoordigers der pers.
      Met eene betuiging van erkentelijkheid aan den voorgaanden spreker werd de bijeenkomst gesloten.
      De vergadering werd besloten met een gemeenschappelijken maaltijd in de benedenzaal van Natura Artis Magistra, waar een dertigtal leden aanzaten.