De Opmerker/Jaargang 8/Nummer 13/Gasleiding en gasverspilling

Gasleiding en gasverspilling
Auteur(s) J. Bleuland van Oordt
Datum Zaterdag 29 maart 1873
Titel Gasleiding en gasverspilling
Tijdschrift De Opmerker
Jg, nr, pg 8, 13, [1]
Brontaal Nederlands
Bron libserv.tudelft.nl
Auteursrecht Publiek domein
GASLEIDING EN GASVERSPILLING.


      Door de gascommissie te Nijmegen is onlangs een rapport uitgebracht over het eerste dienstjaar der gasfabriek aldaar en het is, naar aanleiding van de zeer uitvoerige mededeelingen daarin vervat, dat ik de aandacht wensch te vestigen op de vraag: Zijn aanmerkelijke gasverliezen zoo onvermijdelijk, als men die veelal schijnt te beschouwen?
      De Nijmeegsche commissie meldt in haar rapport, dat de hoofdleiding eene uitgestrektheid heeft van 13390 M. (waaronder 1055 M. getrokken buizen) en dat het gasverlies, gedurende 9 maanden, heeft bedragen 56,749 kub. Meter; zij voegt er de verklaring bij »welk verlies, in vergelijking met andere gemeente-gasfabrieken, zeer gering genoemd mag worden.”
      Elders zegt hij: »Tot dus verre hebben zich hoegenaamd geene lekken of andere gebreken aan het pijpennet voorgedaan, zoodat men mag aannemen, dat de leidingen en verbindingen niets te wenschen overlaten; vooral uit het kleine gasverlies kan men zulks afleiden.”
      Wanneer zulk eene leiding zooveel lof verdiende, dan zou het gebruik aan rijke gassen bijna onmogelijk zijn. Bij steenkolengas bedraagt het verlies te Nijmegen 16% van het verbruik; voor petromeumgas zou het onder gelijke omstandigheden 60% bedragen.
      Vóór dat ik het wagen mocht dit kostbare gas aan eene uitgestrekte leiding toe te vertrouwen, heb ik getracht een beter systeem van pijpverbinding te vinden en als zoodanig aangenomen het systeem Glalasse-Ketin (zie annonce in dit blad.)
      Hoewel ik al het mogelijke heb aangewend om alle vakgenooten daarmee bekend te maken, heeft buiten mij niemand de nieuwe verbinding op groote schaal toegepast.
      De grootste leiding bevindt zich te Hoogezand–Sappemeer, legegd in 1868, lang 10,000 M., waarvan 7000 M. 5 à 2 duims gegoten en 3000 M. (hoofdleiding) getrokken buizen.
      Het verlies bedraagt aldaar bij 13 M.M. drukking (volgens rapport de gemiddelde drukking te Nijmegen) 120 liters per uur, dus nog niet ten volle 3 kub. M. per dag tegen 206 kub. M. per dag te Nijmegen.
      De leiding te Nijmegen is 1/3 langer dan die te Hoogezand en voor dat 1/3 ook zwaarder van afmetingen. Men moet dus het verlies te Hoogezand voor gelijke lengte en afmeting iets grooter aannemen; maar al neemt men het daarvoor verdubbels, dus op 6 kub. M. per dag, dan blijft nog altijd eene noodelooze verspilling aangetoond van 70,000 kub. M. gas per jaar op eene betrekkelijk kleine leiding.
      Onbegrijpelijk is het mij, hoe men zoo getroost daarin berusten kan. Als een vat lekt dan legt men de handen niet in den schoot, omdat alle vaten min of meer daaraan onderhevig zijn of omdat buurmans vat nog sterker lekt.
      Er is inspanning toe noodig om gasverliezen te vinden, maar de zaak is die inspanning wel waard; er is toch in dit enkele geval sprake van een jaarlijksch verlies van ƒ 7000 aan gas, dat nu tot niets dient als tot bederf van de lucht, tot vernieling van alle houtgewas en tot een dreigend gevaar voor de inwoners der stad.
      Als er groot verlies is geconstateerd dan zijn er groote gebreken en als er groote gebreken zijn dan kunnen ze gevonden en hersteld worden.
      Dat te Nijmegen werkelijk groot verlies bestaat, dat niet, zoo als men gewoonlijk veronderstelt, voor een aanmerkelijk gedeelte op rekening van condensatie kan worden geschoven, blijkt vrij duidelijk uit de verhouding van verbruik tot verlies in de verschillende trimestres.
      Ik heb getracht aan te toonen, waarom ik verplicht was een beter systeem van pijpverbinding te zoeken, en hoe ik daarmede, in vergelijking met de officiëele cijfers van Nijmegen, ben geslaagd.
      Het antwoord op de hierboven gestelde vraag is niet twijfelachtig.
      Voorburg 26 Maart 1873.


J. BLEULAND VAN OORDT.