De Opmerker/Jaargang 9/Nummer 7/Bespiegelingen

Bespiegelingen
Auteur(s) Aaldert Willem van Erkel
Datum Zaterdag 14 februari 1874
Titel Bespiegelingen
Tijdschrift De Opmerker
Jg, nr, pg 9, 7, [1-2]
Opmerkingen Johan Rudolph Thorbecke vermeld als Thorbecke, Victor de Stuers als De Stuers
Brontaal Nederlands
Bron [1], [2]
Auteursrecht Publiek domein

[1]


[...]


BESPIEGELINGEN.


      Het zal den »lezer” niet ontgaan zijn, dat er op het gebied van kunst in den laatsten tijd eenige beweging is ontstaan, door middel van tijdschrift- en courant-artikelen.
      Eindelijk dan, verheffen zich stemmen uit het volk om er de aandacht op te vestigen, wat er van onze kunst in ’t algemeen is geworden. Eindelijk zeg ik, want de natie heeft, mijns inziens, schuld, omdat ze de kunst zoo weinig apprecieert en daarvoor meestal koud blijft en zwijgt, waarschijnlijk omdat daarvan niet direct coupons te knippen vallen.
      De dikwijls opgerakelde woorden van Thorbecke: »kunst is geen regeringszaak”, zijn een stokpaardje geworden voor allen die het onderwerp »kunst” aanroeren; doch naar mijn gevoelen ligt de grootste fout vooralsnog niet in hetgeen de Regeering verwaarloosde, maar wel in het volk zelf, dat tot hiertoe van zoo weinig gevoel voor kunst blijken gaf. Wanneer onze natie wat meer gevoel toonde voor ’t werkelijk schoone en daarvan blijken gaf, door nu en dan hare afkeurende stem te verheffen dáár waar zulks gepast was, zou voorzeker de Regeering niet achter kunnen blijven om datgene te verbeteren, wat zulks dringend eischte. Wanneer een volk op kunstgebied werkelijk voorwaarts wil, kan eene Regeering het niet tegenhouden.... Doch onze eeuw schijnt bestemd om in te dommelen en te teren op den roem dien onze voorvaderen behaalden.
      De heer De Stuers heeft een goed werk verricht door in het November-nommer van De Gids Holland »op zijn smalst” af te schilderen.
      Zal het baten?
      Zeer velen zijn natuurlijk van oordeel, dat ZEd. een waar woord gesproken heeft en overtuigd van den deerniswaardigen toestand, waarin onze musea zich bevinden; doch zal het einde niet zijn, dat bij al die overtuiging en ingenomenheid met dit Gids-artikel, alles bij het oude blijft?
      Kunst is geen regeringszaak, antwoordt mij mijnheer A. of B. om er zich af te maken, doch zonder zich bereid te toonen zelf een handje mee te helpen. Zoo gaat het. Maar moet die toestand zoo blijven voortduren en is er dan niets te doen om daarin verbetering te brengen? Ik geloof van wel. Zou het geen tijd worden, dat de natie zich eens met de zaak ging bemoeien, om ten slotte door samenwerking en inspanning tot stand te brengen wat de Regeering nalaat te doen?
      Zou het zoo ongepast zijn, dat het volk in de eerste plaats eens van zijne belangstelling blijk gaf en zich vereenigde, om stappen te doen bij de Regeering om op meerdere waardeering onzer kunst aan te dringen?
      Als Nederland na het medegedeelde door den heer De Stuers thans nog blijft zwijgen en berusten, dan voorzeker spreekt het zijn eigen vonnis uit.
      Vóór de uitgave van het November-nommer van De Gids, konden velen zich nog achter onbekendheid met den waren toestand verschuilen; maar nu allen zijn wakker geschud, is het plicht geworden onze stem te verheffen en naar verbetering te trachten.
      Doet Nederland dit niet, dan levert het daarmede het zwijgend bewijs, alle kunstgevoel verloren te hebben.
      Het besproken Gids-artikel gaf verschillenden dagbladen aanleiding daarop de aandacht te vestigen en »Het Vaderland” wijdde, onder het motto »een vloekzang”, daaraan verschillende nommers. Deze laatste maakten mij op het oorspronkelijke stuk opmerkzaam, daar ik De Gids niet geregeld lees. Het stuk getuigt van veel studie en onderzoek; hij die het nog niet gelezen heeft, zij het bij deze zeer aanbevolen.
      Behalve de verwaarloozing, die de kunst in onze slecht ingerigte musea ondervind, spreekt de heer De Stuers ook over de kunstwaarde der latere gebouwen, voornamelijk van de residentie, wie een alles behalve aangename beoordeeling te beurt vallen.
      Ik heb volstrekt niet de pen opgevat om de stichters dier gebouwen te verdedigen. Evenwel meende ik enkele opmerkingen te moeten mededeelen, die zich bij het lezen van het artikel bij mij voordeden.
      Zoo is er o. a. sprake van spiritische en perispritische denkbeelden, door gewezen genie-officieren in steen aanschouwelijk gemaakt. ’k Heb er vrede mede, doch mij dunkt, dat het afgezaagde thema over spiritisme met de kunst niets te maken heeft.
      De gewezen genie-officier mag met zijne gebouwen in Den Haag ongelukkig zijn geweest; hij verdient naar mijne meening evenwel niet, op architectonisch gebied belachelijk te worden gemaakt, omdat hij een zaak voorstaat, die bij de menigte een slecht onthaal vindt.
      Het spijt mij, dat die voormalige genie-officier, in wien overigens zulk een warm hart voor kunst klopte, niet gelukkig is geweest met zijne wetten in de residentie. Ik veronderstel, dat zijn streven, om het ijzer meer als materiaal voor de burgerlijke bouwkunst in te voeren en zijn trachten naar nieuwe vormen, daaraan veel schuld hebben. Er zijn misschien nog andere oorzaken, die daartoe hebben medegewerkt, doch zooveel is zeker, dat hij, om zijne studie en kennis van geschiedenis, op het gebied der schoone bouwkunst eene voorname plaats inneemt, al was hij in de verwezenlijking zijner denkbeelden volgens velen ook minder gelukkig. Ieder beoefenaar der bouwkunst, die den grijsaard kent, zal mij toegeven, dat hij nog een jong hart heeft voor kunst, getuige zijne voordrachten op de afdeelings-vergaderingen te ’s-Hage en op de laatste algemeene vergadering van de Maatschappij tot bevordering der Bouwkunst, te Amsterdam gehouden.
      Dat zijne leerlingen hem veel verschuldigd zijn, zal wel geen hunner ontkennen.
      De gebouwen, enz., door de gemeente ’s-Hage in den laatsten tijd opgericht, gaven den heer De S. ook ruimschoots aanleiding tot aanmerkingen. ’t Doet mij leed voor den architect, doch – en ik zeg dit zonder het als verschooning bij de beoordeeling der architectonische werken te willen aanmerken – er dient op gewezen te worden, dat de betrekking van gemeente-architect, vooral in eene stad als Den Haag, niet van de gemakkelijkste is. In den regel wordt van een dergelijk ambtenaar veel algemeene kennis vereischt; hij moet, al naar de gemeente waar hij dienst doet, meer of minder bekend zijn met waterbouwkunde, het aanleggen van wegen en plantsoenen, en een menigte andere zaken, welke buiten het eigenlijke kunstvak liggen.
      Een persoon te vinden die in al deze zaken eene specialist is, acht ik onmogelijk. Kiest men voor eene dusdanige betrekking een »architect” in den ruimsten zin van ’t woord, dan kan men niet vergen dat deze tevens uitmunte in het maken van rioleering-plannen of andere werken, buiten het gebied der kunst vallende.
      Bovendien heeft de gemeente-architect in ’t algemeen, en die te ’s-Hage in het bijzonder, zoozeer zijne handen vol met allerhande huishoudelijke gemeentezaken, dat het te verwonderen valt, als die lieden niet geheel en al ongeschikt worden tot het samenstellen van een belangrijk bouwkunstig ontwerp, waarbij inspanning en studie vereischt wordt. Gewoonlijk moeten zulke ontwerpen terloops met de andere zaken worden behandeld, of aan ondergeschikten worden overgelaten.
      Zoolang dus eene gemeente, de gemeentewerken niet scheidt en allerhande zaken van haren architect verlangt, vooronderstel ik, dat er steeds op ’t een of andere aanmerkingen zullen te maken zijn.
      In ieder geval vertrouw ik, dat eene gemeente beter gediend zal zijn van een man, die, behalve zijne bouwkundige kennis, een practische blik heeft voor andere zaken, dan van een artist, die zich uitsluitend op ’t gebied der schoone bouwkunst beweegt. Heeft eene dusdanige gemeente kunstwerken te stichten en kan zij daarvoor geen speciaal persoon vast aanstellen, dan neme zij daarvoor een bekwaam particulier architect, of schrijve prijsvragen uit.
      Eerst bij eene betere regeling te dien opzichte, verwacht ik verbetering; gaan evenwel de gemeentebesturen niet met den tijd mede en blijft alles op de oude leest geschoeid, dan voorzie ik dat aanmerkingen, als die van den heer De Stuers, nog dikwijls kunnen worden gehoord.


      Behalve het artikel van den heer De Stuers, leverde voor eenige weken de Arnhemsche Courant en het Utrechtsche volksblad enkele beschouwingen op het gebied van architectuur.
      De Arnhemsche Courant besprak het stichten van nieuwe Academie-gebouwen te Leiden en het Volksblad behandelde de hedendaagscge huizenbouw in afkeurenden zin en bepaalde zich voornamelijk tot de stad Utrecht.
      Naar aanleiding van dit laatste artikel, vind ik het een verblijdend teeken, dat »men” eindelijk eens inziet, dat de hedendaagsche huizenfabricage, op enkele uitzonderingen na, beneden het peil van middelmatigheid staat.
      In vele steden van ons land, en voornamelijk in Amsterdam, Arnhem, Rotterdam en Utrecht, wordt in den laatsten tijd veel gebouwd en uitgebreid. Verreweg de meeste van die huizen hebben hun ontstaan te danken aan speculatiegeest De plans worden meestal door een timmerman- of metselaar-ondernemer gemaakt of, men zoekt voor een koopje een élève bouwkundige op, die de plans ontwerpt, om ze daarna in eigen beheer uit te voeren. Dat bij dergelijke speculatiën goedkoopte op den voorgrond staat behoeft nauwlijks te worden aangemerkt. Wat de soliditeit betreft, begeeft men zich zeldzaam boven het maximum, dat de bouwpolitie daaromtrent voorschrijft. Van kunst of nieuwe denkbeelden is geen sprake; de metselaar verstaat zich hoogstens met een terra-cottafabrikant, om zijne anders


[2]


zoo kale raam- en deuropeningen in den gevel wat op te sieren. De soort van versierselen, die daartoe wordt gebezigd, heeft meestal reeds voor andere doeleinden dienst gedaan, doch dit doet niets ter zake, want het is hier slechts om ’t opknappen te doen. Men wil goedmaken wat door gebrek aan proportie en flinke lijnen te kort schiet.
      Inwendig vervolgt men op dezelfde wijze. Een nette schoorsteenmantel, een keurig behangsel en vooral plafond versiering, door middel van midden- en hoekstukken, moeten huurders of koopers een aangenamen indruk geven.
      Wanneer men vele dergelijke huizen bezichtigt, dan komt men tot de conclusie, dat daaronder eene eigenaardig overeenkomst heerscht. Ze geven als ’t ware den indruk alsof ze door één en denzelfden koekbakker-decorateur zijn versierd. Men ziet tusschenbeide al zeer treffende gelijkenissen.
      Onlangs vernam ik als eene curiositeit, dat in zekere stad van ons land, bij de verschillende stukadoors te zamen, over een tiental middenstukken voor plafonds te beschikken viel, waarvan zij de vormen waarschijnlijk uit Brussel hebben ontboden. Ieder middenstuk bestaat natuurlijk uit verschillende detailstukken, en door verwisseling onderling, gerekt of ingedrongen plaatsing, werd dáár ter plaatse aan de menigvuldige aanvragen voldaan en iedere speculatie-man tevreden gesteld. Arme bouwtrant! Doch die lieden weten niet beter en, wat het ergst is: »publiek” slikt dit alles en is er mee tevreden niet alleen, maar vindt zelfs datgene nog mooi, wat werkelijk den toets der critiek niet kan doorstaan.
      Zoo levert Arnhem, wat de speculatiebouw betreft, ook treurige voorbeelden. Dáár zijn in den laatsten tijd honderden huizen verrezen, geheele singels volgebouwd, het stationsplein zelfs tot een minimum van grootte teruggebracht om bouwgrond te verkrijgen. En wat hebben wij in ’t algemeen te aanschouwen gekregen?
      Geeft het bezichtigen van die weinig afwisselende gevels den indruk van individueele opvatting? Heeft men der kunst, al ware het dan ook slechts op eenvoudige wijze, hulde gebracht?
      Niets van dat alles!
      »Publiek” stoort zich echter daaraan niet, spreekt nu en dan zijne verbazing uit over de mooie huizen te Arnhem en koopt zelfs die perceelen gretig.
      Is zulk een kooper nu zeker, dat hij soliede waar voor zijn geld bekomen heeft, afgescheiden er van, dat zijne bezitting veelal geene de minste aanspraak maakt op artistieke uitvoering?
      En toch maken te Arnhem speculant-manufacturiers, steenbakkers, timmerlieden en metselaars de beste zaken, terwijl de architecten nagenoeg bij uitzondering met woonhuizen worden belast.
      Doch nog erger. Velen klagen – weinigen echter in ’t openbaar – over het weinig artistieke, of liever smakelooze, onzer hedendaagsche woonhuizen en met recht.
      Doch een onrecht is het, dat men dit steeds den »architect” verwijt, daar deze juist het minste aandeel heeft in den tegenwoordigen huizenbouw.
      »Publiek” is echter niet wijzer, en dit bedroeft mij. In »publieks” oogen is hij die bouwt »architect”; daarenboven let men meer op geld dan op kunst, hoewel het laatste te verkrijgen is met weinig meer, ja soms zonder, opoffering van het eerste.
      Het is niet te ontkennen, dat de kunst op ’t gebied van architectuur bij ons te lande hooger gestaan heeft dan thans; doch even stellig is het, dat er in de laatste 15 jaren een streven naar vooruitgang is te bespeuren, hetwelk door den een meer, door den ander minder gelukkig tot werkelijkheid is gebracht.
      Werd de architect van studie, bij de tegenwoordige beweging op bouwkundig gebied, maar uitsluitend geraadpleegd en met werken belast, zoo zou ongetwijfeld de kunst ook daarbij gebaat worden en tusschen de architecten onderling zou een strijd ontstaan om wat goeds te leveren. Zooals echter thans de zaken staan, beschouw ik dit als onmogelijk, want de tegenwoordige speculatie-bouw geeft als ’t ware de markt aan van een artikel, waaraan de degelijke architect zich niet wenscht te wagen.
      Wordt een architect van studie tegenwoordig met het ontwerp van een of ander woonhuis belast, dan komt hij al dadelijk in zeer onaangename aanraking met het meer materieele, de bouwsom, die men voor een dergelijk werk bestemd heeft.
      Dat er uitzonderingen zijn op dit beweren, bevestigt slechts den regel en ik juich dan ook zeer gaarne die uitzonderingen toe.
      Wordt de architect derhalve met den bouw van een of ander woonhuis belast, dan is hij, door de bepaalde bouwsom, veelal verplicht, de meest mogelijke zuinigheid en eenvoud in acht te nemen. Soliditeit staat op den voorgrond en door deze inzichten valt zijn werk niet altijd in den geest van zijn lastgever, die gedacht had een »mooi” huis te zullen krijgen.
      Maar, geachte lasthever of bouwheer! kan het schoone dan niet gevonden worden, ook in eenvoud? Of bestat nu »mooi” in veel versieringen (?), bonte kleuren, beaucoup de cris et peu de besogne, en dergelijke?
      Het doet mij leed dat, in veel gevallen, te moeten gelooven.
      Want anders toch, zou »men” keuriger zijn in de keuze hunner woningen, die toch een groot deel moeten bijdragen tot veraangenaming van het leven.
      Utrecht, Januari 1874.


A. W. van Erkel.