De Tijd/Nummer 10538/Een vergeten Plekje in Nederland

Een vergeten Plekje in Nederland
Auteur(s) V.
Datum Maandag 6 maart 1882
Titel Een vergeten Plekje in Nederland
Krant De Tijd
Editie, pg [Dag, 1]
Opmerkingen Joannes Knippenbergh vermeld als Knippenbergh, Michaël Willemsen als A.H. Willemsen
Brontaal Nederlands
Bron kranten.delpher.nl
Auteursrecht Publiek domein

Een vergeten Plekje in Nederland.

      Het volk, dat zijn groote mannen niet waardeert en de herinneringen van een glorierijk verleden niet in eere houdt, is zijn zelfstandige bestaan niet meer waardig, heeft men wel eens gezegd.
      Met eenige verandering is deze uitspraak ook van toepassing op de Katholieken in betrekking tot hunne groote mannen, hunne heiligen en hunne monumenten of kerkelijke oudheden binen de grenzen van het vaderland.
      Gelukkig, dat de Nederlandsche Katholieken ook onder dit opzicht geen vergelijking met vreemde natiën behoeven te duchten! De godsvrucht voelde zich meer en meer getrokken tot de plaatsen, die door het leven en den dood onzer nederlandsche martelaren en belijders zijn geheiligd, terwijl de verlevendigde kunstzin zich verbond met de teedere devotie, om de aloude gedenkteekenen van het geloof onzer voorvaderen en al wat er nog overbleef uit den alouden christelijken en katholieken voortijd zooveel mogelijk in zijn vroegeren luister te herstellen.
      Toch zijn er nog monumenten, die vergeten bleven, en met één daarvan willen wij onze lezers heden in kennis brengen.


      Wanneer men van Roermond uitgaande, de fraaie Kapellerlaan is doorgereden of doorgewandeld en dan den weg inslaat naar Heinsberg, bespeurt men zeer spoedig aan de rechterhand een dorp op een vrij hoogen heuvel. ’t Dorp zelf, St. Odiliënberg genaamd, levert niet veel bijzonders; de kerk echter, met hetgeen er onmiddellijk om en bij ligt, des te meer. Zoo spoedig men den toren in het oog krijgt, bespeurt men reeds, dat het geen gewone dorpskerk is, die men te zien zal krijgen.
      En dat is het ook inderdaad niet!
      De tegenwoordige Romaansche parochiekerk van St. Odiliënberg is een der alleroudste stiftskerken van Nederland, die reeds uit de Xe eeuw dagteekent en als kunstgewrocht, vervallen en verminkt gelijk zij thans is, nog slechts een schaduw van vroegere grootheid en een deel maar der grootere vroegere kerk, alle recht bezit op de belangstelling van iederen kunstkenner en historicus.
      Maar er is meer! De plek, waarop zij staat, de heuvel met de nederige dorpswoningen, zijn door den Christen gewijde grond, een grond, die door het langdurige verblijf van Heiligen en door tallooze vromen werken en door daden van boetedoening eerbiedwaardig is.
      St Odiliënberg of, gelijk het vroeger heette, de St Petrusberg, was een der eerste brandpunten van het Christendom in Nederland.
      Toen de H.H. Bisschoppen Wiro en Plechelmus met hun diaken Otgerus uit Engeland en Schotland in deze streken overkwamen, om het H. Evangelie te prediken, en van den hofmeier Pipijn van Austrasië den St-Petrusberg in eigendom ontvingen, bestond reeds dáár een klooster met kerk, welke aan O. L. V. gewijd was. Wij herinneren, dat dit geschiedde in het begin der VIIIe eeuw, volgens de overlevering in 706. Ook van deze alleroudste romaansche kerk, die niet ver van de tegenwoordige gelegen was, zijn nog aanzienlijke overblijfselen bewaard gebleven. ’t Is in het koor dezer vroegere kerk, dat de drie genoemde Heiligen, welke jarenlang in de zuidelijke deelen van Nederland het H. Evangelie verkondigd hebben, na hun zalig afsterven begraven werden. Niet ver van de oude bouwden zij of hunne volgelingen een nieuwe kerk, op de plaats der tegenwoordige parochiekerk, en een klooster ter eere van den H. Petrus; welk gebouw – een zeldzaamheid in die dagen – van steen was opgetrokken. (1)
      De roem onzer heiligen en van hunne stichting verbreidde zich meer en meer. Jaarlijks, leert ons de geschiedenis, kwam Pipijn in de vasten barrevoets naar den St. Petrusberg, om eerst aan Wiro en na diens dood aan Plechelmus zijn zonden te belijden. De Petrusberg bleef eeuwenlang een der middelpunten van Christendom en beschaving; ja het aanzien der abdij was na bijna twee honderd jaren zóó zeer toegenomen, dat wij in een deelingsverdrag tusschen de kleinzonen van Karel den Groote in 870 de abdij van Berg afzonderlijk vermeld vinden. Maar niet slechts voor Limburg en voor Zuid-Nederland, ook voor de kerkelijke geschiedenis van Noord-Nederland is St. Odiliënberg een der merkwaardigste plaatsen van geheel ons vaderland.
      Het was in 858. De Noormannen hadden op een hunner gevreesde rooftochten zich meester gemaakt van Utrecht, een deel der geestelijkheid om het leven gebracht en de kathedrale kerk van St Maarten geheel in asch gelegd. In dezen hoogen nood wendde de bisschop Hungerus zich tot keizer Lotharius II met een bede om hulp, waarop deze hem en het bisdom van Utrecht volgens het Oorkondenboek van Gelre en Zutfen afstond „het ter eere van S. Petrus gebouwde klooster, Berg geheeten, om ten allen tijde tot troost en veiligheid van de bisschoppen en van hun kapittel te dienen.”
      De Bisschop van Utrecht met geheel zijn kapittel, zijn stiftsscholen en al wat verder aan zijn geestelijke hofhouding verbonden wwas, betrok daarop de kloostergebouwen van St Odiliënberg. ’t Valt daaruit af te leiden, dat deze hoogst aanzienlijk moeten geweest zijn. Nadere onderzoekingen, waarover straks nader, kunnen daaromtrent nog veel merkwaardigs aan het licht brengen! Hoe lang de Utrechtsche Bisschoppen te St Odiliënberg verbleven hebben, is niet bekend; maar wel weet men, dat de kerk van St Odiliënberg en het dáár gevestigd kapittel, als lid der Utrechtsche Kerk nog honderden jaren bestaan bleef, en dat deze band eerst in 1561 bij de oprichting van het Bisdom Roermond verbroken werd.


      Wij springen verscheidene eeuwen over. Het klooster en zijn bewoners bleven hoog in aanzien, maar do binnenlandsche oorlogen en beroeringen gunden hun geen rust. Brandstichtingen en beroovingen waren aan de orde van den dag. Het leven en de bezittingen der bewoners van St. Odiliënberg was in voortdurend gevaar. Vandaar dat de kanunnikken, ten einde raad, in 1360 het verzoek richtten aan den Bisschop van Luik, om hun kapittel naar Roermond te mogen overbrengen. In den loop van het volgend jaar werd dit verzoek toegestaan. De vroegere kloostergebouwen, voor zoover deze niet reeds verwoest waren, werden verlaten, terwijl alleen een rector tot het waarnemen der heilige diensten bij de eerbiedwaardige Petruskerk achterbleef. Intusschen bleek de overbrenging van het kapittel naar Roermond voor de kerkelijke geschiedenis van ons land een feit van het allerhoogste gewicht, „’t Was,” zooals de geleerde Knippenbergh aanmerkt, „de aanleiding, dat in 1559 bij de oprichting van nieuwe bisschopszetels in Nederland, de keuze gevestigd werd op Roermond.”
      Na jaren van grootheid en roem was voor St-Odiliënberg een tijdvak aangebroken van vernedering. Wel herleefde zijn glorie eenigszins, toen in 1467 de reguliere kanunnikken van het H. Graf daar een klooster bouwden en er het middelpunt vestigden hunner Orde; doch weldra kwam de revolutiestorm der XVIe eeuw, die blakerend en moordend ook over deze streken heen trok en geen geestelijke stichting spaarde, hoe eerbiedwaardig ook door ouderdom en traditiën. Het klooster werd verlaten en verwoest; ook de kerk viel gedeeltelijk in puin. Het instorten van een der torens in de XVIe eeuw had ten gevolge, dat de daarbij gelegen kapel, kruisarm en zijbeuk geheel vernield werden; de koorbeuk, die de twee torens verbond, brak door midden, zoodat spoedig van de geheele kerk niets meer zou overgebleven zijn.
      In dezen uitersten nood kwam de Bisschop van Roermond te hulp en deed een beroep op de weldadigheid der geloovigen. Wegens de benarde tijdsomstandigheden echter konden de gaven niet ruim toevloeien. Om het nog overgeblevene te sparen, moesten de ingevallen gedeelten worden afgebroken; verscheidene bogen van kruisarmen en zijbeuken werden dichtgemetseld; een gedeelte van den noordelijken kruisarm met de daaraan schietende zijbeuk werden ingericht als pastorie. Met dit al was het voornaamste gered! Den 16n Mei 1686 werd de dus „herstelde” stiftskerk opnieuw plechtig gewijd en onder bescherming gesteld van de HH, Wiro, Plechelmus en Otgerus.


      Er bestaat uitzicht, dat voor St Odiliënberg weder betere dagen zijn aangebroken. Sedert eenige jaren heeft het ’t voorrecht in den Zeer-Eerw. heer A. H. Willemsen een pastoor te bezitten, wiens hart blaakt van ijver voor de christelijke kunst en de kerkelijke historie van Limburg, en die reeds vroeger als kapelaan van St Servatius te Maastricht een welverdienden roem als oudheidkundige verworven had. ’t Is uit zijn belangrijke publicatiën, dat wij alle bovenstaande bijzonderheden geput en hier en daar zelfs met zijn eigen woorden hebben teruggegeven, een plagiaat dat hij, naar wij hopen, ons welwillend vergeven zal. Reeds vele belangrijke opgravingen en onderzoekingen, om tot zekerheid te komen aangaande den oorspronkelijken omvang der kerk en de ligging van vroegere merkwaardige gebouwen, werden door den Zeer-Eerw. Pastoor bewerkstelligd en hebben reeds tot belangrijke resultaten geleid, terwijl ook merkwaardige oudheden aan het licht werden gebracht. Ook nog om andere redenen moet een verbouwing — hetgeen in dit geval natuurlijk wil zeggen een restauratie — wenschelijk schijnen. In den loop dezer eeuw is de bevolking der gemeente St. Odiliënberg aanzienlijk toegenomen, zoodat de geloovigen nauwelijks meer in de kerk, na al hetgeen daarvan gesloopt en vernield werd, kunnen plaats vinden. Reeds hebben Provinciale Staten een vrij aanzienlijke subsidie toegezegd; van harte wenschen wij, dat ook elders voor den ijverigen herder en oudheidkundige ruime bronnen mogen geopend worden, opdat het hem gegeven zij, een onzer oudste en onder opzicht van kunst en historie merkwaardigste heiligdommen weder iv zijn vroegeren luister te doen verrijzen!

V.


      (1) Dat St-Odiliënberg reeds in vóór-christelijke tijden is bewoond geweest, bewijzen de vele romeinsche pannen, die in het muurwerk der tegenwoordige kerk zijn ingemetseld.