De Zeeuw/Jaargang 34/Nummer 266/Stijl

Stijl
Auteur(s) Anoniem
Datum Vrijdag 4 juni 1920
Titel Stijl
Krant De Zeeuw
Jg, nr 34, 266
Editie, pg [Dag], Eerste blad, [1]
Brontaal Nederlands
Bron zoeken.krantenbankzeeland.nl
Auteursrecht Publiek domein

Stijl.


      „Leeken” in ’t vak hebben vaak afgevraagd wat toch wel cubisme en futurisme en dudaisme in de Kunst mag beteekenen?
      Velen hebben getracht het hun uit te leggen, doch veel wijzer zijn ze er niet van geworden. Zij willen wel niet zeggen met een onzer oude letterkundigen: stijl is de kunst om elkaar knollen voor citroenen te verkoopen. Maar zij krijgen bij het lezen van een cubistisch vers of het zien van een futuristisch schilderij toch wel een gevoel of hun voor de citroenen die zij vroegen, knollen in de hand worden gestopt.
      Of wat dunkt de lezer van onderstaand aan het Mei-nummer van „De Stijl” ontleende „cubistisch” gedicht door I. K. Bonset, dat X-beelden heet en luid als volgt:
      ’k word doordrongen van de kamer waar de tram doorglijdt
                        ik heb ’n pet op
      orgelklanken
      van buitendoormijheen
      vallen achter mij kapot
                        kleine scherven
                        BLIK BLIK BLIK
                        en glas
      kleine zwarte fietsers
      glijden en verdwijnen in mijn beeltenis
                                    + LICHTn
      de ritsigzieke trilkruin van den boom
      versnippert het buitenmij
      tot bontgekleurde stof
      de zwartewitte waterpalen
                        4 × HORIZONTAAL
      ontelbare verticale palen
      en ook de hooge
      gekromde blauwe
                        RUIMTE
                        BEN IK
      Zijn ze er nu achter?
      Een werkman in zijn roode taal noemde het snert-poëzie!