De Zegen Gods door Waterloo

Zesde drukEerste druk
Amsterdam: G.L. Funke, 1879.Amsterdam: R.C. Meyer, 1865.
[ Titel ]
 

De Zegen Gods door Waterloo.

 
[ 141 ]Ik ben een eenvoudig burgerman (P.G.) die ’t goed meent met Thorbecke, Koning, burgemeester, vaderland, godsdienst en verdere gekonstitueerde aanbiddenswaardigheden. Ik dank den Heere dagelyks voor al de verlossingen, die wy herhaaldelyk hebben moeten ondergaan, of nog zullen ondergaan; en als oprecht vaderlander houd ik my overtuigd, dat (zonder de overwinning by Waterloo, waar Prins Willem de Groote van Oranje, met Godes hulp, ondanks zyn prille jeugd — ik bedoele: des prinsen prille jeugd — waar die prins, zegge ik, dien geweldenaar overwon) ik houde my overtuigd, zegge ik, dat, zonder die overwinning, ons dierbaar vaderland nog altyd zou behoord hebben tot eene groote natie; en dat ieder Nederlander (alsdan geen Nederlander zoudende geweest zyn) zich even ongelukkig zou gevoeld hebben, als thans de bewoners van het graafschap Zutphen, van Friesland, van ’t bisdom Utrecht, van ’t land van Kuyk, van Kuilenburg, van Ameland, van Provence, van Bretange, van Champagne, van Normandie, en verdere dergelyke verweesde onderdanen meer, die door annexatie, agglomeratie, fuzie en arrondisseering, beroofd zyn van ’t genot der aanschouwing en [ 142 ]alimentatie hunner vroegere privatieve hertogen, graven, potestaten, bisschoppen, baronnen en verdere gealimenteerden.

Ik geloove vastelyk dat wy, zonder de groote overwinning (die prins Willem de Groote van Oranje, met Gods hulp, behaald heeft op den Overweldiger, te Waterloo) dat wy, zonder die groote overwinning, tot heden toe zouden verstoken zyn gebleven van een behoorlyk wetboek, van de instelling des Burgerlykenstands; en dergelyke heilzame instellingen meer, die nu (met Gods hulp) alleen te danken zyn aan het dierbaar vorstenhuis van Oranje. Tevens geloove ik dat wy, zonder de verlossing van het Fransche juk, thans ons niet zouden kunnen verheugen in een zoo billyk belastingstelsel, en in een zoo gemakkelyk te dragen Nationale Schuld, als wy thans (met Gods hulp) de zegen hebben te bezitten. Zelfs geloof ik, dat de geweldenaar (wanneer hy niet — met Gods hulp — ware verslagen geworden door Prins Willem den Groote van Oranje) dat die geweldenaar hier de konskriptie en de ronde hoeden zou hebben ingevoerd: plagen en gruwelen waarvan wy alsnu (door gezegde groote Overwinning by Waterloo) met Gods hulp zyn bevryd gebleven. Ook hadden wy nooit de Kaap de Goede hoop teruggekregen, noch Demerary, noch Essequebo, noch Berbice, noch St. Eustatius, noch Malakka, noch Ceylon, als prins Willem van Oranje, de Groote, den Overweldiger niet had verslagen (met Gods hulp) te Waterloo.

Bovendien, ik geloove dat zonder die overwinning, (ik bedoele de groote overwinning van prins Willem den Groote, met Gods hulp, by Waterloo) ik geloove, zegge ik, dat zonder die overwinning, misschien hier-en-daar in de Kolonien gruwelen zouden gepleegd zyn, en dat de aanleggers en medeschuldigen zouden zyn beloond en geëerd, terwyl men (indien niet, met Gods hulp, prins Willem de Groote van Oranje den overweldiger had verslagen, te Waterloo) terwyl men dan, zegge ik, misschien hen [ 143 ]die zich zouden verzet hebben tegen die gruwelen, zou hebben gesmaad en mishandeld.

Wyders geloove ik vastelijk, dat, als niet de Heer ons genadiglyk hadde beschermd (door het verleenen van de groote overwinning by Waterloo, waar de gruwelyke Overweldiger werd overwonnen door den grooten Prins Willem van Oranje) dat alsdan, zegge ik, in ons vaderland onbeduidende lieden zich zouden meester hebben gemaakt van het gezag, en dat misschien, nu-en-dan, iemand die geene andere verdiensten had dan onaanstootelyke middelmatigheid, zou belast geworden zyn met de belangrykste betrekkingen in den Staat; terwyl thans (nu die overweldiger verslagen is door Prins Willem van Oranje) alleen ware verdiensten worden erkend, en niemand toegelaten wordt tot de raadzalen des Konings, dan de personen die, met Gods hulp, staatkunstige levensgangen hebben beschreven, of die blyk gaven van byzondere bruikbaarheid, door de snelheid waarmede zy wisten ryk te worden op Java, met Gods hulp.

Tevens geloove ik, dat ons dierbaar vaderland (als niet by Waterloo, met Gods hulp, de Prins van Oranje — ik bedoel prins Willem van Oranje de groote — als niet die prins, zegge ik, den Overweldiger had verslagen, met Gods hulp) dat alsdan misschien gezegd vaderland zou gebukt hebben gegaan onder een zedebedervenden stortvloed van allerlei gelooven; terwyl we nu te danken hebben aan die heilryke overwinning by Waterloo (waar Prins Willem van Oranje de groote den Overweldiger versloeg, met Gods hulp) terwyl wy nu, zegge ik, aan die groote overwinning te danken hebben, dat alle nederlandsche Christenen en Joden gelooven op eenerlei manier.

Het is vervolgens myn vaste overtuiging, dat wy, zonder die groote overwinning waarvan ik gesproken heb (namelyk de overwinning by Waterloo, waar prins Willem van Oranje de [ 144 ]groote, met Gods hulp, den overweldiger heeft verslagen) dat wy, herzegge ik, dan misschien waren overgeleverd geworden aan een souverein die zich bemoeid had met den toestand des volks; terwyl we alsnu (door de groote overwinning die prins Willem van Oranje de groote behaalde, met Gods hulp, op den overweldiger te Waterloo) bewaard zyn gebleven voor zulke schandelyke inmenging, door een grondwet die den Koning de hooge roeping oplegt, zich met niets te bemoeien, en die ’t handhaven van de rechten en belangen der natie opdraagt aan een zeventigtal zeer fatsoenlyke menschen, wier namen grootendeels anders nooit zouden genoemd zyn, en die nu (dank zy der groote overwinning die de Heer behaalde te Waterloo — ik bedoel, de overwinning die de Heer dééd behalen door prins Willem den groote, van Oranje — op den afschuwelyken overweldiger, te Waterloo) die nu, zegge ik, in de gelegenheid zyn, lange redevoeringen te houden, en zich voortedoen als mannen van gewicht; onverminderd de mogelykheid om door hun invloed de leden van zeventig fatsoenlyke familien hier-en-daar behoorlyk te plaatsen.

Ook geloove ik, dat in ons dierbaar vaderland (als niet de Overweldiger ware overwonnen geworden door Prins Willem, by Waterloo, met Gods hulp), ik geloove zegge ik, dat er alsdan in ons vaderland vele armen zouden gevonden worden (wat nu, met Gods hulp, niet het geval is) en dat er geen behoorlyke voeding zou te verkrijgen zyn voor matigen of zelfs bovenmatigen arbeid (wat nu wel het geval is, met Gods hulp) alle welke zegeningen ons niet zouden zyn ten-deel gevallen, indien niet Prins Willem de groote van Oranje (van wien ik reeds gesproken heb) den Overweldiger met Gods hulp (ik bedoel: indien gezegde Prins dien Overweldiger niet had overwonnen met Gods hulp) te Waterloo.

Wyders houde ik my overtuigd, dat in ons dierbaar Vaderland, als niet de Heer den gruwelyken Overweldiger had laten [ 145 ]overwinnen…ik meen, als Hy dien Overweldiger niet had doen overwinnen…ik bedoelde, als niet de Heer had besteld dat die gruwelyke Overweldiger zou overwonnen geworden zyn (door den grooten Prins Willem van Oranje, te Waterloo, in prille jeugd) dat alsdan, herhale ik, in ons dierbaar Vaderland zou ontstaan zyn een allerverderfelykste geldregeering, die ’t volk zou hebben uitgezogen in de gedaante van krediet-vereenigingen, maatschappyen, banken, associatien, kompagnien, societeiten en allerlei doorgravende genootschappen; en dat thans (omdat de Heer den prillen Prins van Oranje heeft laten overwinnen — ik bedoel omdat de Heer den Overweldiger heeft laten overwinnen dóór dien Prins — by Waterloo) dat thans, zegge ik, alleen soliede ondernemingen worden aangemoedigd en beschermd, zoodat slechts weinige afzetteryen niet limited zyn, en het volk door de ruime gelegenheid om vaderlandsche bankiers en zaakopzetters te verryken, bewaard blyft voor de verzoeking om z’n geld te steken in buitenlandsche zwendelary.

En ook mag ik niet voorbyzien, hoe onze nederlandsche taal- en letterkunde, door Gods hulp, een ruim deel heeft erlangd in de Zegeningen, die de Heer (door ’t schenken van de Overwinning, te Waterloo, aan Prins Willem van Oranje den Groote) hoe die taal- en letterkunde heeft gedeeld, zegge ik, in den Zegen die de Heer (door die Overwinning) over ons dierbaar Vaderland heeft uitgegoten. Indien toch de Overweldiger niet ware overwonnen geworden door den Prins van Oranje [1] zouden wy misschien vervallen zyn in allerlei gruwel van slechte spelling, en — wat meer zegt — wy zouden misschien doktoren en professoren bezitten in de letteren (ik meen, dat wy professoren en doktoren in de letteren zouden bezitten) [ 146 ]die zich zouden toeleggen op ’t voortbrengen van ydele meesterstukken, in-stee van zich te wyden aan ’t opleiden hunner kweekelingen tot doktoren en professoren, opdat deze later op hun beurt weer in-staat zouden wezen tot het africhten hùnner kweekelingen op de kunst om zich te onthouden van zulke verderfelyke meesterstukken. Ook zoude thans het nederlandsche volk hoogstwaarschynlyk een valschen eeuwgeest hebben aangebeden, en knielend dien afgod hebben geëerd door ’t schryven van: aaltolletje, terwyl wy nu, dank zy der diepzinnige en gewichtige nasporingen van de heeren de Vries en te Winkel, onze knieën gestrekt mogen houden, en (onder opzien tot de Bron van alle ware taalkunde) vertrouwend en geloovig den Heere dienen met een rechtscholig: A-al-tolletje, zooals den volke openlyk verkondigd is in ’t nieuw Evangelie voor de spelling van de nederlandsche taal, op pagina 29. Ik bedoele kolom 29.

Maar, bovenal verheuge ik my, en danke ik den Heere (in dien het overigens geoorloofd zy, maat en regel te brengen in verheugenis en dank waar ’t de weldaden des Heeren geldt, daar elke verheugenis en elke dank gelykelyk oneindig behoort te wezen) maar bovenal dan zou ik my willen verheugen óver, en danke ik den Heer vóór de lieftalligheden der beschaving, die ’t gevolg zyn van de overwinning te Waterloo, met Gods hulp, op den Overweldiger behaald door Prins Willem den Groote van Oranje.

Want als die overweldiger niet, met Gods hulp, ware overwonnen geworden door Prins Willem van Oranje, den groote, te Waterloo, dan zou allicht het Nederlandsche volk ruw, laag en gemeen zyn geworden door aanraking met de Fransche overheerschers (die nu echter door Prins Willem den Groote zyn overwonnen, te Waterloo) dan zou, zegge ik, dat volk, na vyftig jaren onderdrukking, zedeloos zyn geworden, en vuile liedjes hebben gezongen op de straten; terwyl nu datzelfde volk (na [ 147 ]de overwinning, met Gods hulp, by Waterloo) vrome liederen zingt, en gezangen die den fijnsten kunstsmaak streelen, en ’t vaderlandsch hart aangenaam prikkelend opwekken tot godgevallig meegejubel.

O, indien niet Prins Willem de groote, met Gods hulp, den Overweldiger had verslagen, te Waterloo, dan zou thans het Nederlandsche volk, in stede van eerebogen opterichten (zooals met Gods hulp thans geschiedt) rondgaan met blikken bussen om centen aftepersen van de voorbygangers, die dan dienen moeten (ik bedoel dat die centen dan zouden moeten dienen) om jenever te koopen, waarmede zylieden (ik bedoel niet de voorbygangers, maar de lieden die zouden rondgegaan zyn tot afpersing van centen, indien niet Prins Willem de Groote den overweldiger had verslagen, by Waterloo) om den jenever te koopen, zegge ik, waarmede zy zich zouden hebben bedwelmd, om een oogenblik de ellende te vergeten, waaraan zy zouden zyn overgeleverd, indien niet, by Waterloo, Prins Willem de Groote, van Oranje, den Overweldiger verslagen had, met Gods hulp.

Nergens ook zal men ontwaren, dat iemand gemolesteerd wordt, om ’t niet dragen van leuzen, strikken, kokarden of wat dies meer zy; gelyk voorzeker ’t geval zou geweest zyn, als de Overweldiger niet ware verwonnen geworden (met Gods hulp) door Prins Willem den Groote van Oranje, by Waterloo.

Dit alzoo is de strekking van myn schryven, dat ik myn zeer geachte landgenooten wenschte optewekken tot rechtmatige dankbaarheid aan den Heer, die door het schenken van de overwinning te Waterloo (waar de overweldiger werd verslagen door Prins Willem Van Oranje, den Groote) dankbaarheid aan den Heer, zegge ik, die door het schenken van de Overwinning, te Waterloo, ons volk heeft bewaard voor de liederlykheid, waartoe het [ 148 ]onmisbaar zou vervallen zyn, als niet Prins Willem de Groote den Overweldiger had verslagen te Waterloo; optewekken tot rechtmatige dankbaarheid, zegge ik, aan den Heer, voor al de liederlykheid, die Hy in zyn Genade van ons afwendde, en die zekerlyk nu zou worden geopenbaard op de straten, als niet, met zyn hulp, Prins Willem van Oranje de Groote, den Overweldiger in zyn prille jeugd (ik bedoel de jeugd van den prins) als niet die prins, zegge ik, dien gezegden Overweldiger (met Gods hulp) had verslagen by Waterloo.

Amsterdam,
Juni, 1865.

A.Z.
(Lauriergracht, naast 37, en elders.)

 

(Noot van 1873.) Dit schetsje van den waanzin waarmee men in ’65 den val van Napoleon herdacht, kan nog altyd dienen tot karakterizeering van ’t leuterparoxisme waaraan een geïdiotizeerd volk zich zoo gaarne overgeeft. De krankzinnigheid der hedendaagsche thorbeckomanie past (met Gods hulp) precies in ’t kadertje der verstandelyke ontwikkeling en der uitdrukkingswyze van den snuggeren A.Z., en van z’n groot aantal geestverwanten.


 

 

  1. Hier wordt gedoeld op de groote Overwinning die Prins Willem de Groote van Oranje behaalde op den gruwelyken Overweldiger, te Waterloo. Bedoelde Prins namelyk heeft gezegden Overweldiger, by Waterloo, met Gods hulp, overwonnen.