De zeer schoone uren van Juffrouw Symforosa, Begijntjen/VI

Hoofdstuk V De zeer schoone uren van Juffrouw Symforosa, Begijntjen door Felix Timmermans

Hoofdstuk VI

Hoofdstuk VII



[ 33 ]

VI.

Herinnering.

Symforosa geniet van haar werk.

Daar zij nog jong is, moet zij ten kleptijde opstaan om te bidden in de kerk, daarna is zij aan 't wasschen gegaan, en nu de lucht geel is van de wegschuivende zon, is het werk uit de voeten. Zij zit er naar te zien van op de bank die voor het pleisteren Lieve-vrouwebeeld staat. Hare vingers zijn er van verrimpeld, bloedloos en afgetrokken, de rug doet zeer, maar in 't gemoed draagt zij een zoeten vrede.

Donzig goud als een gele pruim is de stille schemering, de rozen rieken geweldig op die ure, en aan koorden hangt nat zwaar en blauwendig de wasch. Er asemt uit de lakens, spreien en hemden, een frissche geur van lavendel, bleekwater en marseillesche zeep.

't Hangt er allemaal zoo krakend zuiver, hagelwit, dat het een genot is om zien.

De angelus zal gaan kleppen.

En Symforosa is gelukkig.

[ 34 ]Maar Symforosa weet dat ze met haar geluk voorzichtig moet zijn als net een zeepbel, die bij 't minste asemke kapot knalt.

Zij moet er mee binnen staan, met deuren en vensters toe, juist lijk de kinderen die zeepbellen maken met een tabakspijp, dan kan zij er van genieten en er zich door laten bedwelmen.

Maar het verdriet is jaloersch en heeft een judassen natuur en kleedt zich zoowel in een bloem als in iets anders.

Achter den ouden muur prevelt de blinde begijn Wittenbroodt, haren krans van weesgegroeten.

En van uit het huis der kosteresse hoort zij harmonium spelen, en een volle vrouwestem het lied aanheffen, dat zij hoorde op die noenestonde, als Martienus haar die donkergele roos gegeven heeft.

Het lied gaat zoo heerlijk open in den avond, en 't stijgt en 't klimt tot fijnheid van kristal, dan daalt het weer zachtekens neer en wordt wonderschoon bedekt met zwellende accoorden en besprinkeld met zilveren vogelenklank.

Ach, 't is zoo machtig en zoo schoon! en alles luistert en zit nu stil.

Symforosa ziet als geschilderd de stonde weer voor zich, ze ziet de zon door zijn hoed [ 35 ]ziften, en de roos in zijn hand.... Ze hoort het zoetjes regenen op de daken, en ze hervoelt de gewaarwording die zij bij 't afscheid heeft ondergaan, en de schoone zeepbel van haar geluk barst kapot.

Het oud verdriet loopt weer door haar hart, en de tranen wellen uit hare oogen.