Eenheid/Nummer 311/De kunstenaar

‘De kunstenaar’ door A.H. Feis
Afkomstig uit Eenheid, nr. 311 (20 mei 1916), [p. 3]. Publiek domein.
[ 3 ]

DE KUNSTENAAR.

De ware kunstenaar is eenvoudig. Stil, geruischloos, bescheiden.

Zijne kunst ligt diep bezonken in het binnenste van zijn hartekamer en angstvallig verbergt hij haar voor de ruwe aanraking van de wereld. Hij is jaloersch als een minnaar, hij heeft niet graag dat zijn schat bewonderd en aangeraakt wordt door anderen.

Ik een kunstenaar? zal hij zeggen, wanneer gij met uwe onkiesche, luidruchtige bewondering hem overvalt. Niet ik; gij vergist u. Ga mij voorbij.

In gezelschap dringt hij zich niet op den voorgrond; zijn stem domineert niet. Hij kijkt niet triomfantelijk in het rond, wanneer hij eene, naar zijne meening nieuwe stelling heeft opgeworpen of [-gebouwd?]. Hij kijkt niet uit naar een spiegel om te zien hoe deze of gene pose hem kleedt. Hij is geen aangenaam causeur, hij overdondert niet met zijne meening. Men zal hem eerder voor dom, ja zelfs wel voor onnoozel aanzien, men zal hem eerder bespotten dan hem houden voor een keizer des geestes.

Dat komt doordat zijn licht niet op zijne lippen schijnt en daar eindigt, neen zijn licht zetelt diep in zijne ziel, niet iedereen kan het zoo maar dadelijk zien, want zijn licht schijnt naar binnen. O hoe heerlijk schijnt het naar binnen. Werelden, die helaas de menschen niet kunnen kennen, omdat zij des geestes zijn worden geschapen en verlicht met dat eigen zonlicht.

En daarnaar zijn de oogen van den kunstenaar gericht. Geen wonder dat hij abstract genoemd wordt. Geen wonder dat men soms om hem lacht. Doch hij, wiens oogen naar een innerlijk licht schouwen, wat heeft die mensch van noode? Heeft hij de bewondering en waardeering van menschen noodig? Als hij kunstenaar is schudt hij die als kleurloos stof van zich, al moet hij daardoor ook in armoede leven. Al moet hij honger lijden en op zolderkamertjes wonen, het deert hem weinig, zijn liefste is daar, zij kijkt hem aan en hij, o hoe dweept en bewondert hij.

En wanneer zijne bewondering een heroïsche gestalte aanneemt, met gouden helm en wuivenden vederbos voor hem staat te stampvoeten en te trappelen, dan, o dan grijpt hij naar pen, beitel, penseel of wat ook. En hij zingt. Wat zingt hij hoog! Wat zingt hij diep en heerlijk!

Welk een geluk met zijn schat alleen te zijn! Alleen en natuurlijk. Met zijn schat te leven. Een blik op zijn schat en al het geleden verdriet is vergeten. Hij is gelukkig.


De kunstenaar is niet luidruchtig. Hij bindt geen belletje aan opdat men hem op een afstand hoort klingelen.

Hij sticht geen vereenigingen; hij huurt geen zalen. Hij spreekt niet in het openbaar over zijn schat. Hij houdt geen kunstige redevoeringen, hij verdedigt geen vernuftige, dogmatische stellingen. Hij laat anderen spreken, hij trekt zich terug en hij lacht. Hij wil maar altijd weer alleen bij zijn schat zijn. Hij is niet om van haar weg te loopen en haar op te hemelen bij en met anderen. Wanneer hij over haar spreekt gevoelt hij zich eenzaam en ongelukkig.

Hij die van zijn liefste wegloopt is geen minnaar.

Hij die niet met zijne kunst alleen wil zijn is geen kunstenaar.

Het is den kunstenaar niet te doen om naam en roem, het is hem te doen om naar zijn eigen licht te leven.

Zijn zon en daarom lacht hij.

Zijn zon en daarom schept hij.

Zijn zon en daarom is hij stil en teruggetrokken en spreekt niet veel.

Zijn zon en daarom vindt men hem dom en abstract, bijna onmogelijk voor de samenleving.

Zijn zon en daarom leeft hij.

Zijn zon en daarnaar leeft hij.

Zijn zon, dat is het innerlijke licht, waarvan zijne oogen glanzen.

Zijn zon en daarom is hij gelukkig.


De kunstenaar is heilig. Hij heeft geen ascetische middelen noodig om dat te zijn. Geen zelfpijniging, geen onthouding geven hem die heiligheid en toch is zijn gebaar van uit eene andere wereld. Hij raak[t] iets aan en zie, het is als de staf van Mozes: water ontspringt uit de rots. Bloesem ontspruit uit steen[.] Zijne gelaatstrekken zijn als die der sphinx, ondoorgrondelijk voor hen die niet begrijpen, zijn glimlach is als van de Joconde. Alles wat hij aanraakt vervormt hij opdat het bruikbaar worde in zijn eigen wereld. Alle duister wordt door hem to[t] licht.

De kunstenaar?

De kunstenaar met zijn schat is heilig!

      Amsterdam, 1 Mei 1916. A. H . FEIS.