Eli Heimans (1906) - Wandelen en Waarnemen/20

Paddestoelen Wandelen en waarnemen : schetsen uit het leven van planten en dieren (1906) door Eli Heimans

De stinkzwam

Gallen
Uitgegeven in Amsterdam door Van Holkema en Warendorf.
[ 139 ]
 

XX.

De Stinkzwam.


 

Van den zomer werd ik op mijn wandelingen door Oud-Bussum van tijd tot tijd herinnerd aan iets, dat mij anders wellicht niet weer te binnen zou zijn gekomen.

Wij kinderen van een jaar of zes, zeven, misschien nog jonger, hadden vroeger in Salland een probaat middel om uit te maken, wie zich in knikker- of uitknipgezelschap ergerlijk misdragen had door een onwelriekende uitlating. Een die zich volkomen rein gevoelde aan 't geval, nam een paar sprieten stroo in de hand, gras was ook goed, zelfs iets denkbeeldigs beloofde het gewenscht effect. Daarmee ging de speurder, een rijmpje zingend of opzeggend, de rij rond, hield daarbij elk op zijn beurt het stroo onder den neus en keek hem scherp aan. De slotwoorden van de machtspreuk willen me op 't oogenblik niet meer te binnen schieten, maar 't begin luidde heel ernstig: „Ussien, bussien stroo, wie muft hier zoo?... Dat dut... (Een welwillend lezer van "de Groene" zond mij later 't slot; ik zal 't er hier maar niet bij zetten.) En de schuldige moest zijn zenuwen al heel sterk in bedwang hebben, om bij 't naderen van 't bosje stroo niet rood tot achter de ooren of wit om de neus te worden.

Ja, trouwe lezers, om 't gevaar te keeren, dat u straks dit stukje, om reden van welvoegelijkheid, met een hoorbaar neusgebaar verre van u zou schuiven, heb ik deze min smakelijke [ 140 ]inleiding vooraf laten gaan. Dan is een van uw nuttigste organen er al een weinigje aan gewend, en wordt, aldus voorbereid, misschien niet meer zoo sterk aangedaan door 't geen hem te wachten staat.

Toch zal ik niet anders doen, dan ook u een antwoord helpen geven op een vraag, die ge u mogelijk al wel eens gesteld hebt; hetzij toen ge buiten in een priëel ging zitten, of anders op een wandeling door de bosschen, als de herfst is gekomen en ze weer op hun mooist zijn. U weet al wat ik bedoel, niet waar? Eerst is het na die onweersbui heel frisch om u heen, zoo echt lekker herfstgeurig; het boschgras riekt heel aangenaam, het mos op den bodem en op de boomstammen is als fijn reukwerk, de bladeren, de paden, alles ademt op een bijzondere opwekkende wijze en het opsnuiven doet weldadig aan. Opeens zegt gij, of een van uw mede-wandelaars: "Hè, hier is 't toch heelemaal niet frisch!" En de neuzen snuiven of worden beknepen. "Neen maar, 't lijkt wel of de Lijnbaangracht in de buurt is."—"O, wee, er ligt hier ergens een doode hond te rotten!"

Nu is 't opeens voorbij. "Daar heb je 't waarempel weer! Hier is 't het sterkste. Goede tijd, wat een lucht! Daar is 't vuilste nog smakelijk bij! Om onpasselijk te worden!—Loop door!"

Neen, loop eens niet door, waarde wandelaar. Blijf staan op de plaats, waar u de stank het sterkst, het onverdragelijkst lijkt; doe dat een enkelen keer ter wille van de uitbreiding van uw kennis der natuur, die juist daar een merkwaardigheid rijker kan worden.

Hebt ge maar eens de overwinning op u zelf behaald, om te blijven staan en een onderzoek in te stellen naar het nog onzichtbaar voorwerp dat aller walging wekt, dan is vaak [ 141 ]plotseling, als bij tooverslag, de stank verdwenen. Een stinkzwam, op 't oogenblik dat de sporen al bijna van den hoed af zijn.

Een stinkzwam, op 't oogenblik dat de sporen al bijna
van den hoed af zijn.

Misschien ondergaat dan onze reukzenuw opeens een tijdelijke „verdooving"', misschien is 't een ander verschijnsel, maar zeker is het dat de stank bij vlagen werkt. Zoek nu, met beide oogen wijd open, den bodem onder de boomen, of de struiken af, want daar, dicht bij den grond, daar komt 't vandaan. Eindelijk merkt ge in 't schemerduister een voorwerp op, zoo vreemd en ongewoon, dat ge vergeet den zakdoek voor de neus te houden en toch geen stank meer ruikt. Op 't eerste gezicht, een paar passen er vandaan, lijkt het een gasgloei[ 142 ]kousje, dat overeind in den bodem is gezet. Wat groot, maar net zoo wit en zoo los en fijn beschuitachtig van weefsel. Werkelijk een teer en mooi natuurproduct.

Kan dat mooie, droge, reine ding daar, de oorzaak zijn, vraagt ge u zelf, van die vieze lucht, gecompliceerd uit al wat walgelijk is, die een heel gezelschap op de vlucht jaagt, en een priëel onbruikbaar maakt? Toch is het zoo. Neemt ge het in de hand—het is heusch niet vies—, dan ruikt ge, althans in de meeste gevallen, niets, hoegenaamd niets. Wat zoo ontzettend stonk is er al af. Dat was een bruingroene muts of hoed, die boven op den top van 't kousje hing en door den stortregen is medegenomen.

Zoek maar een eindje verder, daar staat er nog een, die pas uit het ei is gebroken. Als een capuchon met spitsen top hangt de vochtige hoed losjes over den drogen witten voet. Nu komt opeens de "lucht" u tegenwaaien, verschrikkelijk, in één woord gezegd. Maar wilt ge nog sterker dosis tegelijk, wip dan met een stokje den groenen verslijmenden hoed van het kousje, dan stroomt er uit het bovenste gaatje, dat nu bloot komt, een gaslucht, die ik van de week nog door iemand, die heelemaal niet gewoon is dikke woorden te gebruiken of iets te overdrijven, "verpestend" heb hooren noemen.

En het malle van de geschiedenis is, dat ge onwillekeurig ruiken gaat, opzettelijk ruiken. Met genoegen nu nog wel niet, maar ook niet meer met die walging van zooeven. De afkeer vermindert opeens zoo sterk, denk ik, omdat wij door de wetenschap, dat dit vreemde voorwerp het 'm doet, gerustgesteld zijn. Er ligt geen doode hond te rotten, geen lijk te midden van nog viezer onguurheden. We hebben hier, dat zegt ge u zelf, zonder woorden misschien, met een kunststank te doen, met een natuurwonder.

[ 143 ]En terwijl ge gist naar de biologische beteekenis van 't geval, komen van alle kanten aasvliegen en wespen u op weg helpen. Dat groene slijm van den hoed bevat de sporen waarmee de stinkzwam zich voortplanten kan; de stank, die een rottend aas suggereert, lokt de vliegen aan, die komen smullen van schijn-aas en dragen de sporen mee naar elders, waar ze een nieuwe jonge stinkzwamplant zullen doen groeien.

Nu houdt ge het ín de buurt ook wel lang genoeg uit, om te zoeken naar het duivelsei; dat is een witte groote bal vol gelei, waaruit de zonderlinge paddestoel soms met verbazende snelheid opschiet.

Het Duivelsei van den Stinkzwam. Uit het eerste puilt al gelei; het tweede is doorgesneden voor het openbarsten. Het donkere deel tusschen de gelei-laag en het kousje is de hoed met sporen.

Het Duivelsei van den Stinkzwam.
Uit het eerste puilt al gelei; het tweede is doorgesneden voor het openbarsten. Het donkere deel tusschen de gelei-laag en het kousje is de hoed met sporen.

Neem het ei gerust uit den grond, er zit alleen een taaie staart aan, die het verbindt met het voedend weefsel, den draderigen zwamvlok in den bodem. Dat ei stinkt niet. Het wordt gegeten. U kunt ze koopen, bij honderden, tegen 15 centimes het stuk, op de markt te Epernay. Ook in Zuid-Duitschland. Het is een best middel tegen jicht, want hij heet daar Gicht-Lorchel en wordt veel gebruikt. Op Oud-Bussum en langs de Hilversumsche Meent staan ze plenty; mijn kinderen zoeken ze op den reuk af[ 144 ]gaande, en vinden ze, zoo vaak ik er een noodig heb om te teekenen of te vertoonen.

Maar wacht u er voor, het ei mee naar huis te nemen en het daar te vergeten. Dat kan u met de politie in aanraking brengen. Toen ik den stinkzwam voor 't eerst vond, was ik onnoozel genoeg het ding in te pakken en naar Van Gend & Loos te brengen, om het naar mijn vriend Thijsse te sturen. Ik werd letterlijk het kantoor uitgejaagd en later ook mijn eigen huis uit. Maar dit heele geval heb ik al eens meegedeeld in De Levende Natuur.[1]

 

 
  1. Heimans, Eli (1898)—'Na een onweder in een park, en een zonderlinge plant,' De Levende Natuur, 3e jaargang nr. 5, p. 85. (Wikisource-Ed.)