Gorter/Gij zijt een bloem, een lichte roode bloem

[ 66 ]


Gij zijt een bloem, een lichte roode bloem
in donkre kamer 's nachts, een bloem, een bloem —
 vèr om der stede opschokkend gedoem,
dicht om der stilte suiskokend gesoem —
een lichte roode bloem, een witte bloem.

Gij zijt mijn hart, mijn eenzaam levend hart,
de daden van mijn lijf slaan rondom hard ,
wreed klaterende stem veinst vreugd en smart, —
bliksemt mijn lijf, maar binnen is 't al-zwart —
eenzaam in mij leeft gij, mijn levend hart.

Gij zijt zoo donker en toch vlak bij mij —
een bloem voor oogen en een hart in mij —
ik zoek te zeggen hoe 'k verlangen lij.