Hoofdmenu openen

Wikisource β

Heemskerck op Nova Zembla/IX

< Heemskerck op Nova Zembla
VIII Heemskerck op Nova Zembla van Piet Visser

IX. Naar het vaste land

X


[ 135 ]

HOOFDSTUK IX
 

NAAR HET VASTELAND

Vol hoop waren zij de IJshaven uitgezeild, doch ze bleken al dadelijk niet erg gelukkig, want reeds bij Eilandshoek konden ze al niet meer verder van het vele ijs. Zij gingen met hun vieren aan land en wisten enkele vogels met steenen van de klippen te gooien, waarmee ze weer aan boord terugkwamen.

Toen des anderen daags het ijs wat weggedreven was, zeilden zij voorbij het Vlissinger Hoofd tot den Hoek van begeerte en kwamen den volgenden morgen aan de Oranje-eilanden.

Hier gingen zij aan land, maakten vuur van het hout, dat zij er vonden en smolten een paar ketels sneeuw, om tot drinkwater in tonnetjes te doen.

Inmiddels gingen de schipper, Louw Willemsz en meester Hans over het ijs op verkenning uit en wisten drie vogels te vangen. Maar dat uitstapje had leelijk genoeg kunnen afloopen. Op den terugtocht namelijk zakte de schipper door het ijs en daar er een sterke stroom ging, verkeerde de man in levensgevaar. De beide anderen slaagden er echter nog bijtijds in, hem er uit te halen.

De vogels werden gekookt en aan de beide zieken gebracht en nadat Heemskerck droge kleeren had aangetrokken ging het maar weer verder.

Nabij den IJshoek dreven de booten toevallig heel [ 136 ] dicht bij elkaar en de schipper riep Willem Barentsz toe: „Hoe gaat het er mee?"

„Al wel maat," was het antwoord, „ik hoop nog te loopen vóór we te Wardhuis zijn!" En daarop tot De Veer: „Zijn we bij den IJshoek, Gerrit? Beur me dan eens op. Ik moet dien hoek nog eens zien!"

Nu, daarvoor was gelegenheid genoeg, want zij werden er al dadelijk zoo door het ijs bezet, dat zij er voorloopig blijven moesten.

En den volgenden morgen was het bepaald verschrikkelijk! Ontzettende schotsen kwamen eensklaps aandrijven. In snelle vaart werden de booten meegesleept! Ieder oogenblik kon men vreezen, dat de arme vaartuigjes vergruizeld zouden worden door die reusachtige ijsbrokken.

Reeds achtte men zich verloren. Maar Heemskerck behield zijn gewone kalmte en overzag met een enkelen blik hun toestand.

„Als we maar een touw aan het vaste ijs konden krijgen!" zei de schipper. „Dan konden we daar de schuiten wel bij optrekken en waren we gered."

Maar... wie zou het stuk ten uitvoer brengen? Tien kansen voor één toch, dat men het leven er bij kon inschieten.

„In Godsnaam, het móet!" riep De Veer, en met een tros om zijn middel sprong hij op het drijvende ijs over.

In angstige spanning zien de anderen hem na . . . Wat hangt er ook niet veel van zijn behouden overkomst af! Immers, als hij niet overkomt, dan is alle kans op redding verloren.

Hoe ze de halzen rekken, hoe ze de hand boven de oogen houden om hem na te turen, waar hij beurtelings zichtbaar wordt en weer verdwijnt, terwijl hij onverschrokken van ijsklip tot ijsklip springt.

Vreeselijke spanning waarin ieder verkeert! Ze turen met ingehouden adem, met kloppend hart...

[ 137 ] Gelukkig—hij nadert!

Opééns klinkt het jubelend: „Hij is er! hij is er! Hoezee!"

En waarlijk, De Veer had, na veel inspanning, het vaste ijs bereikt, waar hij nu de tros aan een ijsklip vastmaakte.

Toen trokken de anderen de schuiten met alle macht aan het vaste ijs. De zieken werden er uitgedragen en zoo goed mogelijk toegedekt, vlug loste men de goederen en daarna werden de beide vaartuigen eveneens op het ijs gehaald.

Wéér was men aan den dood ontkomen!

Den volgenden dag werden de schuiten, die heel wat geleden hadden, weer zoo goed mogelijk gerepareerd. Hout vond men er voldoende, om de pek te koken, die tot dichten van de naden benoodigd was.

Toen ze weer heelemaal in orde waren, werden ze weer te water gebracht en aan het vaste ijs gemeerd, in de hoop, zoo spoedig mogelijk verder te kunnen zeilen. Maar daar was vooreerst nog geen denken aan en intusschen zou hun het ergste overkomen, wat schier mogelijk was.

Dat vreeselijke ongeluk gebeurde den 20sten Juni. De Veer kwam dien morgen uit de schuit in de bok om te vertellen, dat Claes Andriesz heel bedenkelijk lag en het wel niet lang meer zou maken.

Barentsz antwoordde: „Me dunkt, dat het met mij ook niet lang meer duren zal."

Aan deze woorden werd evenwel niet te veel waarde gehecht, want een oogenblik later zat hij druk met De Veer te praten, met het kaartje voor zich, dat de bootsman van de reis gemaakt had en deed hem allerlei vragen en opmerkingen die van de grootste belangstelling getuigden.

Maar eindelijk lei hij het kaartje weg en zei: „Gerrit, geef me eens te drinken!" Nauwelijks echter had hij [ 138 ] gedronken of hij werd opeens heel onwel; zijn oogen verdraaiden zich, een vreemde huivering trok over zijn geheele lichaam en de stuurman was niet meer!

Dit alles was zoo haastig gebeurd, dat men niet eens den tijd had gehad den schipper te roepen, die zich in de andere schuit bevond.

De dood van Barentsz bracht groote verslagenheid onder het volk. Hij toch was de man, waar allen op vertrouwden en de moedeloosheid werd nog grooter, toen niet lang daarna, ook Claes Andriesz stierf. Twee dooden op één dag, het was dan ook wèl, om er het hoofd bij neer te leggen.

Beide gestorvenen kregen een eerlijk zeemansgraf, maar toen Barentsz voor aller oogen wegzonk, o toen was het, of de laatste hoop met hem méé in de diepte ging. Tranen liepen langs die uitgeteerde mannen wangen, ja, sommigen snikten als een kind.

„O meester Hans, meester Hans!" schreide Jacob, „wat zal er nu van ons worden, nu onze beste, knappe stuurman weg is?"

„Ik weet het niet, mijn jongen!" zuchtte de barbier.

„Houdt moed, mannen!" sprak de kloeke schipper, bij het zien van de algemeene verslagenheid. „Groot is de slag, die ons trof, maar laat ons vertrouwen op God, die ons al zoo dikwijls geholpen heeft!"

Ditmaal hadden echter de bemoedigende woorden van den altijd kloeken schipper weinig uitwerking bij het volk. Ook daags daarna was de verslagenheid nog zoo groot, dat er bijna geen woord gesproken werd.

Gelukkig kwam er den vijfden dag wat open water en met het oog op de sombere stemming sloeg de schipper voor, om te trachten, nu maar weer eens wat verder te komen. Dat zou tenminste afleiding geven.

Maar al zagen zij het open vaarwater vóór zich, het was daarom allesbehalve een kleinigheid, om de booten daar in te krijgen. Eerst had men ze over een stuk ijs [ 139 ] van wel vijftig schreden te sleepen; daarop moesten zij omhoog getrokken en nog eens over een ander ijsbrok gezeuld worden, dat maar éven kleiner was en tóen pas waren zij weer in behoorlijk vaarwater. En al die arbeid werd verricht door mannen met halfleege magen en verzwakte, uitgeteerde lichamen.

Ze zeilden dan eindelijk weer verder, al kregen zij het onder het voortgaan toch nog voortdurend met het ijs te kwaad. Bij Kaap Troost moesten zij zelfs een halven dag blijven liggen, maar toch kregen zij den 24sten Kaap Nassau reeds in het gezicht.

Toen konden zij weer niet verder.

Het was wel om verdrietig onder te worden; en bij al die ellende begonnen zij ook nog met den dag meer van de scheurbuik, een veel voorkomende ziekte, gekweld te worden.

„Mijn mond doet me toch zoo'n pijn!" zuchtte Jacob. „Ik kan die harde beschuit niet meer eten."

„Och neen," klaagde Sterrenburgh, „met scheurbuik is die harde korst iets verschrikkelijks. En dan, ik zou ook wel eens wat warms in 't lijf willen hebben."

„Dan moesten we maar wat matsommore maken," zei de kok.

„Matsommore, wat is dat?"

„Ja, dat zullen jullie wel zien, als het zoover is. Maar in de eerste plaats hebben we vuur noodig. Wie gaat er mee aan land om te zien, of we wat drijfhout kunnen vinden?"

Nu, vijf man boden zich daartoe aan en een poosje later reeds kwam het zestal met eenig hout weer aan boord terug. Er werd een groote, ijzeren pot met sneeuw te vuur gezet en toen die sneeuw tot water gedooid en dat water eindelijk aan de kook was, zei de kok, dat ieder zijn rantsoen beschuit in den pot moest kruimelen.

„Dat is nu matsommore!" zei hij, toen ze zich allen aan [ 140 ] de waterpap te goed deden. „Hoe smaakt het mannen?"

Ze vonden het allen overheerlijk en smulden aan het sobere kostje als was het een koningsmaal!

Den volgenden dag kwam er opeens een storm uit het Zuiden opzetten. Het ijs waar zij aan vastgemeerd lagen brak plotseling in stukken, zoodat zij zeewaarts dreven en in duizend gevaren verkeerden, dat zij zouden vergaan.

„Roeien! roeien!" riep de schipper.

Ze roeiden dan uit alle macht, maar het gelukte hun niet, het vaste ijs weer te bereiken.

Toen werd de fok geheschen,—maar de fokkemast van de schuit brak tot tweemaal toe in stukken. Nu haalden zij het groote zeil op, doch daar vloog de wind zoo geweldig in, dat zij stellig omgeslagen of gezonken zouden zijn, hadden zij het niet bijtijds nog neergekregen. Het water toch begon al over boord te komen en stond zoo hol, dat zij niet anders dan den dood voor oogen zagen. Maar zie, onverwachts liep de wind naar het Noordwesten, waardoor zij eindelijk toch nog weer goed en wel aan het vaste ijs kwamen.

De schuit was dus in veiligheid, maar nu miste men de makkers, die in de bok waren. Ze zeilden wel een mijl ver langs het vaste ijs heen, maar vonden ze niet, zoodat ze vreesden, dat de anderen wel verdronken zouden zijn. Intusschen werd het mistig en De Veer's manschappen, hun makkers niet vindend, schoten een musket af, dat onmiddellijk door den schipper werd beantwoord. Zoo kwamen ze gelukkig ten laatste toch weer bij elkander.

Drie dagen later werden zij weer zóó van alle kanten ingesloten, dat zij alle goederen uit de schuiten op het vaste ijs droegen en er toen de vaartuigen zélf ook bij ophaalden.—Twaalf lange dagen zouden zij hier op het ijs moeten doorbrengen.

O, als zij het geweten hadden, het weinigje moed dat [ 141 ] zij nog bezaten was hun stellig geheel ontzonken.

Van de zeilen werd inderhaast op het ijs een tent opgeslagen, waaronder zij zich vermoeid ter ruste begaven.

Te middernacht echter riep Louw Willemsz, die de wacht had, opeens: „Drie beren! drie beren!"

Slaapdronken vlogen zij met hun musketten de tent uit, maar, jammer genoeg, waren hun wapens slechts met hagel inplaats van met kogels geladen, om te allen tijde vogels te kunnen schieten.

Hoewel ze daar de beren nu juist niet bijzonder mee kwetsten, deinsden de dieren toch achteruit, waardoor enkelen gelegenheid hadden, hun musketten van kogels te voorzien.

Een van de brutale gasten werd nu doodgeschoten en de twee anderen namen de vlucht.

's Morgens echter kwamen zij terug, één er van nam den dooden makker in zijn bek en liep er zoo snel hij kon een eind mee weg, waarop zij met hun beiden als uitgehongerd aanvingen, hem op te peuzelen.

Toen vier van de maats een oogenblik later op die plek kwamen, bevonden zij, dat de twee beren hun dooden kameraad al bijna geheel hadden verslonden.

Onder deze en dergelijke avonturen spoedde de maand Juni ten einde en Hooimaand begon.

Nu, die zette zich al heel slecht in, want op den eersten kwamen reusachtige schotsen uit zee zoo vreeselijk aandringen, dat het ijsveld waar zij zich met de schuiten op bevonden, in verscheidene stukken brak en de goederen grootendeels te water raakten.

„Breng eerst de schuiten in veiligheid!" riep de schipper, ziende dat verschillende maats naar de goederen grepen.

Met veel moeite werd nu allereerst de bok wat verder gesleept. Toen gingen zij terug, de eene helft, om de goederen te redden, de andere om de schuit te halen. Maar de moeilijkheden en het gevaar namen toe met [ 142 ] ieder oogenblik. Als zij hier een pak goed aangrepen, zakte dáár een ander pak weer door het ijs. Zoo duurde het een geruimen tijd, eer er ten laatste nog wat gered was.

Nog minder gelukkig waren de mannen, met het redden van de schuit belast. Nauwelijks toch begonnen zij die voort te sleepen of het ijs brak weg onder hun voeten. Slechts met een haastigen sprong naar voren wisten zij zich nog juist het leven te redden.

Daar stonden zij nu, bleek en bevend van schrik, en angstig zagen zij toe, hoe schollen van allerlei grootte rusteloos op- en over elkander schoven rondom de schuit;... zij hoorden hoe het vaartuig kreunde en kraakte onder de aanpersing van het werkende ijs en—vreeselijkst nog van alles—in dat zoo deerlijk geteisterde vaartuig lag de arme Jan Fransz, die doodziek was!...

Eén oogenblik stonden allen in vertwijfeling! Toen sprongen De Veer en Louw Willemsz. met doodsverachting van schots op schots, waarbij aanhoudend hun leven bedreigd werd. Maar gelukkig, zij slaagden er toch in, den zieke in veiligheid te brengen.

Niemand echter durfde nu nog een poging wagen, om ook de schuit te redden, die door de rusteloos werkende schollen meer en meer gekneusd en gehavend werd.

Eén vaartuig hadden zij dus nu maar over! Arme kerels, wat zou er van hen worden onder die omstandigheid?

Doch plotseling begon het ijs te wijken en ze zagen de schuit goed en wel op een groote schots staan. Zij snelden er nu zoo dicht mogelijk naar toe en met behulp van uitgeworpen touwen wisten zij het gehavende vaartuig naar zich toe te palmen. Toen sleepten zij het over het ijs naar de plaats waar de bok reeds lag.

Moedeloos en mistroostig zaten ze daarna bij de booten [ 143 ] neer, want het bleek dat zij, behalve heel wat koopmansgoederen, een bagage-ton met kleeren en verscheiden levensmiddelen hadden verloren.

Den volgenden dag echter was het mooi weer, waardoor zij weer wat opvroolijkten. Met hun zessen begonnen zij toen de geradbraakte schuit op te timmeren, terwijl de andere zes er op uit gingen om drijfhout en steenen te zoeken.

„Waarvoor zijn die steenen toch, meester Hans?" vroeg Jacob.

„Wel, die stapelen we straks op elkaar op het ijs, om er een vuurtje boven te maken. En dat vuurtje, nu dat moet dienen om de teer te koken, die we tot het herstellen van de schuit noodig hebben."

Ze waren wonder gelukkig op hun tocht, want ze vonden niet alleen steenen en brandstof, maar zelfs een groot stuk hout, dat den gebroken mast zou kunnen vervangen. Voorts een tweetal ijzeren wiggen, waaruit bleek, dat er menschen geweest waren.

Zij brachten dat allemaal ter plaatse waar de schuit lag en wisten toen nog eenige vogels te schieten, waarvan zij smulden als heeren, zooals Jacob het uitdrukte.

De moed was nu weer zoo groot, dat ze met veel ijver aan de schuit konden werken, zoodat die nog vóór den avond gereed kwam.

Den volgenden dag, toen meester Hans en Jacob, die op de vogeljacht waren, aan het water kwamen, riep de scheepsjongen opeens: „O, meester, kijk eens, daar vind ik twee van onze riemen terug!"

„En ik den helmstok van 't roer!" riep de meester.

„En hier is het pak scharlaken!" klonk het weer uit Jacobs mond.

„En hier de koffer met linnen!" juichte meester Hans.

„Kijk, al wéér wat!" riep de jongen verheugd en hij haalde een hoed uit de bagage-ton op. „O, meester, er ligt nog een heeleboel!"

[ 144 ] „Kom," zei meester Hans, „laten we nu eerst alvast maar eens meenemen wat we dragen kunnen en dan meteen de anderen waarschuwen."

Zoo gebeurde het en met hun vijven keerden zij toen terug, om de rest van het weergevonden goed te halen en op het vaste ijs te brengen. Ja, ook van hun levensmiddelen kwam gelukkig nog wat terecht. De moed en opgewektheid namen door een en ander weer wat toe. Vooral toen het den 4den zoo'n mooie, zonnige dag was, als zij in al dien tijd, dat zij op Nova Zembla geweest waren, nog niet hadden gezien.

Maar och, den anderen morgen stierf de goedige Jan Fransz en daarmee ging weer heel wat opgewektheid verloren.

Toen zij eindelijk, vier dagen later, wat open water mochten zien, sleepten zij er de schuiten heen, wat hun ontzettend moeilijk viel, want het was wel driehonderd en veertig treden ver. Maar de booten raakten toch te water. En wéér ving een moeizame worsteling aan. Nu eens konden zij zeilen, dan moesten zij roeien, of wel zij dreigden opnieuw bekneld te worden en werden gedwongen de schuiten over het ijsveld te sleepen.

O, het was een arbeid voor die zwakke, krachtelooze menschen, om wanhopig te worden! Maar telkens wist de schipper door woord en daad de stervende hoop weer te doen opleven, telkens te voorkomen, dat men niet moedeloos het matte lijf er bij neer ging leggen.

Onder eindeloos zwoegen en tobben had men zoo ten slotte den 11den Juli het Kruiseiland bereikt.

Hier gingen de Kromme, meester Hans en onze Jacob aan land, om te zien, of er sedert hun vertrek nog Russen geweest waren. Ze vonden daar echter geen spoor van en trokken nu verder landwaarts in; maar, gedachtig aan hun vroeger avontuur, waren zij nu allemaal behoorlijk gewapend. Zoo kwamen ze eindelijk aan een plaats waar zij verscheidene nesten van bergeenden en [ 145 ] tezamen wel zeventig eieren vonden.

„Hm!" zei meester Hans en krabde zich het geleerde hoofd: „Hoe zullen we die mee nemen? Want het zou toch zonde en jammer zijn, om al die kostelijke eieren hier te laten liggen."

„Me dunkt," stelde de Kromme voor, „als één onze drie musketten droeg, dan konden de beide anderen er toch allicht een dertig van bergen."

„En de veertig overige, moeten we die hier dan maar laten liggen?" zuchtte meester Hans.

„Och wat," zei Jacob, „ik zie best kans ze alle zeventig mee te nemen."

Toen trok hij in een ommezien één van zijn drie broeken uit, bond de pijpen van onder dicht en stopte de eieren er in.

„Daar moet je jòngen voor wezen," zei meester Hans op weg naar huis tegen de Kromme. „Zie je, Lenaert, ik had dat idée ook gehad, maar voor een man van de wetenschap zou het toch minder gepast hebben, nietwaar?"

„Hm! wat een opsnijer," bromde de Kromme tusschen de tanden.

„Wat zeg je, kameraad?" vroeg Hans Vos.

„Ik zei, dat het een bijdehandte jongen is, meester!"

„Ja, ja, dat het ventje dagelijks van mijn omgang profiteert is best te merken."

Onderwijl liep Jacob in triumf met de eieren al een heel eind vooruit en dat ze aan boord hartelijk welkom waren is te denken. In een ommezien werden ze gekookt en half uitgehongerd als de arme kerels waren, smulden zij er van alsof zij bruiloft hielden.

Acht dagen lang waren ze gedwongen bij het Kruiseiland te blijven liggen en hun eenige troost was, dat zij van tijd tot tijd enkele vogels schoten of wat eieren vonden.

Intusschen beleefde Louw Willemsz nog een [ 146 ] zonderling avontuur. Met Hooghwout en Sterrenburgh was hij er op een morgen op uitgetrokken om te zien, of zij nog geen open water konden ontdekken.

Toen zij ongeveer een half uur geloopen hadden, zagen zij plotseling een kolossalen beer achter een groote ijsschots liggen, 't Bleek hetzelfde dier te zijn, dat ze den vorigen dag reeds hadden aangeschoten, maar het toen op een loopen had gezet.

Nauwelijks hoorde nu de ijsbeer ons drietal aankomen, of hij wilde opnieuw aan den haal.

„Hola! wacht even maat!" riep Louw Willemsz, en stiet hem zoo geducht een bootshaak in de huid, dat hij op zijn achterpooten ging zitten. Louw bracht hem opnieuw een por toe, ditmaal in de zij.

Brullend sloeg de beer zijn geduchte klauwen om den haak.

Krak! ging de stok en—Louw zat eensklaps op het ijs, met het afgeknapte hout nog in de handen.

't Was zóó'n komisch gezicht dat zijn makkers, ondanks het hachelijke van zijn toestand, moesten schateren van 't lachen. Dit nam evenwel niet weg, dat ze onmiddellijk den beer te lijf gingen, die het nu op een loopen zette.

Louw echter was woedend. Hij springt overeind en als een bezetene holt hij, schoon enkel met den afgeknapten stok van den bootshaak gewapend, den witten vluchteling achterna. Binnen enkele minuten heeft hij hem ingehaald en stoot hem nu herhaaldelijk met het stuk hout in de ribben.

Dat wordt den ruigen gast nu toch een beetje àl te brutaal! Tot driemaal toe keert hij zich dan ook om en slaat telkens verwoed zijn klauwen naar zijn vijand uit. Louw echter wist die aanvallen ook telkens weer te ontspringen, tot plotseling twee schoten van zijn makkers aan het leven van den beer een einde maakten.

Acht dagen lang hadden onze zwervelingen nabij het [ 147 ] Kruiseiland moeten wachten, toen ze eindelijk tot hun onbeschrijfelijke vreugde weer eens open water zagen. Vol moed werden de booten over een hobbelig ijsveld van wel twee-honderd-en-zeventig passen gesleept, een bijna ondoenlijken arbeid voor die dóór en dóór zwakke mannen. Maar de hoop, dat het nu toch eens voor het laatst mocht zijn, versterkte zoozeer hun zwakke krachten, dat zij doen konden, waartoe zij zichzelf niet in staat hadden geacht.

Eenmaal in open water gekomen, konden zij al dadelijk zeilen, zonder eenige verdere hindernis. Van drijfijs hadden zij heelemaal geen last meer en zij gisten, dat zij een voortgang hadden van wel achttien mijlen in een etmaal.

Door dien ongekenden voorspoed werd aller hart met blijdschap vervuld en ieder was weer zoo goedsmoeds, als hij in geen tijden geweest was. Reeds den anderen morgen kwamen zij den Zwarten Hoek om en 's avonds kregen zij het Admiraliteitseiland in het gezicht, waar zij in den nacht voorbij zeilden.

Hier kwamen zij langs een reusachtige ijsschots met wel tweehonderd... Ja, wàt?

Jacob vroeg het aan meester Hans.

„Dat zijn walrussen, vriendje!" kreeg hij ten antwoord. „'t Is net of ze allemaal dood zijn," zei de jongen. „Er lijkt geen leven in, zoo stil liggen ze. Wacht ..." En meteen wierp hij een stuk hout naar de dieren.

Maar daar had je het lieve leven gaande! Onmiddellijk begaven er zich wel meer dan honderd te water en zwommen regelrecht op de booten af.

„O, wee!" klaagde de verschrikte scheepsjongen, „wat heb ik gedaan, wat heb ik gedaan! Ach meester, nou zal ons laatste uurtje wel gauw geslagen zijn!"

Nu, daar had het dan ook veel van, want verscheidene van de monsters hadden reeds bijna de schuiten bereikt, 't Was voor de schepelingen verschrikkelijk om te zien, [ 148 ] hoe ze de groote koppen met de lange slagtanden grimmig boven de golven uitstaken. Zeilend en roeiend wat men kon, wist men ze echter nog te ontkomen. Jacobs onvoorzichtigheid haalde hem echter een geduchten uitbrander van den schipper op den hals.

Intusschen bleef de reis nog altijd voorspoedig, zoodat zij den volgenden middag Kaap Plancio en Langenes passeerden en een dag later nabij Cant's Hoek waren. Hier gingen zij een oogenblik aan land en kwamen weldra met meer dan twintig vogels en ongeveer evenveel eieren terug.

Tegen den avond gingen zij op een andere plaats opnieuw aan wal en wisten daar wel honderd-vijf-en-twintig vogels te bemachtigen. De dieren waren zóó tam, dat men ze zoo maar met de hand te grijpen had. Dat ze over de rijke vangst uitermate verheugd waren, nu dat is licht te denken.

Welgemoed gingen ze weer onder zeil en ofschoon zij weldra eenig oponthoud hadden van ijs en mistig weer, voeren zij, nog geen week later, toch den Kruishoek reeds voorbij.

Den volgenden morgen, toen zij omstreeks de Sint-Laurensbaai waren, riep „de Neushoorn," die de wacht had, opeens: „Een schip! Een schip!"

Dat was een verrassing, dat gaf een blijdschap! Ieder snelde naar voren en ja, het was zoo. Naderbij gekomen zagen zij niet één, maar twee vaartuigen aan wal liggen.

„Het zijn Russsische visschersschuiten!" zei De Veer, toen ze nog dichter bij waren.

„Gelukkig, nu zullen we toch eindelijk weer eens menschen ontmoeten!" riep Jacob verheugd.

„Maak je niet te gauw blij, kleine veldhaas!" bromde Louw Willemsz. „Je weet niet, wat voor volkje het is. Wie zal je zeggen, of ze goed of kwaad in d'r bol hebben?"

„Als ze kwaad willen, ziet het er slecht voor ons uit," zei meester Hans, „want ik tel er wel dertig."

[ 149 ] „Nu, dat zal zoo'n vaart niet loopen," antwoordde Gerrit de Veer. „Ik ken de Russische visschers van de vroegere reizen als een goedaardig volkje."

Het bleek ook al spoedig, dat zij volstrekt niet vijandig gezind waren. Immers, zoodra zij de schuiten aan land zagen komen, liepen zij wel naar de Hollanders toe, maar zonder eenig wapen.

„Jammer, dat we geen tolk hebben!" zei de schipper tegen Gerrit de Veer. „Hoe zullen we nu aan die klanten onzen toestand bloot leggen?"

Ja, dat wist De Veer ook niet.

Intusschen waren meester Hans en de scheepsjongen al dicht bij de Russen gekomen, die in een groepje aan den wal stonden.

„Ik zal ze wel eens gauw vertellen, dat we ons schip in het ijs verloren hebben," zei Jacob. Nu teekende hij met zijn vinger in enkele lijnen een schip in de sneeuw, wees eerst op zijn makkers, toen op het geteekende vaartuig en begon het daarop van twee kanten tegelijk uit te wisschen.

„Crabble propal?" vroeg een van de Russen, die blijkbaar een hoogere was.

Dat zal stellig beteekenen: „Schip verloren?" dacht meester Hans en deftig knikte hij met 't geleerde hoofd en antwoordde „Crabble propal!" met een zekerheid, alsof hij al zijn leven Russisch had gesproken.

Intusschen trad de hoofdman op Heemskerck en De Veer toe en klopte beiden vriendelijk op den schouder als blijk, dat hij ze nog kende van een vroegere reis. Maar het verschil was groot! Toen op een kleine vloot van zeven goed uitgeruste schepen, nu vermagerd en uitgeteerd in twee armzalige vaartuigjes.

„Crabble propal!" zei de barbier nog eens, om ook aan den schipper en den bootsman te laten hooren, dat hij Russisch sprak.

Doch de Rus gaf hem verder geen antwoord, maar [ 150 ] maakte de beweging van drinken, waarna hij met de tong smakte en met een vergenoegd gezicht de hand over zijn maag streek. Hiermede wilde hij in herinnering brengen, dat de schipper hem den vorigen keer op wijn onthaald had.

Maar Jacob begreep het anders.

„Zoo, zoo, heb je dorst, Krabbepaal? Wacht, vriend, dan zal ik je wel helpen." Toen liep hij naar de schuit, kwam oogenblikkelijk weer met een nap met water terug en liet dat den Rus drinken.

„Asjeblieft, vriend Krabbepaal!"

Maar na even geproefd te hebben, schudde de man het hoofd met de woorden: „No dobre!"

„Zoo, zoo, kameraad, is het je te min? Nu, geef dan maar weer hier, hoor!" en meteen nam Jacob den drinknap weer aan.

Nu trad de schipper op den hoofdman der Russen toe en liet zich in den mond zien. Hiermee wilde hij te kennen geven, dat hij en zijn volk last van scheurbuik hadden en of ze daar geen raad voor wisten.

Maar de man begreep hem niet.

„Ah, jawel! heb je honger?" dacht de Rus en zag meewarig naar het vermagerde gelaat van den schipper. Daarop zei hij iets tot een van zijn onderhoorigen die toen naar hun schip liep en met een roggebrood van wel acht pond en eenige gerookte vogels terugkwam.

De schipper bedankte er voor en gaf ze een half dozijn beschuiten in ruil, terwijl hij twee van de voornaamsten door gebaren in zijn schuit noodigde, om ze nog eens op wijn te onthalen.

Inmiddels kookten onze zwervelingen wat beschuit met water op het vuur der Russen, en waren innig verheugd, voor het eerst na dertien maanden weer eens menschen om zich heen te zien.

Den volgenden morgen begonnen de Russen zich gereed te maken om weg te zeilen.

[ 151 ] Ze dolven eenige vaten traan uit het lekzand, die ze daar onder begraven hadden, en brachten ze aan boord.

„Ze gaan naar de Waygats," zei de schipper, toen ze wegzeilden. „We moeten ze volgen, mannen! Komaan, vooruit!"

Het duurde echter niet lang of door den opkomenden mist verloren zij de visschers uit het oog. Ze moesten dus nu hun eigen koers maar weer volgen.

Weldra hadden ze weer met drijfijs te tobben, maar wat het ergste was, de scheurbuik, waar zij al zoo lang last van hadden, begon gaandeweg ondraaglijk te worden.

„Vonden we maar wat lepelblad! Vonden we maar wat lepelblad!" zuchtte meester Hans.

„Och wat!" gromde Louw Willemsz. „Lepelblad! 't Zal wel weer wat wezen! Ik geef om alle barbiersleepigheid geen duit!"

„Laurens Willemsz!" sprak de barbier op weemoedigen toon, „moet dat nu mijn dank wezen? Wie heeft aanhoudend gewaakt over de gezondheid van het volk? Wie heeft in het „Behouden Huys", het leven van bijna allen weten te verzekeren? Ben ik dat niet geweest? Heb ik niet heele nachten getobd om middelen tot lijfsbehoud uit te denken? Was ik het niet, die het warme bad uitvond, waardoor ik bijna ons allen in het leven mocht behouden? Zie, als ik dat bedenk, och neen, dan word ik niet boos, dan bedroef ik me over je verregaande ondankbaarheid!"

„Al wel maat—schei nou maar uit. Ik ben te ziek van de pijn om naar je gereutel te luisteren!"

Meester Hans keerde zich mismoedig van hem af. Toen ze echter bij een tweetal eilandjes, niet ver van de Waygats, moesten blijven liggen en aan land gingen, had de barbier tot zijn groote vreugde hier en daar eenigen plantengroei ontdekt. Dat gaf hoop!

„O, als we het nu eens vonden!" zei hij tegen Jacob.

„Wàt, meester?"

[ 152 ] „Lepelblad, lepelblad! mijn jongen! Kom, help mij maar eens gauw zoeken!"

En, o heerlijke verrassing, daar waren ze eindelijk zoo gelukkig, er een groote massa van te vinden. Met handen vol aten ze nu de bladeren en namen nog een goede hoeveelheid mee naar boord.

De uitwerking was verwonderlijk! Zelfs zóó, dat meester Hans er zelf verbaasd van stond. Want reeds na een uur knabbelden zoowel hij als Jacob weer beschuit, die ze in den laatsten tijd niet konden eten van pijn.

Ook de anderen vielen nu als uitgevaste schapen op het lepelblad aan en met even gunstigen uitslag.

„Meester Hans," zei Louw Willemsz, „ik ben een ouwe grompot. Maar toch moet ik je zeggen, dat je een knappe kerel bent! Daar is mijn knuist, meester, en ik belóóf je, nooit zal ik meer kwaad van het barbiersschap zeggen, zoo waar als ik Louw Willemsz heet."

„Ik wist het wel, Louw! Ik wist het wel!" sprak de meester aangedaan. „Je bènt niet zoo kwaad. Maar het was natuurlijk van de pijn, dat je zoo kon spreken."

Eerst den derden Augustus zagen ze kans, om weer verder te gaan. Dat gaf een blijdschap, dat was een opgewektheid! Eindelijk zouden ze dan toch Nova Zembla, het oord van barheid en onherbergzaamheid, waar zij zoovéél beleefd, waar zij zooveel geleden hadden, o, eindelijk zouden zij het dan toch verlaten.

Ieder was vol hoop, ieder was met nieuwen moed bezield, ieder vervulde de heerlijke gedachte:

Nu gaan we naar het vaste land!