Hoofdmenu openen

Wikisource β

Heemskerck op Nova Zembla/VIII

< Heemskerck op Nova Zembla
VII Heemskerck op Nova Zembla van Piet Visser

VIII. Groote ellende en eindelijk vertrek

IX


[ 115 ]

HOOFDSTUK VIII
 

GROOTE ELLENDE EN EINDELIJK VERTREK

Den volgenden dag was er weer hout noodig. Het bij de hut opgestapelde drijfhout lag echter geheel onder de sneeuw bedolven en buiten bleek het zoo geweldig koud, dat het stellig ondoenlijk was, het op te graven.

„Weet je wat," zei de schipper, „graaf dan een gang onder de sneeuw door naar het brandhout toe."

Nu, dat werd gedaan en het voldeed wat goed. Het was daar in die sneeuwgang volstrekt niet koud en vrij wat frisscher dan in de hut. Had men in 't vervolg brandhout noodig, dan kon men dat, zonder graven en koû-lijden, onder het sneeuwverwulf door, in huis halen.

De eerstvolgende dagen was het weer aanmerkelijk zachter, zoodat zij meer dan vroeger buitenshuis konden zijn. Ja, den 11den Januari gingen ze zelfs een kwart mijl ver naar een heuvel, waar zij steenen afhaalden, om die in het vuur te leggen tot verwarming van hun kooien.

Ook konden zij merken, dat het op den dag al wat lichter begon te worden. Immers, waar zij vroeger al een paar maal geprobeerd hadden zich met een of ander balspel te vermaken, hadden zij dit telkens moeten opgeven, omdat zij den bal toen niet konden zien rollen en dat was nu wèl het geval. Zij waren hierover wat in hun schik en kwamen meer en meer buiten de deur, om [ 116 ] zich met werpen en loopen wat te versterken, want zij bleken bijna verlamd van het zitten.

Op het midden van den dag konden zij al een weinig rood aan de lucht zien, als een voorbode van de naderende zon. Ook kwam er wat meer warmte overdag; als zij een goed vuur aan hadden, vielen er af en toe groote stukken ijs van de wanden en den zolder en dooide het in hun kooien, wat vroeger, zelfs bij het grootste vuur, nog niet gebeurd was.

Maar 's avonds vroor het altijd weer even hard. En toen eindelijk hun brandhout weer zoo goed als op was, besloten zij, om het nog eens met de kolen te wagen; maar ze hielden den schoorsteen natuurlijk goed open. Nu, zij voeren daar niet kwalijk bij, want in de hut heerschte dien avond een aangename warmte.

Toch achtte de schipper het evenwel beter, de kolen zooveel mogelijk te bewaren, met het oog op den terugtocht in de open booten. Het hout moest dan in het vervolg maar wat spaarzamer aangelegd worden.

De toestand werd er dus niet beter en prettiger op, vooral niet toen (door de slechtheid van den leverancier) sommige broodtonnen nog hun volle gewicht niet bleken te hebben, waardoor men ook met het brood voortaan wat zuiniger moest zijn.

En och, het vossen vangen begon ook al te minderen, doordat die dieren hoe langer hoe meer naar het Noorden trokken, een stellig bewijs, dat de beren weer spoedig terug zouden komen. En behalve vet, had men daar maar niets dan last van.

Den 24sten Januari was het mooi, klaar weer, en vermaakten zich weer verscheidene maats met het balspel.

„Ga je mee, Barentsz?" vroeg Heemskerck aan den stuurman. „Ik zou wel eens naar de Zuidkust van het eiland willen wandelen. Maar als ik niet een paar anderen tot gezelschap krijg, heb ik er weinig trek in."

De Veer en meester Hans verklaarden zich bereid, [ 117 ] den schipper te vergezellen. Barentsz echter gaf voor, dat hij het te druk had met een pas begonnen berekening, en dus onmogelijk mee kon.

De waarheid was, dat de kloeke man zich in den laatsten tijd ook al niet meer dezelfde van vroeger gevoelde. De koude en ontberingen hadden ook hem verzwakt, maar om den moed van het volk wakker te houden, deed hij zijn best, om daar niets van te laten blijken.

Heemskerck, De Veer en Hans Vos gingen dan, zonder den stuurman, er op uit.

„Vind je niet, meester," zei de schipper onderweg tot den barbier, „dat onze Barentsz er niet al te best uitziet tegenwoordig?"

„Ja schipper, ik heb het al vroeger gemerkt. De man doet zijn best om het te verbergen, maar hij heeft iets in zyn oogen, dat mij niet aanstaat," was het antwoord.

„Aerjansz is er al zoo slecht aan toe, dat hij het wel niet lang meer zal maken," zei De Veer, „maar als wij nu ook onzen Barentsz nog moeten missen, dan weet ik niet of het volk niet volslagen moedeloos worden zal... Maar—kijk, kijk! Goeie genade... schipper! meester!—kijk dan toch!—de zon! Groote God, de zon!" riep Gerrit de Veer en de tranen rolden hem van blijdschap langs de wangen.

Ook Heemskerck en Hans Vos waren nu buiten zichzelf van verrukking. Al was het maar o, zoo'n klein plekje van de zon dat zij te zien kregen en al ging het al gauw ook weer onder, 't was toch de zon, de vriendelijke zon, die ze maanden gemist en nog volstrekt niet verwacht hadden.

Zoo snel als hun ruwe klompen op die harde sneeuw het maar toelieten, vloog nu het drietal naar huis, om de heuglijke tijding aan Barentsz te brengen.

Meester Hans vergat voor een oogenblik zijn gewone deftigheid en stoof het eerst de hut binnen onder den [ 118 ] uitroep: „O, stuurman,—de zon . . . We hebben de zon gezien!" en viel toen hagend op een bank neer.

„Onmogelijk!" zei Barentsz. „Het duurt nog wel veertien dagen..."

„En tòch is het zoo!" bevestigde meester Hans.

„Kom, hoe hèb ik het nu met je? Je moet het je stellig verbeeld hebben!"

„Maar stuurman," zei meester Hans verontwaardigd, „zou je dan denken dat ik, Johannes Vossius, mij zóó vergissen kon?"

„Nee stuurman, de barbier heeft gelijk!" riepen Heemskerck en De Veer, die nu ook binnen kwamen. „Alle drie hebben we de zon gezien!"

„Het kan niet! Het kan niet!" zei Barentsz ongeloovig. „Of—De Veer moet zijn plicht niet gedaan en de tijdrekening niet geregeld hebben bijgehouden!"

„Hoor eens stuurman," zei De Veer, die zich warm begon te maken, „daar is geen sprake van. Alle dagen, zonder één over te slaan, heb ik een streepje gezet en toen de klok staan bleef, den zandlooper van twaalf uren gebruikt. Ik zeg u, dat ik mijn plicht geen seconde verzaakt heb!"

In een oogenblik zat Barentsz nu over zijn stuurmans boeken gebogen. Hij sloeg na en berekende en bladerde wéér in zijn boeken, om te vinden waar het in zitten mocht, doch hij kon maar niet ontdekken, dat zij zich vergist hadden.

„Mannen," zei Aerjansz kuchend, terwijl hij zich in zijn bed oprichtte: „Wat bennen jullie toch gelukkig!... Jullie hebben de zon gezien en ik—ik zal ze wel nooit meer te zien krijgen."

„Kom, kom, vrind!" zei de meester bemoedigend, „zóó moet je niet gaan praten! Ik zal je nog maar weer eens een medicament klaar maken!—Wie weet, hoe gauw je er weer boven op komt!"

Maar de meester, hoe 'n groot vertrouwen hij ook [ 119 ] gewoonlijk had in zijn eigen kunst, geloofde nu toch zelf niet wat hij zei.

Ook de zieke schudde treurig het hoofd: „Nee meester, ik voel het maar al te goed—het zal gauw met mij afgeloopen wezen. En och ik had toch zoo graag mijn ouwe, goeie moeder nog eens willen zien!"

Tranen rolden langs zijn bleeke uitgeteerde wangen en vermoeid zonk hij in de kussens terug.

Den volgenden dag, omstreeks den middag, trok ieder, die er toe in staat was, naar buiten, om toch óók de zon te zien, zoo gauw die maar zichtbaar werd.

Terwijl ze daar zoo stonden te kijken, zagen ze voor 't eerst weer een beer aankomen. Het dier stapte regelrecht op de hut aan, maar toen ze een groot lawaai maakten, nam hij oogenblikkelijk de vlucht. Van de zon kregen ze evenwel niets te zien, doordat de lucht wat donker en betrokken was.

„Zie je wel, dat jullie je vergist hebben!" zei Barentsz.

„Heb maar geduld, stuurman, als het morgen maar helder weer is, zal dat wel anders blijken!" zei de schipper.

Den anderen dag was het werkelijk helder weer, maar ongelukkig was er juist aan den horizon een bank, waardoor men ook nu weer de zon niet te zien kreeg. Toen geloofden ook de anderen, dat ons drietal zich vergist had en de plotseling opgewekte hoop begon weer in neerslachtigheid te veranderen, die toenam, toen Aerjansz dienzelfden dag gaandeweg minder en minder werd en ieder duidelijk zag, dat hij het wel niet lang meer zou maken.

Te middernacht riep de zieke zijn vriend den „Neushoorn."

Hij had het vreeselijk benauwd en voelde zijn einde nabij.

„Neushoorn" bracht hij er nog met moeite uit: „Als je terug komt... in 't Va-vaderland... groet dan... [ 120 ] mijn bra... brave moeder van..."

Verder kon de arme man niet komen. Zwijgend knikte zijn vriend hem toe, en een oogenblik later gaf de zieke den geest.

Dat was de tweede dan!

Wie zal de derde wezen? vroeg ieder zich af.

Den volgenden morgen dolven zij een grafkuil in de sneeuw, niet ver van de hut; maar het was zoo vreeselijk koud, dat zij het buiten niet lang konden uithouden en elkaar telkens moesten aflossen.

Toch kregen zij ten laatste nog zeven voet diepte, waar zij hun armen makker in begraven konden.

Het lijk werd op de baar gelegd. Reeds eenmaal had die dienst gedaan. Wie kon zeggen, of ze niet spoedig opnieuw weer noodig zou zijn?

De schipper hield een korte toespraak, waarin hij tot berusting in den wil des Heeren vermaande. Hij durfde nog hopen...

Toen werd door allen een psalm aangeheven, die aan deze hoop uiting gaf... Daarna werd het lijk uitgedragen...

Enkele scheppen sneeuw, toen de doode in zijn kille grafplaats was gedaald... Hiermee was de plechtigheid afgeloopen.

Zwijgend ging men tot den vrookost[1] aan tafel zitten. Ook na het begrafenismaal heerschte er nog zooveel neerslachtigheid, dat geen van allen sprak.

„Dat gaat verkeerd," dacht Barentsz, en om nu toch maar iets te zeggen, begon hij te praten over de groote hoeveelheid sneeuw, die dagelijks viel.

„Ja," zei de schipper; „en dat uitgraven is toch altijd een heel karwei!! We zouden ook eigenlijk best, als we weer ingesneeuwd raakten, door den schoorsteen kunnen klimmen om buiten te komen. Ik wil het dadelijk eens probeeren!"

[ 121 ] En waarlijk, op hetzelfde oogenblik klom de schipper, wien het eigenlijk alleen te doen was om het volk wat afleiding te geven, naar boven.

Sterrenburgh vloog de deur uit, om te zien, of Heemskerck, buiten, den schoorsteen uitkwam. Maar langs de uitgehouwen trappen op den sneeuwgrond gekomen, riep hij opeens in de grootste opgewondenheid: „Hei, hola!... schipper!... Kerels, allemaal! Kom toch, kom toch ereis gauw buiten! De zon! De zon!"

Ieder die niet àl te zwak was stoof nu de hut uit en—ja, daar zágen zij de zon: in haar volle rondheid stond zij éven boven de kim.

„Zie je nu, stuurman, dat we ons niet vergist hebben, den 24sten?" vroeg de schipper.

„Ik begrijp er niets van. Ik begrijp er niets van!" mompelde Barentsz.

Maar de anderen vroegen niet of zij het begrepen of niet begrepen. Zij zágen de zon, dat was hun genoeg! Wij, die dagelijks in het daglicht mogen leven, wij kunnen ons niet voorstellen, wat er in die arme mannen moet omgegaan zijn, toen zij daar, na maandenlangen nacht, eindelijk, eindelijk de zon weer mochten zien. Ze drukten elkaar de hand en lachten en schreiden tegelijk en keken dàn weer naar de kim, naar die ronde, roode schijf, dansend van opgewondenheid.

„Goddank, nu is er weer hoop!" riep men vóór en nà met een zucht van verlichting. En in de hut teruggekomen, vereenigden allen zich in een kort, maar innig dankgebed.

Met de terugkomst van de zon begonnen de maats meer dan ooit naar het Vaderland te verlangen. Nu zou het schip wel gauw loskomen, meenden zij en kon dan nog wel zóó hersteld worden, dat zij er spoedig de terugreis mee konden doen, of er althans mee naar het vaste land oversteken. Want om den terugtocht in twee open booten te wagen, dat was toch iets waar zelfs een oude [ 122 ] verweerde zeebonk als Louw Willemsz tegen opzag.

Schipper en stuurman wisten evenwel maar al tegoed, dat „De Volhouder" vooreerst nog niet los zou raken, dat nog lang het ergste niet geleden was. De zon was teruggekeerd, ja, maar—zij waren pas aan het einde van Januari! En wat kon het in 't Váderland nog vaak winteren in Spròkkelmaand! Zoo zou het ook op Nova Zembla wel zijn.

Nu, dat wàs dan op Nova Zembla ook zoo. Spoedig bleek het maar al te zeer. Sneeuwstormen huilden aanhoudend om de hut en keer op keer zaten zij meer dan ooit onder de sneeuw begraven. De met de zon plotseling opgewekte hoop en levenslust werden minder van dag tot dag. Het volk werd gemelijk en korzelig en ziek van gebrek en verveling.

Om zoo goed zij konden het ziek worden te voorkomen, dachten Barentsz en Heemskerck alles uit, om de maats zooveel mogelijk werk en beweging te bezorgen.

Er viel eigenlijk niet veel meer te doen dan hout te halen, te hakken en op te stapelen en daarom liet de schipper balwerpen, wedloopen houden, ja zelfs krijgertje spelen, zoo vaak men maar eenigszins buitenshuis kon. Maar 't hielp niet veel—het volk bleef knorrig en moedeloos. En daar het eten aanhoudend soberder begon te worden, werden zij zwakker met iederen dag.

Den 12den Februari, toen men de sprengen stelde, in de hoop nog eens een witten vos te vangen, kwam er opeens een groote ijsbeer op hen af. Zij haastten zich om hun musketten te halen en een oogenblik later was het dier al geschoten. Zij kregen er wel honderd pond vet van, dat hun uitstekend te pas kwam. Want om vet te sparen hadden zij al verscheidene nachten de lamp niet gebrand. Nu had men weer volop! Niet alleen voor de groote lamp, maar zij brandden zelfs een lamp in elke kooi, waarbij zij lezen konden. Dit lezen zoowel als [ 123 ] andere tijdkorting gaf nu weer heel wat afleiding. En dat was gelukkig, want de helft van den tijd zat men opgesloten. En wanneer het weer het toeliet om buiten te komen, kon men toch niet den geheelen dag loopen en draven en balspelen!

Den 21sten zaten zij weer diep onder de sneeuw, met bijna geen brandhout meer. Door hier en daar in de hut iets af te breken en eenige leege tonnen stuk te hakken, wisten zij zich echter nog te behelpen.

Den volgenden dag was het stil weer en men besloot, in spijt van de algemeene lichaamszwakte, een slee met drijfhout te halen.

Met elf man tegelijk en goed gewapend, trokken zij naar de plaats waar zij 't meenden te vinden. Maar ach, het bleek zoo diep onder de sneeuw bedolven, dat de arme, verzwakte kerels het er onmogelijk onder vandaan konden krijgen. Er schoot niets anders over dan nog een groot eind verder te gaan, waar zij, na heel veel moeite en inspanning, nog wat bekwamen.

Droevig was het, zoo die elf man met dat kleine vrachtje hout naar huis sukkelden. Telkens en telkens moesten zij de slede laten staan om wat uit te rusten, zóó hadden koude en ontbering die eertijds krachtige lichamen uitgemergeld.

„Ik geef den moed op, mannen!" zuchtte Piet Pietersz. „Nu zijn we al zoo zwak, dat we dat beetje hout bijna niet naar de hut kunnen brengen. Waar moet dat heen? Morgen of overmorgen zijn we zoo krachteloos, dat we heelemaal geen hout meer kunnen halen. En dan—dan moeten we natuurlijk omkomen van kou."

„Hoor eens, Pietersz," zei de schipper streng, „met je geklaag zijn we niet geholpen. Komaan, makkers, nog maar eens alle krachten ingespannen. Vooruit!" En zoo wisten ze de slede eindelijk toch thuis te brengen.

Dicht bij de hut gekomen zagen zij in zee veel open water, wat zij in lang niet gezien hadden. Dat gaf hun [ 124 ] weer wat moed om op betere tijden te hopen.

Vijf dagen later was echter het gehaalde drijfhout al weer voor het grootste deel verbruikt; en daar het dien dag fel koud was, raakte 's avonds de brandstof zoo goed als op. Zij zouden morgen dus weer anderen voorraad moeten halen en met schrik dachten zij terug aan den laatsten, moeizamen tocht. Te meer nog omdat de goedige, stille Jan Fransz ook al niet meer mee kon gaan. Want het voorste lid van zijn grooten teen was den armen man afgevroren.

Door tien man werd dan opnieuw een slee met hout gehaald. Wel droegen zij nu, in plaats van klompen, vilten schoenen, die ze uit oude hoeden gemaakt hadden, maar toch, de arbeid viel hun niet minder zwaar dan den vorigen keer.

Zóó droevig was het aan het einde van Februari gesteld.

Maart deed zijn intreê en bracht aanvankelijk eenige verbetering. De zieken die zij hadden fleurden weer op, maar langzamerhand werd het kouder en kouder en zij stortten weer in, omdat zij zich te vroeg vermand hadden. Ja, twee weken later werd het zelfs weer zóó koud, als het nog den heelen winter niet geweest was.

En zij bleven wachten, wachten, of het schip dan toch eindelijk niet eens los zou komen.

Soms zagen ze, na een geweldigen storm, overal open water in zee. Dan hadden zij weer hoop, dan kregen zij weer moed; maar ach, eenige dagen later kwam vaak al het ijs weer naar binnen drijven en daarmee waren moed en opgewektheid ook weer verdwenen.

En zoo, wachtend onder hoop en teleurstelling, ging de tijd zijn gang. De eene dag verliep na den anderen; weken gingen voorbij; Maart was al lang ten einde; ja men leefde al ver in April en nog altijd was het schip niet losgeraakt. Integendeel, het lag, door een aanhoudende opschuiving, nog veel dieper in het ijs, dan vroeger.

[ 125 ] Wat moest dat worden, zoo vroeg men zich dikwijls angstig af? Zou men dan nooit hier vandaan komen? En toch, lang kon men het zoo niet meer uithouden. De levensmiddelen verminderden op een onrustbarende wijze en dikwijls moesten zij hun toevlucht tot de steenkolen nemen, omdat zij zich vaak te zwak gevoelden om hout te halen. De beren, uit hun winterslaap ontwakend, kwamen hoe langer hoe meer terug en werden met den dag brutaler. Ze daalden de sneeuwtrappen af en poogden het huis binnen te dringen, ze klommen 's nachts op het dak, scheurden het zeil los, schudden aan den houten schoorsteen en gingen te keer, dat het verschrikkelijk was om aan te hooren.

Vossen daarentegen werden niet meer gevangen en op den eersten Mei kookten zij reeds hun laatste vleesch. „'t Is toch heel goed gebleven!" zei De Veer, toen zij aan het middagmaal zaten.

„Ja," zuchtte Sterrenburgh, „de leste beet smaakt nog net zoo goed als de eerste."

„En tòch had het vleesch een gróót gebrek," merkte Jacob aan.

„En dat wàs?" vroeg meester Hans.

„Wel, dat het langzamerhand òp ging!" was het antwoord. En in al hun ellende moesten zij toch nog even lachen om den guit.

De beste spijzen, als vleesch en grutten, waren dan op. En omdat het volk toch wat áán moest sterken voor den arbeid die hun wachtte, deelde de schipper het laatste vaatje pekelspek uit.

Elk kreeg twee ons per dag; dat duurde zoo drie weken, toen was dat ook al weer op.

Als het weer het maar eenigszins toeliet, gingen er eenigen van de maats naar het schip, om te zien of dit ook wat losser mocht geworden zijn. Maar telkens weer vonden zij zich in hun verwachting teleurgesteld: muurvast lag het nog immer door de opgeschoven ijsschotsen omsloten.

[ 126 ] Op een dier tochten naar „De Volhouder" zagen ze plotseling een geweldigen beer, die regelrecht op hen aankwam.

„Kijk," riep Jacob, „dat is toch vriendelijk! Die sinjeur komt ons gezelschap houden!"

„Bewaar nu je praatjes maar," bromde Louw Willemsz, „en hou liever je „vuursteen" gereed!"

De overigen waren deels met musketten, deels met pieken gewapend.

„Aangesloten, mannen!" commandeerde Gerrit de Veer.

Allen hielden nu hun wapen gereed en onder het zingen van een „Wilhelmus" marcheerden zij moedig op den brutalen aanvaller los.

De beer kreeg zoo'n respect voor hun zangerig en heldhaftig optreden, dat hij plotseling verrast staan bleef en een oogenblik later de vlucht nam.

„Hebben jullie gezien, waar het dier vandaan kwam?" vroeg Hooghwout.

„Zeker," zei De Veer, met zijn spies wijzend. „De schelm is van dien kant komen aanzetten en heeft bij gindsche hoogte zijn draai naar ons toe genomen! Hoe vraag je dat zoo?"

„Wel, dan zou ik graag eens willen kijken of hij daar allicht zijn hol heeft."

Ook de anderen hadden hier wel lust in. Zij volgden dus den weg dien de beer had genomen en weldra vonden zij een ijshol van meer dan een manslengte diep. Vóór was het tamelijk nauw, maar zij zagen dat het naar achteren wijd uitliep.

„Nu moest moeder de vrouw eens thuis wezen," zei Jacob, „en ons voor ontbijt willen gebruiken!...."

„Dat kunnen we gauw genoeg aan de weet komen," zei De Veer en hij stak zijn spies in de opening, welk voorbeeld door Louw Willemsz gevolgd werd.

Er kwam echter niets voor den dag, waarop Jacob zich op den grond liet vallen en op handen en voeten [ 127 ] het hol inkroop. Meester Hans, dit ziende, vergat van schrik opeens zóó zeer zijn deftigheid, dat hij den roekeloozen snaak bij de beenen greep, om hem er weer uit te trekken.

Jacob dacht nu niet anders, dan dat de eerste beer weer teruggekomen was en hem te pakken gekregen had... Hij gaf een schreeuw van ontzetting!...

„Goeie genade, daar heb je 't al!" riep Meester Hans en hij trok zóó hard, dat hij achterover rolde en de scheepsjongen op hem neerplofte.

„Help! help!" gilde de meester ontsteld, want hij vreesde dat het plotseling om zijn leven ging.

De maats zagen echter niemendal en schaterden het nu uit van de pret om de dwaze vertooning die de anders zoo deftige barbier thans maakte.

„Maar wat bespeurde je dan toch?" vroeg Hans Vos aan den scheepsjongen, toen beiden zich weer overeind gekrabbeld hadden.

„Dat iemand mij aan de beenen trok!" gaf Jacob doodleuk ten antwoord.

„Maar in 't hol? Wat was dáár..."

„Niets te zien, hoor! Ik stel dus voor, om nu maar weer verder te gaan."

Aan de baai gekomen zagen zij, dat het schip nog altijd bekneld, maar de zee geheel open was en zij besloten, om ditmaal eens geheel tot aan het water door te dringen. Gemakkelijk bleek dit niet, want het ijs dat zij over moesten, had weinig van een spiegelgladde baan op den Amstel. Hobbelig, vol heuvels en sneeuwbergen, op sommige plaatsen met aarde bedekt, scheen het dat zij meer met land dan met ijs te doen hadden. Groote en kleine ijsblokken, ravijnen en sneeuwheuvels versperden hun aanhoudend den weg en vermoeid bereikten ze eindelijk den rand van het laatste ijsveld.

Maar wat heerlijk genot nu voor onze varensgasten, om zich den frisschen zeewind weer om de ooren te [ 128 ] voelen waaien, te zien hoe het water spatte aan hun voet en het vlokkige schuim door den wind over het ijsveld stoof!

„Een vogel!" riep Jacob opeens. Allen zagen in de aangewezen richting, 't Bleek een soort van kleine snip, van boven blauwachtig grijs, van onderen wit, en met rossige pooten. Het diertje trippelde dicht bij hen langs den oever en monsterde elke aanrollende golf, of er ook wat eetbaars meekwam.

„Een goed teeken, mannen!" zei Hooghwout verheugd.

„Hoe dàt zoo?" vroegen sommigen.

„Wel, dat vogeltje ken ik. 't Is de Rosse Franjepoot. 'k Heb dat diertje meer dan eens aan het Hollandsche strand gezien. Wel te verstaan, in den winter! Want 's zomers gaat het naar deze streken. Dat we het hier dus op 't oogenblik aantreffen is een bewijs, dat de zomer aanbreekt en het spoedig geheel open water zal wezen!"

„Hoezee!" riep Jacob. „Leve de Rosse Franjepoot!"

Maar verschrikt door dit lawaai stoof het diertje hals over kop in zee, dook onder en—weg was 't!

Vol hoop echter keerden allen weer naar huis, overtuigd dat weldra de tijd van vertrek zou aanbreken.

Maar ofschoon het Mei was bleef het weer nog altijd hetzelfde. Den eenen dag dreef de storm al het ijs de ijshaven uit, zoodat ze een groot deel open zee zagen, en een dag of wat later kwam het weer in groote massa's terugdrijven.

Toen ze bovendien den 7en Mei weer goed en wel ingesneeuwd zaten, begonnen de maats ongeduldiger te worden dan ooit te voren.

„We wachten en wachten maar op warmer dagen," bromde Louw Willemsz, „en intusschen zullen we hier nog omkomen van gebrek."

„Ja, 't weer zal hier wel nooit beter worden," zei Piet Pietersz. „Zoodra het opnieuw open water is, moeten we [ Afb ]

VisserHeemskerckNovaZembla 0143b.jpg

 Droevig was het, zoo die elf man met dat
 kleine vrachtje hout naar huis sukkelden.

[ 129 ] met de booten weg, of we zullen hier omkomen van honger!"

„We dienen er den schipper over te spreken, dat het meer dan tijd wordt om hier vandaan te komen," morde Sterrenburgh.

Maar de een voor den ander durfde het niet te vragen. Immers, had de schipper niet gezegd tot het einde van Juli te willen wachten, op 't best van den zomer, in de hoop dat het schip nog los mocht raken?

Maar zóó lang hadden de arme kerels geen geduld meer en ten leste spraken zij er Barentsz eens over en vroegen hem, wanneer ze nu toch eindelijk eens van Nova Zembla zouden raken?

Barentsz maakte er zich met een vriendelijk praatje af, want och, de man was ziek en begon misschien ook al moedeloos te worden.

Er kwamen nu eenige mooie, heldere dagen achter elkaar, maar het schip bleef even vast in het ijs zitten. Het volk werd echter hoe langer hoe ongeduldiger. En toen ze half Mei nog eens een vrachtje hout gehaald hadden, drongen zij er bij den stuurman zóó sterk op aan, den schipper over hun vertrek te spreken, dat hij beloofde het den volgenden dag reeds te doen.

Den anderen morgen was het goed weer, zoodat alle maats zich de leden konden oefenen met springen, loopen, kolven en balwerpen.

Terwijl zij daarmee druk in de weer waren, ging Barentsz den schipper het verlangen der manschappen kenbaar maken. Heemskerck antwoordde, dat hij niet langer meer wachten zou dan déze maand uit. Was het schip nòg niet losgeraakt, dan zouden zij den terugtocht met de schuit en den bok maar wagen.

De maats waren met dit antwoord zeer in hun schik, maar toch, het duurde hun nog lang genoeg en in hun ongeduld tèlden zij de dagen.

Maar toen het weer een dag of vijf later weer heel [ 130 ] slecht was, werd het volk opnieuw korzeliger dan ooit. Het kwam in zijn ontevredenheid zóó ver dat er drie, namens al de anderen, den schipper vroegen, of het nu toch geen tijd werd om wat gereedheid te maken, als zij nog weg zouden.

„Wat denk je, mannen," zei de schipper, „dat ik mijn leven niet net zoo lief heb als jullie? Maar liever zou ik met het schip dan met de booten weg gaan. Je hebt er geen denkbeeld van, wat gevaren ons in het laatste geval zullen wachten.

Maar, weet je, wat je doet? Begin alvast met je kleeren in orde te maken en alles wat tot de reis dienstig is. Later heb je daar mogelijk geen tijd voor!"

Nu, dat gaf alvast afleiding. Ieder zette zich aan het werk en binnen een paar dagen reeds hadden allen hun kleeren in orde. Maar toen ook drongen zij opnieuw en zóó krachtig op vertrek aan, dat de schipper beloofde te trachten, zoo gauw mogelijk weg te komen.

„Haal alvast maar alles van boord, wat voor de bok en de schuit noodig is," klonk zijn bevel, „want je begrijpt, daar dient heel wat aan getimmerd te worden, vóór we er ons mee in zee kunnen wagen!

We hadden vandaag eigenlijk hout moeten halen, doch dat moet later dan maar. Breek nù het portaal maar af! Dan zijn we vooreerst tenminste geholpen!"

Zoo gebeurde het en toen men het portaal had afgebroken en tot brandhout verhakt, werden zeilen, katrollen en touwwerk van boord gehaald tot toerusting van de beide booten.

In het laatst van Mei gingen zij met tien man naar de schuit om die nabij het huis te vertimmeren. Ze vonden haar diep onder de sneeuw liggen en pas na heel veel arbeid slaagden zij er in, haar uit te graven. Zij bleken echter te zwak en uitgeteerd, om de schuit naar huis te sleepen en moesten het opgeven.

Moedeloos en versuft kwamen zij in de hut terug om [ 131 ] uit te rusten, en klaagden, dat zij te krachteloos waren om hun werk te doen.

„Ja, hoort eens, mannen!" zei de schipper, die onder alle omstandigheden zich steeds den kloekste getoond had, „bedenk wèl, dat van die schuit ons leven afhangt. Als we die niet weg krijgen moeten we burgers van Nova Zembla blijven en kunnen ons graf wel uitkiezen. Elk moet dus maar eens wat meer doen dan hij kan. Laten we het dan nu eerst eens met de bok probeeren, dat zal mogelijk beter gaan."

Nu, dat ging dan ook beter, want het gelukte hun, de bok, die onderste boven lag, óm te werpen en vlak bij het huis te sleepen.

Dadelijk begonnen, wie daar geschikt toe waren, haar te timmeren en op te boeien, terwijl de anderen binnenshuis de zeilen en het touwwerk gereed maakten.

Zoo werd eenige dagen achtereen met opgewektheid doorgewerkt, niettegenstaande zij onophoudelijk aanvallen van beren hadden af te slaan.

„'t Is of zij geroken hebben, dat wij spoedig weggaan," zei Hooghwout.

„En nu willen ze zeker eerst nog wel eens een proefje van ons hebben!" viel Jacob in.

„'t Zou de dieren niet erg meevallen, vrind!" zuchtte „de Neushoorn," terwijl hij met een weemoedigen blik naar zijn vermagerde handen keek.

Den laatsten van Meimaand, toen zij druk aan het timmeren waren, kwam er alweer een beer op hen af, dien ze echter oogenblikkelijk neerschoten.

Door den honger gedreven gingen zij er toe over, de lever van het dier te koken en op te eten. Maar het bekwam hun al bitter slecht; bijna allemaal werden ze ziek en Hillebrantsz, Hooghwout en Sterrenburgh, die er het meest van gegeten hadden, het ergst. Alle drie vervelden ze van het hoofd tot de voeten. Maar gelukkig, meester Hans wist ze aan het zweeten te brengen [ 132 ] en dáárdoor—volgens de meester—kwamen zij er toch weer bovenop.

„Als de léver al zoo kwaadaardig is," zei de Kromme, „dan zullen we aan het andere vleesch maar heelemaal niet beginnen!"

Neen, dat vonden de anderen ook. En toch, hadden zij het maar gedaan, dan zou heel wat ellende voorkomen zgn. Later bleek hun, dat berenvleesch best te gebruiken is. Maar nu wisten ze dat nog niet en—ze leden honger!

Toen zij, na een dag of wat, zich een weinig beter gevoelden en ook ons drietal weer wat hersteld was, arbeidden ze opnieuw met alle macht aan de bok en ze wisten het zoo ver te brengen, dat zij haar dien dag nog heelemaal klaar kregen. En toen nu 's avonds door een stevigen Westenwind de zee weer heelemaal open werd, hadden zij weer alle hoop, dat nu hun verlossing wel gauw zou volgen.

Vol moed trokken zij den anderen morgen met elf man opnieuw naar de schuit en daar zij thans meer aan den arbeid gewoon waren dan vroeger, slaagden zij er ditmaal in, haar bij het huis te sleepen. Toen begonnen zij ook deze op te boeien en verder tot de groote reis in gereedheid te brengen en dat, in weerwil van hun zwakheid, met een ijver, die bewonderenswaardig was.

Maar te midden van dien moeizamen arbeid kwam er zoo'n zwaar onweer met sneeuw, hagel en regen, dat de timmerlui moesten ophouden en in huis vluchten.

Doch ook hier konden ze niet droog blijven. Want daar zij de planken van het dak hadden weggenomen om er bok en schuit mee te timmeren, was alleen nog maar het zeil overgebleven en dat bleek allesbehalve waterdicht te zijn.

Gelukkig was het den volgenden dag mooi weer. Het werk had nu zoo'n goeden voortgang, dat een week later de beide booten kant en klaar waren en van [ 133 ] pressenningen voorzien, om zooveel mogelijk het instorten van het zeewater te keeren.

Ze moesten dus alleen nog maar te water gebracht worden. Met bijlen en houweelen had men daags te voren den weg reeds geëffend, waar men langs te sleepen had.

Barentsz, zoowel als Claes Andriesz, waren te ziek geweest om naar het werk te komen kijken. Maar nu het er al zóó ver mee stond, zei de schipper aan den stuurman, dat de wind heel gunstig en de zee open was, zoodat hij het wenschelijk achtte, om de reis nu maar te aanvaarden.

Willem Barentsz had inmiddels een geschrift opgemaakt, dat in 't kort hun wedervaren behelsde en waarin met nadruk verklaard werd, dat de nood hen dwong, het schip achter te laten en den terugtocht met de booten te wagen. Dit stuk werd in een musketmaat gedaan en in den schoorsteen opgehangen.

In denzelfden geest schreef nu ook de schipper twee verklaringen, voor elke schuit één, voor het geval zij van elkaar mochten geraken en liet beide verklaringen zooveel mogelijk onderteekenen.

Nu werden schuit en bok te water gebracht en niet minder dan elf sleden met victualie en koopmansgoederen aangesleept. Dat alles scheen dan ook onmogelijk in de schuiten te kunnen en toch had men nog een heeleboel in de hut moeten achterlaten.

Eindelijk was alles ingeladen. Toen werd eerst Willem Barentsz en daarna Claes Andriesz, die beiden heel ziek waren, op een slede gezet en naar de twee vaartuigen getrokken. Elke schuit nam een zieke in; en toen al die werkzaamheden afgeloopen waren, ging men vermoeid ter ruste, om voor 't eerst weer te slapen aan boord van een vaartuig.

Omstreeks vijf uur in den morgen vroeg Barentsz aan de wacht: „Hoe is de wind, vriend?"

[ 134 ] „Nog altijd West, stuurman!"

„Komaan, roep dan het volk!" was het antwoord. „We gaan vertrekken!"

Vermoeid viel de dóór en dóór uitgeteerde man in zijn kussens terug. Er ontstond nu voor een oogenblik een algemeene bedrijvigheid. Daarna werd alles stil. Ieder wachtte slechts op het teeken van den stuurman, om van wal te steken.

Het was een oogenblik van vreemde ontroering...

Nog éénmaal zagen ze om naar het „Behouden Huys," waar zij tien lange, bange maanden in hadden doorgebracht,—nog éénmaal keken zij naar „De Volhouder," die nog onwrikbaar tusschen de hooge, geweldige schotsen in zat.—Een lange, weemoedige blik ten laatste over de sneeuwvelden en ijsheuvels nabij hun rampzalige woning...

Toen gaf Barentsz het teeken...

„Zet af!" klonk het. En daar zeilden de kleine scheepjes heen, om, zoo rank en zoo broos als zij waren, een weg van honderden mijlen af te leggen. En toch, allen waren vol moed bij de gedachte, dat zij eindelijk, eindelijk op weg waren naar het vaderland.

„God zegene ons!" sprak de schipper en ontblootte het hoofd.

„God zegene ons!" murmelde het van ieders lippen.

 

  1. Begrafenismaal