Het huis Lauernesse/De eerste martelaar der hervorming

Het juk der broederschap Het huis Lauernesse (1885) door A. L. G. Bosboom-Toussaint

De eerste martelaar der hervorming

Aan de rand van den afgrond
Uitgegeven in 's-Gravenhage door Charles Ewings (bij drukkerij Thieme, Nijmegen).

[ 470 ]

XXVII.
De eerste martelaar der hervorming.



En nu moeten wij den voet zetten op een grondgebied, dat der Geschiedenis in eigendom toebehoort; wij moeten spreken over het sterven van Johannes Pistorius. Een onderwerp, misschien te gewijd voor den roman, en waar de verbeelding niets van het hare mag bijdoen; maar toch, de roman moet ditmaal het wichtige feit in zijne luchtiger vormen opvoeren, en de verbeelding moet het recht hebben het hoofd van het standbeeld met hare stralen te omgeven, en, aan den voet er van, haren wierook te branden, en de Geschiedenis, de strenge, die alleen koele waarheid geeft en die toejuichen mag noch misprijzen, kan het haar niet misduiden, dat zij hare kleur geeft en hare warmte aan het beeld, opdat het zich te zoeter in het geheugen invleie, maar het moet zijn als het vernis op de schilderij, dat geenen trek uitwischt noch bijvoegt, maar er slechts het blinkend waas over heenwerpt. — Ge leest het verhaal der oude geschiedschrijvers, weergegeven door mijne pen.

Het was nu de vijftiende September, de dag, waarop in Holland het eerste bloed zou vergoten worden voor het nieuwe denkbeeld, dat de kiem ging leggen tot deszelfs maatschappelijke en zedelijke vrijheid. — »De dag, waarop der schreiende en vertoornde Moedermaagd een zoenoffer zou worden aangeboden, ter bevrediging harer geschondene waardigheid!” meenden de broeders van den Rozenkrans en de andere monniken, toen ze, met zwaaiende bedevaantjes in de hand, de kruisen en Heiligenbeeldjes opgeheven boven de hoofden, in plechtigen optocht het plein des gerichts rondtrokken, en zich schaarden dicht bij het [ 471 ]vreeselijk strafgevaarte. »De dag, waarop de eere van de Kerk en het gezag des Landheers zou gehandhaafd worden tegen gevaarlijke nieuwigheidszucht en vermetele ongehoorzaamheid,” dachten geestelijke en wereldlijke Rechters, toen zij plaats namen op de hooge tribunen, voor hen daargesteld. »Het was de dag, waarop een lid, dat eene smet had geworpen op hun lichaam, dat er ergernis had gegeven en schande, zoude worden uitgeworpen uit hun lichaam,” dachten de Bisschop van Hebron en de Abten, die dezen zouden bijstaan in de plechtigheid der ontwijding. »Een dag, die eene daad ging volbrengen, vreeselijk en treurig, maar noodig en heilzaam voor de herstelling van orde en tucht in Kerk en Staat,” meenden de bezadigdsten onder de burgers, die Roomschgezinden waren »Een heerlijke dag van glorie en zegepraal, waaraan de lieve Heere Jezus en Zijne Moeder en alle Heiligen samen een welbehagen zouden hebben!” riep eene opgewonden partij, die alleen zag door bet oog eener gloeiende dweepzucht en van het dompigste bijgeloof. »Een dag der dagen, waarop de heilige zaak van God en Zijnen dienst, afgescheiden van die des Pausdoms, zou verheerlijkt worden in de standvastigheid van haren martelaar! ” jubelden weder de opgewondensten onder de Evangelischen, die daar rondom stonden, niet minder met vlammende dweperij in het oog, niet minder met ongeduldige geestdrift in de trekken. »Een dag van bloed en van schrik, die wel het gruwelijk voorspel kon zijn van vervolging en lijden, voor wie vrij wilde zijn in geweten en gedachten,” meenden de rustigsten onder de vrijzinnigen, toen zij den zorgvollen blik ophieven naar de schrikwekkende toebereidsels. Zoo beschouwde ieder den dag op eigene wijze; maar allen kwamen dáárin overeen, dat het een gewichtige moest zijn, en van groote beteekenis voor de toekomst. En toch heerschte er onder geheel die volksmenigte, toegevloeid uit alle oorden van Holland en menig gebuurlandschap, met uitzondering van enkele dolzinnig verblinden, een geest van onrust en ontzetting, als wel nooit bij eene strafoefening om gewone misdaden geheerscht had. Het was ook zoo iets zeldzaams, het zwaard der wereldrijke macht te zien zwaaien boven het hoofd van eenen gewijden Priester. Zoo een zulke niet gespaard werd, wie zou dan op genade [ 472 ]kunnen hopen? Eene beschuldiging, als welke dezen den kerker ontsloot kon hen of de hunnen treffen in het naastvolgend oogenblik: wie toch was zóó oprecht der Kerke toegedaan, dat zij hem niet bereiken kon? Ketterij kon voortaan het wachtwoord worden, waarmede een vijand zich wreken kon op zijnen vijand; het werktuig, waarmede de hebzucht het goed van den nabuur tot zich kon trekken; het dwangwoord, waarmee gekrenkte priestertrots en sluipende monniksbegeerte vromen en zwakken overbluffen konden en tot hunnen wil brengen. En nog zou het voor die Hollanders, in wier borst altijd eene sprank gloorde van onafhankelijkheidszucht en gezetheid op voorrechten, niet zoo angstwekkend eene gebeurtenis geweest zijn, die strafoefening, zoo die moest uitgevoerd worden in den naam van eenen Heer, als hunne vroegere Graven uit een der verstorvene stamhuizen; Graven, die geene macht hadden gehad, dan die zij hun toekenden; geene krachten, dan die genomen waren uit hunnen boezem, met hunne voorkennis, met hunne toestemming; Graven, die geen leger konden wapenen, dan met Nederlandsch goud, en geenen strijd strijden, dan met den arm van hunne zonen. Maar deze, die Koning was van geheel Spanje en Keizer van het Heilige Roomsche Rijk, wien de schatten der nieuwe wereld ten dienste stonden, van wiens bezitting zij slechts een klein deel uitmaakten, hoe laag moest hij op hen nederzien en hoe weinig eerbied hebben voor hunne rechten, kleine burgers, als ze waren! hij, die den voet zette op het hoofd van Keurvorsten, en die den Bisschop van Utrecht, eene onafhankelijke Mogendheid, nog zoo kortelings en zoo willekeurig, als zijn afhangeling had behandeld en in rechten en macht verkort! Wat moest een Heer, als deze, niet durven, niet kunnen en niet willen, na eenen eersten stap als deze? Ik zal niet spreken van de gespannen verwachting dier menigte, reeds zoolang te voren daarheen gesneld, om het slachtoffer van den dag te zien, dat er tevens de held van zijn zou; van die brandende belangstelling der vlammende nieuwsgierigheid, die woelde onder die opeengedrongen menschenmassa, en die straalde uit hunne turende oogen; liever bespiede ik den kerker en wat daar omging. Onder de medegevangenen van Pistorius, [ 473 ]met hem opgesloten in hetzelfde treurverblijf, heerschte niet die stomme verslagenheid of dat onvruchtbare medelijden, dat er onder zulke lotgenooten heerschen moet, als één hunner op het punt is om uit hun midden weg te gaan, niet tot de vrijheid, maar tot den dood; veeleer zagen zij op hem met eene verhevene blijdschap, als ging hij den kerker verwisselen voor eene eeuwige vrijheid, waarin ook zij weldra meenden te deelen; want de Heer van Viterbo had wel zeker woord gehouden! op zijnen aandrang waren de rechters overeengekomen, met deze Lutheraansche beschuldigden eenen snelleren gang van rechtspleging te houden, en morgen, misschien reeds morgen, gingen zij hunnen voorganger volgen! Wie hunner een oogenblik had van zwakken moed of van verflauwde geestdrift, zag zich gesterkt en tot herlevende geestkracht opgewekt, door het machtige woord van Pistorius zelven, die, met bezieling in het oog, niet ophield te spreken, in de taal der vervoering, van eene zaligheid, waarbij al wat haar nog voorafgaan moest, wegviel en verbleekte als ijdele, zwakke spookgestalten, die slechts kleinen van geest konden verschrikken. O! het was treffend te zien, hoe die mannen, die gezamenlijk den nacht hadden doorgebracht, elkander versterkende met het woord van God, kracht tot lijden scheppende uit den blik op Jezus’ kruis, en het geloof vermeerderend door het gebed, daar nu bijeenstonden rondom dengenen, die hen voorgaan zoude in den grooten strijd. O! wel waren hem de voeten geboeid; wel zat hij neder op dezelfde bank, waar de misdaad had gelasterd en de doodsangst gekermd; wel omgaven hem de wanden, die geene sterke menschenhand konden breken; maar vrijer toch was er geen, die daarbuiten leefde, vrijer geen van zijne rechters, die dezen kerker konden ontsluiten, want zijne, ziel was vrij geworden door de gemeenschap met God, en hij voelde de boeien der aarde niet meer, en hij was gekomen tot de hoogste zedelijke vrijheid, waartoe een mensch geraken kan: met Gods hulp had hij de zwaarste boei van zich geworpen, de zonde! En merkwaardig was het, dat twee wezens, die anders de zwakheid verpersoonlijken naar lichaam en naar geest: de grijsaard en de vrouw, dáár aan zijne zijde stonden, als twee krachtige zuilen voor zoo heerlijk eenen tempel. De [ 474 ]grijsaard, de vader, zat aan de voeten van den jeugdigen zoon, met een gebogen lichaam, maar met ongebogen ziel, met de blinkende zilverkroon van den ouderdom op het hoofd, maar ook het gelaat blinkend van eene edele berusting, een wederschijn van Abraham’s rust, toen hij met Izaak optoog naar den berg Moria, waar God in het offer voorzien zou. En de vrouw, Johanna, met hoeveel gloeiende verrukking in het groote zwarte oog, staarde zij op den echtgenoot, wiens hand zij in de hare hield gevat! Dat oog, vroeger tranenloos uit vrouwelijken trots, was nu zonder tranen, uit Christelijke onderwerping. Neen! de heiligheid van haars Heeren vierdag mocht niet ontwijd worden door een laffen vrouwentraan; neen, de martelaar mocht geene andere gade hebben, dan de geloofsheldin, geene weeke schreister, die snikkend de doodsure van hem wegweren wilde. Had ze vroeger, in den eersten gloed van eenen hartstocht, die haar verraste, den man lief gehad boven den geloofsheld, en zijn leven boven Gods eer; in de lange dagen zijner gevangenschap had zij zich gewend aan het offer; nu zou ze toonen, dat de martelaar haar liever was, dan den echtvriend, dat zij deelen durfde in zijne zegepraal door er bij te jubelen. Zelve sprak de moedige haren man een deel der woorden toe, door Luther, na het martelaarschap van Voës en Esch, tot de broeders in Nederland gericht: »Gij zijt de voornaamsten geworden, aan welken wij groote vreugde beleefd hebben; want gij zijt nu zoo vol vrucht en sterkte geworden, dat gij het Evangelie van Christus met uw bloed hebt . begoten en bekrachtigd! en ach! welk eene allergeringste zaak is het, van de wereld versmaad en gedood te worden, voor hen, die weten, dat, zooals de psalmen zingen: hun bloed kostelijk is en hun dood dierbaar in Gods oogen. Wat is de wereld in vergelijking met God?” En toen zij hem zoo sterk zag en zoo doorgloeid van Hemelsche bezieling, was het haar, als drong haar de macht van bewondering, om aan te heffen uit het martelaarslied van Luther, mede bij den dood van zijne allereerste bloedgetuigen vervaardigd: »Heet wel met recht Johannes de een, zoo rijk aan Gods genade!” en waren het niet de tongen der overigen, toch stemden hunne harten met haar in, in den prijs en de eer van haren echtgenoot. Wij — zwakke vrouwen van [ 475 ]dezen tijd! wij begrijpen ons dien moed niet, die de keel lucht geeft tot een en jubeltoon bij een jongst vaarwel aan eenen zoo dierbare, die eenen dood ging sterven als de zijne, en God beware ons van ooit op zulk eene proef gesteld te worden! maar ook, wij hebben geen denkbeeld van de kracht, die van boven komt, om in zulke uren te steunen. Doch ik weet, zoo wij gevergd werden op de proef, en het vurig geloof ons leerde, de oogen naar boven te slaan, nu zoo min als toen, zou de kracht falen, de sterkte ontbreken.

Spoedig daarop kwam de kerkermeester Johannes van Woerden oproepen tot zijnen laatsten tocht. Het afscheid van zijne kerkervrienden en van gade en vader was wederzijds vol vastheid en vol warmte. Johanna, steunende den wankelen tred van den grijzen Dirksz, verzelde hem zoo nabij zij vermocht. De Bakker kende haar genoeg, om het haar niet te ontzeggen; wat die drie menschen gevoeld mogen hebben bij dien korten, maar moeielijken gang, afgetreden als onder duizend en weder duizend wachtende blikken, (want het plein vóór de gevangenpoort was de plaats der strafoefening), gaat boven de macht onzer pen. Johannes Pistorius is nog eenmaal in het gewaad zijner waardigheid; het witte priesterkleed met mantel en stola, door hem ontheiligd naar de meening van anderen, heilig gehouden naar zijne eigene bewustheid. — Zoo stond hij eene wijle op de hooge stellaadje voor het oog des volks; toen werden hem op nieuw de vragen gedaan, of hij van gevoelen veranderen wilde en de genade zijner rechters waardig worden, vragen, vaak reeds herhaald, en altijd met vrome fierheid afgewezen. »Hij wilde geene genade, dan van zijnen Heer en Schepper, en hij wenschte voor dezen en voor de waarheid de H. Schrift den dood aanstonds te sterven!” Daarop ontdeed men hem plechtig en langzaam van geheel zijn pleeggewaad. Bij ieder stuk, dat werd weggenomen, sprak de Bisschop van Hebron, ten aanhoore van vele Abten, de grievende woorden der ontwijding. Een kort geel boetkleed verving het ontnomene, en ook de spotmijter der ketters, zooals de Dominikanen dien hadden uitgevonden, dekte hem het hoofd. Ongeschokt, boven dien smaad verheven, zag hij op zijn on[ 476 ]gewoon hulsel neder, en sprak met den glimlach van medelijden voor de kleine menschen rondom hem, die eer meenden te geven of schande met een kleed: »Nu heb ik al mijn luister en schoonheid verloren!” Toen werd hij, als niet meer van de hunnen, door de Geestelijkheid overgegeven aan het wereldlijk gericht, en door deszelfs dienaren, van de stellaadje der ontwijding, heengevoerd naar de houtmijt; de weg derwaarts leidde voorbij de gevangenpoort. Zijne vroegere lotgenooten stonden wachtend naar het oogenblik, waarop hij dicht bij zoude zijn, en staarden met vonkelende oogen door de tralies van hunnen kerker naar hem heen; hij zag naar hen op en riep hun toe met zijne luide, indrukwekkende stem: »Ziet! zeer lieve broeders! ik heb nu mijnen voet gezet op den dorpel des martelaarschaps; hebt goeden moed als sterke helden ]ezu Christi opgewekt door mijn voorbeeld! Verdedig de Evangelische waarheid tegen alle ongerechtigheid!” En het was eene vroolijke en dankbare toejuiching, die van hunne zijde daarop volgde, een zegevierend handgeklap, als van toestemming en belofte. En terstond daarop hieven zij de lofzangen der Kerk aan te zijner eere, het Te Deum Laudamus, misschien toen nog niet door Luther verduitscht, en meerdere zangen, genoeg onder het volk bekend om begrepen te worden, en zij eindigden niet met die liederen, dan toen hij zelf had geëindigd. Dat moest hem kracht geven en zijnen moed verhoogen, te hooren, hoe die medevervolgden, spijt kerkertucht, en ten aanhoore van al hunne vijanden de blijken gaven van eigen vaste volharding en hooge bewondering voor de zijne. In het midden van de onaangestoken houtmijt aan den paal gebonden, was hem Ruard Tapper ter zijde, met drangwoorden om hem tot de biecht over te halen; maar hij antwoordde kalm: »Ik heb gezondigd en ben als zondaar des eeuwigen doods waardig; maar Jezus Christus is mijn Heer en Zaligmaker. Door Hem alleen hoop ik! ja, ik vertrouw het!” voegde hij er met blijmoedige vreugde bij, »dat ik een deelgenoot zal worden van het eeuwige leven.” Men had hem de handen sterk gebonden, het was hem niet mogelijk ze samen te vouwen tot het gebed, en toch, in navolging van den verhe[ 477 ]vensten Lijder, op wien hij gestadig het oog der ziel gericht had, bad hij voor zijne rechters: »Heere! reken hun dit niet tot zonde!” was zijn woord. Daarop riep hij zegevierend, als trotseerende de smarten, die komen zouden: »Helle! waarover roemt gij nu? o dood! waar is uwe overwinning? De dood is verslonden in de overwinning Christi!” Toen werd de moordende strik om zijnen hals geslagen, en… maar, neen! de vrome wreedheid had besloten, zijnen doodsstrijd te verlengen. De Dominikaan [1], van wien wij den naam niet kennen, beklom eene stellaadje, en ving eene boetrede aan vol gloeiende dweperij en wilde welsprekendheid, waarin de ketters geschilderd werden, zooals men dat van eenen zulke wachten kon. De rede oogstte weinig lof, zij werd gehoord met het koude stilzwijgen der afkeuring; het volk vergat niet, waaraan hij niet scheen te denken, dat daar een mensch, zijn broeder, in den besten bloei des levens, in de volle kracht der gezondheid, naar zijn stilzwijgen stond te wachten, om den doodssnik te geven, die hem nog aarzelend in de keel werd teruggehouden. In het eind… de monnik had zijn amen gezegd; het vreeselijk sein werd gegeven; het bepekte hout werd ontstoken. »Te Deum Laudamus,” riep van Woerden’s stem, zonder trilling van toon; vlammen en rook stegen opwaarts en verstikten hem die stem, die niet ophield zijnen Zaligmaker aan te roepen en zijnen God; nogmaals klonk het lied der gevangenen: »O heilrijke feesten der martelaren!” met zielsverheffing opgezongen, hem in het oor, en smolt samen met zijne laatste bede, want de barmhartige strik deed het noodlottige werk, dat vlammen en vuur nog lang konden getoefd hebben te doen, en Johannes van Woerden viel bedwelmd en verstikt als in eenen zachten slaap. De Heer, op wien hij steunde, had zijn lichaam macht gegeven over de pijn, als zijne ziel. — Brandt verhaalt, dat zijne trekken zich niet verwrongen, noch zijne oogen verdraaid, noch eenig kenmerk van snerpende smarten zichtbaar werd. Hoe het zij, de eerste martelaar voor de hervormde leerbegrippen had uitgestreden. — Holland’s grond had het eerste martelbloed [ 478 ]gedronken van eenen zijner zonen voor de gezuiverde Evangelieleer. Eene doffe stilte onder het volk, dat met ingehouden adem had toegezien en geluisterd, getuigde, hoe het de vrome woorden had opgevangen, en hoe de standvaste volharding van den martelaar begrepen werd. Die stilte, die kennelijk geene vrees was, of misschien ook wel een luidsprekend gevoel in hun binnenste, bracht de geloofsrechters tot het besluit, om voorshands het beraamde bloedtooneel met Bernardus en de overigen niet voort te zetten. De Dominikaan moest teleurgesteld zijn, hij had die uitkomst niet gewacht. Toen de Bakker’s laatste snik wegvloog van zijne lippen, hief eene vrouw, gedrongen nabij de houtmijt, de handen biddend op naar boven. Bleek was haar gelaat, maar op haar voorhoofd gloeide eene onuitsprekelijke geestdrift; hare bezielde oogen blikten heen naar den afgemartelde, en ze riep smeekend tot God: »Heere God! hoe mij de dood nu welkom zou zijn, alleen geef mij te sterven als deze!” — »Het heeft schijn, dat de vervulling van dien hartewensch nabij is, vrouwken! ik heb bevel u ten kerker te leiden,” riep eene stem achter haar, die het woord bij de daad voegde. Het was Johanna Bakelsze, die men wegvoerde.

Ik heb gesproken van den eersten martelaar, zoo ik meen, met de warmte der bewondering; het is, omdat ik, als Protestante, geloof, dat hij het offer gebracht heeft aan eene waardige zaak. Zijn er onder mijne lezers, die van een ander gevoelen zijn, ik dwing niemands overtuiging; ik weet met hen, het beslist niet voor een denkbeeld, dat het zijne martelaren, heeft; daar is geen godsdienststelsel, hoe wonderlijk samengeflanst, door menschelijk vernuft of dweperij, dat niet zijne bloedgetuigen heeft gehad, of dezulken, die moed en ijver hadden het te worden; alleen voor de standvaste trouw van dezen Pistorius, voor zijn ongeschokt geloof in den God zijner aanbidding, voor zijn belangloos vastkleven aan wat hij waarheid hield, voor dat leven, dat hij er voor gaf in eenvoud des haften en zonder pralende gemaaktheid, vraag ik van allen, ook van wie houden dat dit alles aan eene dwaling werd geofferd, denzelfden eerbied, dien ik zelve nooit weigeren zoude aan iederen martelaar, voor welke overtuiging ook gestorven.

  1. Anderen spreken van eenen Franciskaan.