I.K. Bonset/Het andere gezicht/6

Het andere gezicht
Auteur(s) I.K. Bonset
Datum 1926-1927
Titel ‘het andere gezicht. abstracte, sur-humanistische roman’
Tijdschrift De Stijl
Jg, nr, pg 7, 7[8], 89-92
Genre(s) Roman
Brontaal Nederlands
Bron De Stijl. 2. 1921_1932. Complete Reprint 1968, pp. 521-522.
Auteursrecht Publiek domein

[89]

I. K. BONSET

het andere gezicht.

abstracte, sur-humanistische roman.

hoofdstuk 3.

« goeden morgen »
« goeden avond, verkoopt u ook aambeien ? »
« aambeistruiken op stokken ? zeker, zeker... »
« het is goed weer overigens... »
« ik heb weinig verstand van de maan, weet u, mijn vader,... ja die was geleerd op dat punt... »
« dat hing zeker met zn beroep samen... »
« ja weet u, hij wist precies het onderscheid tusschen de zon en de maan ! »
« niet mogelijk, was hij dan misschien professor in de botanie, in de astronomie, in de archeologie of op de een of andere manier een geleerde ? »
« neen, weet u, hij was veel meer, bijna de lieve god zelve, ik niet ik ben maar een nederige aambeiensteker. »
« hé u niet ? u n-i-e-t ? men pleegt toch te zeggen dat u ’s avonds, wanneer de tortelduiven zich in de braambeziestruiken te slapen leggen, de maan ophangt. »

het paarsch-gevormde tolt nu van louter lachen in het rond scheurt den bek op 45° van een en zegt :
« och mensch dat is de blikken braadpan van aluminium, waar de zon schijnt. neen hij was geen professor, geen geleerde, maar veel meer hij was journalist, reporter en deed bovendien aan kunst. »

en het eerste:
« hebt u de aambeien al afgesneden ? »
« ja... e... neen... ne... och weet u, als de koeien door de rioolen gaan, is het slecht eieren eten, zei hij altijd. »
« hij had gelijk, bij het optrekken der wandluizen, loopen

89


[90]

de leewrikken van stal. maar om op het onderwerp terug te komen... zoudt u denken, dat het gaat regenen ? »
« ofschoon ik niet spiritistisch ben aangelegd, heb ik weinig verstand van regenschijn. vloed en eb van maan en sterren, moeten volgens de theosofen met het vallen van het kabinet samenhangen, zoo bijgeloovig ben ik echter niet. »
« ik denk veeleer met de wisseling der jaargetijden... of met de koers... of met de wedrennen... »

en het paarschgevormde nu weer :
« een geleerde heeft uitgerekend dat binnen 13 jaren, in het jaar 1939, de amerikanen de maan in hun bezit moeten hebben om er europa als antiquiteit in te bewaren... » het tolt weder van lachen en verschiet daarbij van kleur tot het citroengele.

en het andere:
« ’n soort maanmuseum in pompejaansche stijl. maar we zijn nog niet aan het einde der uitvindingen. verbeeld u dan, dat er nu in duitschland een geleerde is, die maar op den knop van de deur behoeft te drukken of alle meubelen veranderen in zilver ».
« hoe heet die geleerde eigenlijk ? »
« Von Dülkedalzen ».
« maar zijn uitvinding is nog niets tegen die, welke een geleerde in mijn land deed ».
« zoo ? van waar komt u dan ? »
« ik ? van het eiland brancusi ».
« ach zoo... dat moet wel met de uitvinding der kunsteieren samenhangen. men zoekt toch tegenwoordig naar een middel om de kunsteieren evenals de aambeien op stokken te zetten ? »

en het citroengeelgevormde :
« van brancusi... maar dan zijn we nog familie. ik kom uit girico. »
« maar apropos vergeet u de aambeien niet, er wordt op gewacht en met het slechte weer kan men daar niet buiten... »

90


[91]

hoofdstuk 4.

slechts in het oogenblik, dat we de zekerheid hebben dat de deur zich onherroepelijk achter ons sluit en wij bevrijd zijn van de harlekynage eener wereld, welke in stinkende gassen omzet, herinneren we ons met ongeëvenaarde scherpte, ondanks hoevele hindernissen wij het leven voltooid en het blinde gat van het niets bereikt hebben. destijds geheel veronachtzaamde levensdétails, het gerimpelde vel van een hottentot, het afgeknipte oor eener zeezwaluw, enz., krijgen opeens een bovenreeële beteekenis. de zweer op de huid eener krokodil zet zich uit tot een vulcaan, de kakkerlak, die met opgeheven staart ons den weg versperde, verandert in een olifant en in het zelfde oogenblik bestijgen we deze in indisch gewaad en begeven ons naar de tropische geoosten van siberië. « paluderma », « kominagagu », klinkt het, en onze gids, die zijn tijd verdrijft met zich zwaluwen uit het linker neusgat te trekken, zegt: « gisteren was de hemel nog bedekt met huiden van flamingo ’s. de pelikanen trokken in groote horden door de kunstmatige wouden en langs de kusten waar de gedreide desems zich te bersten vraten aan den bezembrem. de pneumatische vulkanen der pyramidonten deden den deeg deinen, zoodat het van louter stank verging. er hingen vele zweren en zwavellibellen aan de wolken die in den hemel tolden. ’s middags liepen de verdwaasden overal rond als bontgebeukte bokalen, waarin de wijn gutste en pruttelde als het vernoen van het weekgetij. ik wenkte den slachter met het hakgebraat op de geopende armen en joeg de stoeten koeien in het groen onder een koolzwarten hemel dreven we op het witte meer, waarin het zonlicht, met gespreide beenen, van oever tot oever leî. het meer was droog en zwalpten lampetkannen, die niemand gezien had, noch betast, noch geroken had voor het krieken van den nacht. het knoflook der krabben en padden deed de hanen kraaien en eerst met het vallen van den morgen zetten we onze kaarsen op de roeispanen om de lijken der goden, die al jaren lang achter de katafalken verborgen lagen, te jagen. bedwelmd van de verpestende stanken der nachtgewassen droogden we ons naakt, bij het

91


[92]

kille vuur van de zeebranding. wij doodden vele schavuiten en werden ook zelven meermalen den schedel verbrijzeld, doch wij lachten en dachten wat ons nog te wachten stond, wanneer we de tropische gezuiden van kominagagu eenmaal bereikten. daar zouden de olifanten en rinocerossen ons in albasten bokalen voorbij draven en de krekels zouden de bergen verplaatsen en ons verdwalen doen. in de kleine spelonken dicht aan de oevers der rotsen verborgen we onze eieren en legden ons daarop te slapen.

(wordt vervolgd.)

[...]

92