[ Pl10 ]

[ 34 ]
 

DE BOERENZWALUW.

HIRUNDO RUSTICA.


De Zwaluwen maken door hare eigenaardige vormen een zeer kennelijk geslacht uit. Het zijn de eigenlijke gevederde luchtbewoners, daar zij door hare lange, smalle vleugels en sterke vleugel- en borstspieren in staat zijn, uren achtereen te vliegen, en dan ook slechts nu en dan een poosje behoeven te zitten om uit te rusten.

De verschillende soorten van dit geslacht bieden onderling weinig onderscheid in vorm aan, en de kleuren der meeste zijn eenvoudig.

De Zwaluwen worden door de natuurkundigen onder de Roestvogels (Insessores) gerangschikt, tot welke uitgebreide orde alle vogelgeslachten behooren, die in boomen leven en op takken rusten, of wel op den grond loopen, kortom, alle vogels die niet tot de orde der Roof-, Klim- en Struisvogels, Duiven, Hoenders, Steltloopers en Zwemvogels behooren.

Het geslacht „Zwaluwen" is in alle werelddeelen vertegenwoordigd, en sommige soorten zijn rijk aan individuen. Alle Zwaluwensoorten voeden zich uitsluitend met insecten, die zij onder het vliegen vangen; zij drinken weinig, en de meesten hebben een zeer aangenamen zang.

In ons land komen drie soorten voor, van welke de zoogenaamde Boerenzwaluw de algemeenste en fraaiste is. Bij deze soort hebben beide seksen dezelfde kleuren, maar de mannetjes zijn iets zwaarder dan de wijfjes. De jongen hebben de kleuren der ouden, doch minder helder en niet zoo glanzig; de staart is bij hen slechts weinig vorkvormig, en de buitenpennen komen eerst langzamerhand, in drie maanden, tot volkomen lengte.

De paartijd der Boerenzwaluw duurt van half April tot Mei, als wanneer zij den nestbouw beginnen. Het nest wordt in betrekkelijk korten tijd (acht à veertien [ 35 ]dagen) door beiden vervaardigd. Eerst brengen zij tegen den een of anderen ouden muur, of onder daken of bruggen aan houten balken een weinig slijk aan; dit scheppen zij, met haar breeden bek, van den grond, vliegen er mede naar de bestemde plaats, en werpen het daar neder. Zoodra er zich een weinig klei of slijk vastgehecht heeft, halen zij kleine pluisjes of dunne halmpjes, en plakken dit aan het alzoo gelegde fondament. Den volgenden dag, als het werk van den vorigen gedroogd is, brengen zij, vooral 's ochtends vroeg, eene tweede laag klei aan, en hechten deze eveneens met draad- of pluisachtige zelfstandigheden aan het eerste vast. Tegen den avond hervatten zij den arbeid, en gaan zoo voort, totdat, op den vierden of vijfden dag, aan het binnenwerk wordt begonnen. Terwijl dit laatste voltooid wordt, brengt een der vogels nog telkens slijk aan, om den arbeid zijner wederhelft steeds hechter te maken, en terwijl het wijfje de laatste bezigheden aan het binnenwerk verrigt, metselt het mannetje aan de buitenzijde voort, en smeert en plakt alles zoo vast, dat ten laatste, als het nest geheel tot het broeijen ingerigt is, het wel een half kilo gewigt kan dragen, zonder te breken. De Zwaluwen zijn dus ware kunstenaars, degelijke metselaars onder de vogels.

Het wijfje is eene trouwe broeister, die zeer zorgvuldig voor hare eijeren en later voor hare jongen is; ook het mannetje is een trouwe wachter: hij lost het wijfje dikwijls in het broeijen af, en slaapt 's nachts gewoonlijk op den rand van het nest.

Ieder paar broeit tweemaal: in Mei en in Julij. Het eerste broeisel bevat meestal vier, soms echter wel vijf of zes eijeren; het tweede daarentegen zelden meer dan drie; zij zijn langwerpig, zeer dun van schaal, min of meer glanzig, parelwit, met ongelijkmatig verdeelde, paarsroode streepjes en vlekjes, en worden in twaalf à dertien dagen uitgebroeid.

Gewoonlijk verloopen er dertig à veertig dagen tusschen het eerste uitvliegen der jongen en het begin der tweede eijerlegging. Het duurt namelijk lang vóórdat de ouden hunne uitgevlogen nakomelingen aan hun lot overlaten; vandaar dat het tweede broeisel zoo laat na het eerste komt.

De jongen verlaten eerst dan het nest, wanneer zij in staat zijn te vliegen; zij hebben trouwens geen ander middel, dan hunne vleugels, om zich te bewegen, terwijl andere jonge vogels daartoe ook de pooten te hunner beschikking hebben. Dikwijls komen de jonge Zwaluwen op den rand hunner woning zitten, spreiden de vleugels uit en stellen zich aan alsof zij nog bevreesd waren, den eersten [ 36 ]vleugelslag te wagen; naauwelijks echter hebben zij den eersten stap tot vliegen gedaan, of zij fladderen reeds dartel weg, een luid geschreeuw aanheffende, maar dalen weldra op de eene of andere digtbij gelegen rustplaats neder, om echter spoedig weder op te vliegen; zij blijven evenwel steeds in de nabijheid der ouden, met welke zij 's avonds naar het nest terugvliegen. Over dag zetten zij zich op dunne takken, telegraafdraden of op de daken neer en wachten geduldig, dat een der ouden hun al vliegende eenig voedsel aanbrengt. Als zij ouder geworden zijn, vliegen zij de ouden achterna en ontvangen het voedsel insgelijks in de vlugt.

De geheele Zwaluwen-familie, zoowel de ouden als de jongen van beide broeisels, blijft bij elkaêr tot den trektijd (September tot October). Dikwijls zit het geheele gezin aaneengesloten op een uitstekenden tak; het oude mannetje zingt dan, het wijfje accompagneert, en de jongen voegen er de weinige geluiden, die zij kunnen voortbrengen, bij. Zulk een concert van Zwaluwen heeft iets liefelijks; haar gezang geeft duidelijk haar levendig karakter te kennen; de schielijk herhaalde, krachtige, maar eenvoudige toonen van het mannetje, begeleid door de zwakkere geluiden zijner familie, hebben waarlijk iets aantrekkelijks.

Onze Boerenzwaluw wordt om hare geaardheid beschermd, om haar nut boven vele andere vogels ontzien, en dan ook door bijna niemand gehinderd. De Zwaluw beseft dit zeer wel; daarom komt zij op onze daken zitten, vereenigt hare woning met de onze, vliegt op zolders en komt zelfs in de kamers der buitenhuizen, om er de vliegen en muggen weg te vangen.

Er bestaan zelfs voorbeelden van Zwaluwen, die, in het bouwen van haar nest niet wel kunnende slagen, zich daarin door de bewoners van het huis lieten helpen. Men bragt namelijk klei tegen het gebroken nest aan, en daarop gingen de Zwaluwen met haar arbeid voort, vlogen later de kamers van het huis binnen, en kwamen het volgende jaar terug, door hare meerdere makheid bewijzende, dat zij dezelfden waren en de haar betoonde hulpvaardigheid niet vergeten hadden.

Men is het er nog lang niet over eens, wáár onze Zwaluwen heêntrekken en wáár zij 's winters vertoeven. Zij trekken allen Zuidwaarts, en vereenigen zich daartoe in troepen. Eenigen blijven den geheelen winter in het Zuidelijkst gedeelte van Europa, anderen trekken Zuid-Oostwaarts tot Egypte, Palestina, sommigen waarschijnlijk nog verder, tot in de onbekende binnenlanden van Afrika. Den 2den April 1865 nam ik er eene op 2 graden Noorderbreedte, in volle zee, waar; zij kwam in het touwwerk onzer stoomboot zitten, rustte daar uit en verliet ons [ 37 ]eerst den volgenden dag. In December 1864 nam ik er eenige in de omstreken van Lissabon waar, en in Februarij 1866 vlogen er vele door de straten van genoemde Portugesche hoofdstad. Volgens de inwoners, blijft zij er dikwijls 's winters over; maar wanneer het daar te koud wordt, verdwijnt zij op eens, en komt eerst tegen Maart terug.

Hier te lande komen zij eerst in April, en wel in de laatste helft dier maand. Evenwel worden er bijna alle jaren reeds vóór dien tijd (omstreeks den 4den tot den 10den April) eenige gezien. Een op den 5den April geschoten mannelijk voorwerp was zeer mager en had geen voedsel in de maag, 'tgeen tot de onderstelling leidde, dat deze vogel eene verre reis had afgelegd.

De meening, dat de Zwaluwen een winterslaap hebben, is niet ontstaan doordien men 's winters half doode voorwerpen heeft aangetroffen, maar wel door de omstandigheid, dat de Oeverzwaluw (H. riparia) haar nest in aardholen langs rivieren maakt, zoodat men natuurlijk heeft kunnen waarnemen, dat zij uit een aardhol te voorschijn kwam, op welk feit dan ook de fabel werd gegrond, dat de Zwaluwen 's winters in den grond kruipen en, even als de kikvorschen, een winterslaap hebben.

Men kan de Zwaluwen niet in gevangen staat houden, tenzij in ruime volières, waarin zij lustig vliegen kunnen. Men behoeft ze ook waarlijk niet te vangen, want zij komen uit eigen beweging nabij onze woningen, en bekommeren er zich weinig om, of er al dan niet menschen in de nabijheid zijn.

Een aan onze Boerenzwaluw verwante vogel, of liever klimaatsvariëteit is de Hirunda rustica cahirica, die rosser op de borst en verdere onderdeelen is en in 't Zuid-Oosten van Europa wordt aangetroffen. Evenwel worden ook hier te lande dikwijls voorwerpen gevonden, die door hare rossere kleuren eenigzins tot genoemde variëteit overhellen. Geheel witte of isabelkleurige zijn ook wel eens, doch zelden, waargenomen.