1 Onze vogels in huis en tuin, deel 1 door John Gerrard Keulemans

2. De kleine geelkuifkakatoe

3


[ Pl02 ]

[ 8 ]
 

DE KLEINE GEELKUIF-KAKATOE.

CACATUA TRITON.


De Kakatoes worden, wegens hare algemeene vormen, als een ondergeslacht der Papegaaijen beschouwd. Door haar zwaren, hoogen bek, haar meestal korten, vierkanten staart en de bij de meeste soorten verlengde kopveêren, verschillen zij echter dermate van de eigenlijke Papegaaijen, dat de tegenwoordige ornithologen haar tot eene afzonderlijke groep gebragt hebben, wier wetenschappelijke naam thans Cacatua is.

De Kleine Geelkuif is van alle Kakatoes de meest bekende en wordt vooral in de zeesteden van Holland gezien, waar zij gewoonlijk door zeelieden wordt aangevoerd.

Zij behoort op het eiland Nieuw-Guinea te huis, wordt daar gevangen, naar de voornaamste zeesteden onzer Oost-Indische bezittingen gebragt en met veel winst verkocht. Op Java wordt zij in de meeste huizen der blanken aangetroffen.

Op den grond komt zij zelden, en alleen dàn, wanneer er geene vruchten aan de boomen zijn; alsdan loopt zij en houdt de voorteenen binnenwaarts gekeerd; haar gang heeft echter iets moeijelijks; want de pooten dezer vogels zijn, even als die van bijna alle andere Papegaaijen, meer ingerigt om te grijpen en vast te houden, dan om op vlakke gronden te loopen.

In den vrijen staat leeft zij gepaard, meestal eenige paren bij elkaêr, in de bosschen. Volgens waarnemingen broeijen zij op bepaalde plaatsen, namelijk in bijna ondoordringbare wouden, en in massa's vereenigd, zoodat er dikwerf een vrij groot aantal paren in een en denzelfden boom nestelen.

Hare eijeren, die in eene boomholte, op den molm of in een eenvoudig nest gevonden worden, en waarvan elk broeisel gewoonlijk twee oplevert, zijn glanzig wit van kleur en ovaal van vorm.

[ 9 ]De jongen hebben de kleur der ouden, behalve dat bij hen het geel aan den kop nog fletser is. Ook tusschen de seksen is geenerlei onderscheid van geluid of kleur op te merken.

De inboorlingen van de streken, waar deze vogel gevonden wordt, verhalen, dat er bij elken troep Kakatoes steeds een mannetje gevonden wordt, dat nooit paart, maar, tot beveiliging zijner broeijende soortgenooten, als voorpost fungeert, en dat deze nimmer het gezelschap verlaten mag, daar hij, bij ontvlugting, door iederen anderen troep als deserteur zou aangemerkt en vermoord worden. Ook verhalen zij dat, wanneer er strikken of vallen gelegd zijn (waarmeê men deze vogels gewoonlijk vangt), bedoeld mannetje 't eerst op den uitkijk gaat, ten einde den troep te verwittigen, dat hij in de omstreken iets nieuws gezien heeft; dan komen de anderen met hem mede, en bezien de strikken, doch worden dan meestal door het lokaas verleid en gevangen. Geraakt echter de voorpost of wachter zelf in de strikken verward, dan verlaat de geheele bende de streek en sluit zich, bij gemis van een eigen wachter, bij een anderen troep aan.

Dergelijke legenden, die trouwens ook van andere vogelsoorten verhaald worden, zijn, hoe zonderling 't bij de eerste gedachte ook schijne, toch volstrekt niet zoo geheel ongegrond. Bij verschillende vogelsoorten, die in troepen leven, bevinden zich namelijk dikwijls meer mannetjes dan wijfjes; het zwakste mannetje heeft daar de minste kans, om een wijfje meester te worden, en zal zich dus, meer tijd hebbende, ook alligt met allerlei beuzelingen ophouden, 'tgeen dikwijls ten gevolge kan hebben, dat hij, iets ontmoetende, wat hem wonderbaar toeschijnt, dit door veel beweging en luid geschreeuw te kennen geeft. In dien zin opgevat, behoort dan ook het bestaan van een voorpost bij de Kakatoes volstrekt niet tot de onmogelijkheden.

Dat voor 't overige de verhalen van onbeschaafde inboorlingen meestal tot het fabelachtige overhellen, is zeer natuurlijk; zij kennen alleen het verschijnsel, niet de oorzaak, en waar zij tot eene verklaring van het verschijnsel trachten te komen, daar worden zij alleen door hun praktischen zin geleid, die zich meer met het uitwerksel dan met de oorzaak bezig houdt, of liever, het uitwerksel zelf als oorzaak beschouwt; dit is den natuurmensch eigen, en niets is dan ook eenvoudiger, dan dat zij het alleen blijvende zwakkere mannetje als een noodigen voorpost beschouwen, daar zij zich anders geene reden kunnen geven, waarom het juist alleen moet blijven. Overigens zijn hunne waarnemingen, ofschoon verkeerdelijk toegepast, [ 10 ]dikwijls zeer gegrond. Hij, die zelf waarneemt, weet in den regel meer, dan velen die uit het eene boek in het andere naschrijven.

In den natuurstaat voedt zich de Kleine Kakatoe met zachte, sappige vruchten, jong groen, zaden enz., waarmede ook de jongen uit den krop worden grootgebragt.

In den tammen staat is zij een aardige vogel, die vele woorden leert klappen, bijzonder mak wordt en zeer veel aanleg tot verstandsontwikkeling heeft. Zij kent dan ook spoedig de huisgenooten en weet haar meester zeer goed te onderscheiden. Als men haar in de kooi houdt, is geweekte maïs, brood, rozijnen, noten en sappige vruchten voor haar eene lekkernij; op gekookte rijst is zij eveneens te houden, maar bij afwisseling moet men er eenige versnapering bijvoegen. Ofschoon kooijen met koper traliewerk een fraaijer voorkomen hebben, zijn de ijzeren veel verkieslijker, omdat de droppelen water, die zij onder het baden en duiken doet opspatten, het koper doen oxyderen en dit koperoxyde voor den vogel een zwaar vergif is. Indien zij de gewoonte heeft, de ruststokken stuk te bijten, dan hange men telkens in de kooi eenige versch gesneden wilgentakjes, welke zij dan gewoonlijk afpluist. Plukt zij zich de borstveêren uit, men brenge dan een blikken kraag, ter breedte van 4 Ned. duimen, aan den hals, in dier voege, dat de scherpe kant naar den buik, niet naar den kop gekeerd is; van achteren kan men den kraag door middel van twee of meer gaatjes, met een koordje sluiten; ook kan men zich tot dit einde van een blikken ring bedienen, die juist over den kop heèn kan.

Als men haar vrij door de kamer laat loopen, zal zij, louter uit gewoonte, alles stukbijten, wat zij in den bek kan krijgen. Gaarne trekt en bijt zij de knoopen van een of ander kleedingstuk af, of vernielt zij de ornementen van spiegellijsten en dergelijken. Men kan haar dit echter zeer wel afleeren; want zij begrijpt gemakkelijk, vooral indien zij na de eene of andere les met eenige versnapering wordt beloond.

De gewoonte, om haar voedsel in den poot te houden en het tusschen de vingers uit te pluizen, zet haar iets eigenaardigs bij. Is haar geleerd, wanneer men haar iets toedient, den naam van het toegediende te klappen, dan zal zij na eenigen tijd vragenderwijs dien naam herhalen, wanneer zij dergelijk voorwerp ziet of hoort. Leert men haar b.v. het woord „klok" uitspreken, even vóór- of nadat deze slaat, dan roept zij weldra „klok", zoodra zij een of ander daarnaar gelijkend geluid verneemt; evenzoo is 't met de lekkernijen, die men haar geeft, gelegen.

[ 11 ]In de gevangenschap kan zij wel dertig (volgens sommigen zelfs zestig) jaar oud worden. Koude kan zij niet verdragen, vochtigheid evenmin. Bij warm weder is zij het meest op haar gemak; maar toch dient zij, bij te sterke zonnewarmte, in de schaduw te hangen.

Het ruijen van dezen vogel in de gevangenschap gaat dikwijls met moeijelijkheden gepaard, vooral wanneer hij in het najaar ruit, en nog niet geheel van veêren verwisseld heeft terwijl het reeds koud en guur weder is. De meesten sterven daaraan, anderen echter ook ten gevolge van min afwisselend of ondoelmatig voedsel.