[ Pl21 ]

[ 73 ]
 

DE BRAAMSLUIPER.

SYLVIA CURRUCA.


De Braamsluiper, die in verschillende streken van ons vaderland ook Kersendiefje genoemd wordt, is in Europa, naast de Grasmusch (S. cinerea), de algemeenste soort van de groep Curruca. In de wetenschap heet hij, volgens nieuwe schrijvers, ook Curruca rufa en C. albigula. Den bijnaam Kersendiefje heeft hij te danken aan zijne eigenschap, om 's zomers in de boomgaarden kersen te eten, of liever, van de kersen te pikken. Men noemt hem Braamsluiper, omdat hij veeltijds wordt aangetroffen in streken, waar braambeziën groeijen en waar hij dan in de braamstruiken rondspringt en ook nestelt.

Deze vogel bezoekt ons van half April tot de eerste dagen van September; meestal komt hij gelijktijdig met de Grasmusch. Na September vindt men hem nog in Zuid-Europa, alwaar hij dikwijls overwintert; wordt het hem daar echter nog te koud, dan trekt hij tot Noord-Afrika.

Hier te lande vindt men den Braamsluiper het menigvuldigst in Gelderland en Noord-Braband; in laatstgenoemde provincie behoort hij tot de meest algemeene zangers en schijnt zelfs in sommige streken de Grasmusch geheel te vervangen. In de kustprovinciën daarentegen is hij, ofschoon lang niet zeldzaam, toch niet zoo algemeen als in genoemde streken. Hij bewoont bij voorkeur een droogen, heideachtigen grond, laag hout, als struiken en heesters, en boomgaarden.

Er bestaat geen aanmerkelijk verschil tusschen de seksen; alleen is het mannetje wat rosser op de borst en donkerder aan de wangen, terwijl de kleuren aan keel en oorsteek zich bij hem duidelijker afscheiden, dan bij het wijfje.

De jongen hebben dezelfde kleuren als de ouden, doch over 't algemeen wat flaauwer tint; hunne pooten zijn geelachtig, hunne iris blaauwgrijs en hun snavel blijft gedurende de eerste maanden bruingeel.

[ 74 ]De Braamsluiper bouwt zijn nestje in struiken, heesters, heide, vruchtboomen, enz., altijd tusschen dunne, en nooit op dikke takken; gewoonlijk in 't bladrijkste gedeelte van den struik of boom, maar nooit op plaatsen, waar zich veel of dikwijls menschen vertoonen.

Het nest is, even als dat der Grasmusch, slordig bewerkt; het wordt uit verschillende materialen zaamgesteld, zoo als dunne plantstengels, vooral pluizen of draden van brandnetelstengels of draden en stukjes van verschillende andere schorsen of basten, al hetwelk met dun, droog gras zaamgevlochten wordt. Van binnen is het nest met dunne, afgepluisde plantendraden en haar, soms ook met insectenweefsels belegd.

De eijeren, waarvan gewoonlijk 4 à 6 in het eerste, en 3 à 5 in het tweede broeisel gevonden worden, zijn grijsachtig, of liever, vuil wit, met kleine graauwe vlekjes en streepjes over het geheel, en met eenige grootere, donkerbruine vlekken hier en daar, maar vooral aan de ronde zijde. De groote vlekken vormen aan den stompen kant een min of meer duidelijken kring, welke echter veel minder in 't oog valt, dan bij de eijeren der Grasmusch.

Het mannetje schijnt aan het broeijen geen deel te nemen; althans, even als bij de Grasmusch 't geval is, vindt men hem maar zelden in de nabijheid zijner broeijende wederhelft.

Men verhaalt van het wijfje van den Braamsluiper (volgens anderen, van de Grasmusch), dat zij, zoodra een of andere vijand het nest nadert, zich op den grond laat vallen, zich vleugellam houdt, vervolgens schijnbaar gebrekkig tracht te ontvlugten en zoodoende den vijand langzamerhand van het nest afleidt, totdat hij ver genoeg verwijderd is, als wanneer zij plotseling weêr opvliegt en langs een omweg naar haar kroost terugkeert. Ofschoon ik dergelijke listen van andere vogelsoorten (van den Leeuwerik b.v.) dikwijls heb waargenomen, ben ik nog niet in de gelegenheid geweest, dit van den Braamsluiper op te merken. Grasmusschen heb ik in menigte broeijende gevonden, maar nog nooit hebben die broeisters zulke kunstjes voor mij vertoond. Waarschijnlijk zijn dan ook die schrijvers, volgens welke de Braamsluiper en niet de Grasmusch die listen te baat neemt, het best ingelicht; nogtans is het zeer wel mogelijk, dat men het van beide, en misschien van nog meer soorten, heeft kunnen opmerken.

De jonge Braamsluipers worden door beide ouden gevoêrd en krijgen in de eerste dagen weeke insecten, vooral rupsjes en spinnetjes. Beziën schijnen de [ 75 ]ouden, ofschoon zij zelve die nuttigen, hunnen jongen slechts bij gebrek aan beter toe te dienen. Nadat de jongen het nest verlaten hebben, worden zij nog eenigen tijd door de ouders verzorgd.

Jonge Braamsluipers plaatsen zich gaarne in den zonneschijn; de ouden daarentegen verschuilen zich liever tusschen het digtst gebladerte. Braamsluipers zullen zich gaarne ophouden in tuinen, waar pruimen groeijen.

Ofschoon het over 't algemeen schuwe vogeltjes zijn, kan men ze toch in stille streken, b.v. in het duin, tot op vrij korten afstand naderen; zijn zij echter eenmaal opgejaagd, dan kan men ze op geen veertig pas meer nabij komen. Als zij dan wegvliegen, doen zij dit zelden in de hoogte of boven het struikgewas, maar gewoonlijk tusschen de struiken door en langs den grond. Meestal vliegen zij eerst regt vooruit, houden zich vervolgens in het lage groen even schuil, en keeren dan in eene schuinsche of tegenovergestelde rigting terug. Deze eigenschap, die ik meermalen waarnam, staat wel eenigzins in verband met het vleugellam houden der broeijende wijfjes.

De zang van den Braamsluiper heeft wel iets van dien der Grasmusch, maar de laatstgenoemde zingt eene langere, bijna geregelde strophe, terwijl de Braamsluiper meer een zoogenaamden wildzang heeft. Zijn geluid is ook iets scherper, en sommige scherpe toonen volgen elkander zoo schielijk op, dat men ze onmogelijk kan nabootsen. Zijn gewoon geroep heeft ook iets eigenaardigs: hij doet namelijk alsof hij begon te zingen, doch houdt plotseling stil, en uit dan voor afwisseling, bijna onhoorbaar, de syllaben „chuch-chuch".

Men kan ze in kooijen houden en de jongen opkweeken op dezelfde wijze als voor de Grasmusch is opgegeven. In hun kooileven vertoonen zij ook dezelfde eigenschappen als laatstgenoemde vogel.