[ Pl62 ]

[ 251 ]
 

DE PAAUW.

PAVO CRISTATUS.


Van al de bij ons ingevoerde vogels kan zeker niet één, wat schoonheid van vederen betreft, met den Paauw gelijkgesteld worden. Het is echter met den Paauw gegaan, zoo als met vele andere vogels: zoodra zij algemeen bekend worden, verliezen zij een groot gedeelte der waarde, waarop men ze stelde, toen zij nog tot de zeldzaamheden behoorden. Waren de Paauwen minder spoedig over de geheele aarde verspreid geworden, of ging hunne voortteling in gevangenschap met meer moeijelijkheden gepaard, men zou van deze zoo fraaije vogels ongetwijfeld nog veel meer werk maken, dan thans het geval is.

De Gewone Paauw (P. cristatus) is een der oudst bekende vogels. Salomo's schepen bragten, volgens het Bijbelsch verhaal, den Paauw uit zijn vaderland naar Palestina over. Wij kunnen echter bezwaarlijk aannemen, dat de thans bij ons levende Paauwen afkomstig zouden zijn van de door Salomo ingevoerden. Het komt ons dan ook waarschijnlijker voor, dat de Paauwen eerst na den tijd van Alexander den Groote meer algemeen bekend zijn geworden. Immers werden zij ook door dezen vorst levend naar Griekenland overgebragt, en zij waren gedurende zijne regering de voorwerpen eener bijzondere bescherming. Geen wonder dat de Paauwen, onder deze zoo gunstige omstandigheden, zich spoedig vermenigvuldigden, en wij meenen het er dan ook veilig voor te kunnen houden, dat zij eerst van dien tijd af langzamerhand in Europa zijn verspreid geworden. In sommige streken van Zuid-Europa worden nog Paauwen in verwilderden staat aangetroffen, b.v. in de Krim; hoogstwaarschijnlijk hebben zij daar reeds geruimen tijd geleefd, en zijn zij mede afkomstig van de door Alexander den Groote ingevoerde voorwerpen.

Bij de oude Romeinen, in de middeneeuwen, werd de Paauw als een fijn wildbraad gegeten, en op de festijnen dezer volken werd hij als een zeer kostbaar pronkgeregt opgedischt. Tegenwoordig echter dient de Paauw nog maar alleen als sieraad, en wordt zijn vleesch, in Europa althans, niet meer gegeten. [ 252 ]Dit is evenwel minder toe te schrijven aan de kostbaarheid des vogels, dan wel hieraan, dat uit Amerika een andere vogel is ingevoerd, die, als gebraad, de plaats van den Paauw oneindig beter vervult, namelijk, de Kalkoen.

Behalve de hier afgebeelde soort, kennen wij nog den Javaanschen en den Zwartvleugeligen Paauw. Witte of Isabelkleurige zijn albino's van de Javaansche of de Gewone soort.

De Gewone Paauw (P. cristatus) bewoont het vasteland van Indië. Volgens Brehm leeft hij in die streken van Bengalen, waar de plantengroei zoo weelderig is, dat er de bloemen als ware 't met de vederen der vogels in pracht wedijveren. De weinige bekende soorten van eigenlijke Paauwen worden tegenwoordig allen hoofdzakelijk in gevangenschap aangetroffen, en deze vogels wijken, behalve van de zwartvleugelige en de witte variëteit, niet van de oorspronkelijke typen af.

Wat den algemeenen vorm der Paauwen aangaat, kunnen zij als geheel op zich zelf staand worden beschouwd. Het zijn namelijk hoenderachtige vogels van een zeer kennelijken vorm; zij hebben, in verhouding tot het ligchaam, een buitengewoon langen nek en zeer krachtige pooten; de kop is bijzonder klein. Even als bij de meeste Fazanten, zijn ook bij hen oorstreek en wangen onbevederd, en de vleugels kort en afgerond. Men kan ze dan ook het best vergelijken met Fazanten, van welken zij zich hoofdzakelijk door hunne verlengde vormen onderscheiden. Ook in levenswijze komen zij geheel met deze vogels overeen.

De Argusvogels, die men ook Argus-Paauwen en Argus-Fazanten noemt, sluiten zich, ten opzigte van den algemeenen vorm, het meest bij de Paauwen aan; zij hebben echter veel zwakkere pooten, en behooren tot die weinige vogels in de schepping, bij welke de vleugelpennen der tweede orde langer zijn, dan die der eerste.

Spiegel-Paauwen, eindelijk, vormen den overgang van de Paauwen tot de Fazanten; zij maken het geslacht Polyplectron uit, en worden even zelden, als de Argussen, in gevangenschap aangetroffen.

Met betrekking tot den uiterlijken vorm der Paauwen, dient nog dit opmerkelijke vermeld te worden, dat hunne staartpennen niet veel langer zijn, dan die der Hoenders (Gallas). Hetgeen wij gewoonlijk hun staart noemen, bestaat alleen in de buitengewoon verlengde staartdekveêren; de staartpennen zijn daaronder geheel verborgen, en alleen dàn zigtbaar, wanneer de vogel pronkt en men hem van achteren ziet.