Limburger Koerier/Jaargang 47/Nummer 213/Uit den doode opgestaan

‘Uit den doode opgestaan’ door een anonieme schrijver
Afkomstig uit de Limburger Koerier, donderdag 22 december 1892, [p. 1]. Publiek domein.
[ 1 ]

FEUILLETON

VAN DEN „LIMBURGER KOERIER“.


Uit den doode opgestaan.

NAAR HET ENGELSCH.
– – – –

32

Voor een oogenblik sprak niemand; een doffe stilte heerschte in het vertrek. Nadat wij allen van onze eerste verrassing eenigszins waren bekomen, behalve Etheleen, die er geheel ontdaan uitzag, begon Conyers het eerst te spreken. Hij wierp mij een boosaardigen blik toe. Had ik tot nog toe getwijfeld wie hij was, zoo twijfelde ik nu niet langer; het was de blik, dien ik op het doek had gebracht. Één oogenblik slechts en de oogleden vielen weder naar beneden, en met zachte, vleiende stem zeide hij:

„Dit is een onverwacht genoegen, mijnheer Lindley. Wanneer zijt gij aangekomen?“

„Dit is de vraag niet“, antwoordde ik toornig. „De vraag is: wat gij hier doet?“

„Dat is een zeer zonderlinge vraag“, zeide hij glimlachend. „Gewoonlijk vraagt men iemand niet wat hij in zijn eigen huis doet“.

„Dit kan uw huis niet zijn“, antwoordde ik.

„Toch is het zoo. Kom, ik wil voor u geen geheimen hebben. Deze dame, die gij als miss Stuart hebt gekend, is mijn echtgenoote“.

Ik zag, dat Etheleen eenigszins tot zichzelve was gekomen en met gloeiende wangen naar ons gesprek luisterde.

„Miss Stuart“, vroeg ik, „is dit waar? Zeg om ’s hemels wil dat het niet zoo is. Ik zal dan weten wat mij te doen staat“.

„Juist“, hernam Darvill schamper, „maar dit is het eenige wat zij niet kan zeggen“.

Het scheen wel zoo, want Etheleen bleef zwijgen. Zij zag zelfs niet op. Was zij dus werkelijk met dien man getrouwd en gevoelde zij zich door schaamte overweldigd?

Nogmaals smeekte ik haar toch te spreken, er bijvoegende: „Ik meende, dat gij het verleden waart vergeten; hoe kunt gij u dan dit herinneren?“

„Sedert deze.... deze heer hier is gekomen“, stamelde zij verlegen en met een smeekenden blik naar mij opziende, „heb ik mij vele dingen herinnerd. Ik heb hem jaren lang gekend, en zoodra ik hem zag, is mijn geheugen plotseling teruggekomen“.

„Maar hetgeen hij beweert“, riep ik half wanhopig, „is niet waar.... het kan immers niet waar zijn?“

Eenige oogenblikken gaf zij geen antwoord, maar beschouwde aandachtig iets, dat voor haar op de tafel lag.

Tot mijn schrik zah ik, dat het die verwenschte courant was, waarin men mij zoo had belasterd.

„Ik begrijp niet, mijnheer Lindley, wat het u kan schelen, of het al dan niet waar is“.

„Juist“, riep Darvill zegevierend uit. „Ik zie niet in, mijnheer Lindley, met welk recht gij u bemoeit met zaken, die alleen man en vrouw aangaan“.

„Er is in ’t geheel geen „locus standi“, zeide Vulpian, zich voor het eerst in ’t gesprek mengende.

Ik verkeerde in een zeer moeilijken toestand. Had Etheleen mijn hulp slechts ingeroepen, dan had ik kunnen handelen; maar integendeel scheen zij die te versmaden. Op dit oogenblik schoot mij alles weer te binnen, wat mevrouw Darvill van haar had gezegd. Kon het mogelijk wezen, dat Etheleen niet diegene was, voor wie ik haar hield; dat zij nooit haar geheugen had verloren en wist, dat zij de vrouw van dien man was? Die gedachte verlamde mij geheel en al.

Vaux kwam mij op zijn gewone scherpzinnige wijze te hulp.

„Mag ik vragen“, zeide hij, „met wien wij de eer hebben te spreken?“

„Mijn naam is Darvill“.

„Dat is zeer zonderling, want bij mij aan huis zijt gij als de heer Conyers gekomen“.

„Ik ga vaak incognito schilderijen zien. Ik kan ze dan goedkooper krijgen“.

„Dat verwondert mij zeer, want bij de artisten ten minste staat de naam van Darvill niet bekend als van een Maecenas of millionair“.

„Dit doet niets tot de zaak in quaestie“, antwoordde Darvill uit de hoogte.

„In elk geval is er iets geheimzinnigs in deze zaak. En als er iets bestaat, dat niet in den smaak van de politie op het vasteland valt, dan is het alles wat naar geheimzinnigheden zweemt. Dat wekt steeds haar wantrouwen op. Het zou mij voor u spijten, mijnheer Conyers, alias Darvill, maar tenzij gij ons wat beter wilt inlichten, zal ik genoodzaakt zijn haar een kleinen wenk te geven“.

Vaux’s gevatheid bewonderend, was ik benieuwd of hetgeen hij zeide van eenigen invloed zou zijn. Weder ontstond er een algemeene stilte, terwijl Darvill een vragenden blik op Vulpian sloeg. Eindelijk zeide de laatste als antwoord op dien blik:

„Zonder in ’t minst te erkennen, dat deze heeren eenig recht hebben u iets te vragen, komt het mij voor dat, indien gij lust hebt hun nieuwsgierigheid te bevredigen, gij dit gerust kunt doen, in geval deze dame hier niets heeft tegen in te brengen. Volgens de wet zijt gij geheel in uw recht“.

Etheleen gaf geen teeken van goed- noch afkeuring. Misschien wenschte zij, dat ik de geschiedenis zou hooren. „Welnu dan“, zeide Darvill, „de feiten zijn eenvoudig deze: „sedert lang ken ik miss Stuart en twee jaar geleden trouwde ik in Schotland met haar volgens de wetten aldaar in gebruik in tegenwoordigheid van getuigen“.

„Ik was een van hen“, zeide Vulpian.

„In ’t begin werd het huwelijk geheim gehouden, daar wij niet weten, of mevrouw Bothwell het zou goedkeuren. Ongelukkig had miss Stuart juist toen deze overleed iets tegen mij gekregen en in plaats van met mij samen te wonen, ging zij buitenslands naar verschillende plaatsen, tot zij eindelijk te Grenzstadt kwam“.

Weder smeekte ik Etheleen mij te zeggen, of dit alles zoo was. Eerst wilde zij niet antwoorden, maar eindelijk zeide zjj met inspanning:

„Ik geloof het wel. Mijn hoofd is nog zoo verward, maar mijnheer Darvill herinnerde mij aan sommige bijzonderheden, die maken dat ik het wel moest gelooven“.

„Ik kan verzekeren, dat alles waar is“, zeide Vulpian.

„Het is mij onverschillig, of het al dan niet waar is“, hernam Etheleen. „De heer Darvill is misschien mijn echtgenoot, maar hij weet zeer goed, dat ik hem nooit als zoodanig heb beschouwd en nooit als zoodanig zal beschouwen. Wij hebben altijd gescheiden geleefd en ik wil ook nu niet met hem gaan“.

„In zulke zaken heeft de wet een woordje meê te praten“, zeide Vulpian. „Er bestaat zoo iets als een aanklacht wegens schending van huwelijksrechten“.

„Stil, stil!“ hernam Darvill zachtmoedig. „Laten wij nu daarvan niet spreken. Ik denk er niet aan om ruwe maatregelen te nemen en ik ben overtuigd, dat mijne vrouw zelve de zaak tot een gewenschte oplossing zal brengeu“.

Zoolang Etheleen niet uit haar zonderlinge verdooving kon worden opgewekt, viel er niets te doen. Voor het oogenblik was Darvill geheel meester van den toestand[.] Hoe ik hem ook haatte, kon ik toch niet ontkennen, dat zijn wijze van doen niets te wenschen liet, Hij was zacht met Etheleen en beleefd tegenover ons.

Ik kon nog slechts één ding openbaren en ik deed dit; niet omdat het werkelijk afdoende was, maar ik hoopte, dat het Etheleen’s verontwaardiging tegen Darvill zou opwekken.

(Wordt vervolgd.)