Limburger Koerier/Jaargang 47/Nummer 217-218/De Nieuwjaarsnacht

‘De Nieuwjaarsnacht’ door Wilhelm Grothe, vertaald door een onbekende vertaler
Afkomstig uit de Limburger Koerier, zaterdag 31 december 1892, eerste blad, [p. 2]. Publiek domein.
[ eerste blad, 2 ]

De Nieuwjaarsnacht.

Humoristische schets, naar het Duitsch,
van WILHELM GROTHE.


„Sylvester! Avond van punch en van pannekoeken, van haringslâ en karper!“ Met deze woorden opende de schilder Christoph Wald de deur van de woning zijns vriends, den musicus Friedrich Wild; maar de woorden bleven hem in de keel steken en hij deinsde terug: een dichte rookwolk, door welke de petroleumlamp aan het einde der kamer als een lichtkever fonkelde, kwam hem tegemoet.
„Mijn God! dat is om te stikken. Frits, ongelukskind! waar zijt ge? wat voer je uit?“
„Treed binnen, sluit de deur“, sprak een diepe, sombere basstem: „ik ben bezig mjj te verwarmen.“ Hij blies daarbij uit een lange pijp dichte rookwolken in de lucht, welke door den tabaksrook en de hitte in de kamer allesbehalve frisch was.
„Ik geloof, dat je in je bed ligt, en ’t is pas zeven uur!“ riep de schilder.
„’t Is mogelijk,“ was het antwoord; „sinds mijn horloge inden lomberd is, weet ik van uur noch tijd. Waarom zou ik ook niet te bed gaan? Ik lijd geldgebrek en nergens borgt men mij meer, zelfs in den bierkneip niet.“
„Ook ik heb mijn laatste groschen in den zak,“ zei de schilder, „en ik zou waarschijnlijk met een leege maag te bed moeten, wanneer het geen Oudejaarsavond was.“
„Oudejaars-avond is een avond als alle anderen.“
„Ik ben bij de Geldmanns op een souper genoodigd,“
„Geluksvogel! En dat bij de Geldmanns! Aan mij heeft niemand gedacht“, antwoordde de musicus op neerslachtigen toon. „Ik moet tot morgen vasten. Dan maak ik visites en ik hoop, dat mij bij die gelegenheid hier en daar wat pannekoeken en dergelijke restjes worden voorgezet. In het tegengestelde geval noodig ik mij zelven bij dezen of genen te gast. Nood leert bidden, Christoph!“
„Ben je dwaas? Waarom tot morgen wachten?
Kom met mij mee. Een man die, als jij, uitstekend piano speelt, is overal welkom.“
„Waarachtig, je hebt gelijk! Nood breekt wet; naar den duivel met alle bedenkingen!“
Hij sprong uit het bed, zette de pijp neer en was binnen weinige oogenblikken gekleed.
„En nu voort naar de plaats, waar de pannekoek roept en de karper wenkt!“
De beide jonge mannen spoedden zich door de met sneeuw bedekte straten voort. Spoedig was de woning van den rijken commerciënraad Geldmann bereikt, die hen vriendelijk tegemoet trad.
„Dat was een uitstekend idee van u,“ zeide hij tot den schilder, „uwen vriend mee te brengen. De muziek kan in geen gezelschap worden ontbeerd. Ik zal u, mijnheer Wild, zoo aanstonds met mijne gasten doen kennis maken, – ge zult onder hen verscheidene vereerders uwer kunst aantreffen.“
De familie van den gastheer bestond uit zijne echtgenoote en twee dochters, welke laatsten haar twintigste jaar nog niet hadden bereikt, maar den indruk maakten ouder te zijn. Eenige heeren, in zwarte rokken en met geen bizonder geestig uiterlijk, en twee dames van vier- à vijfentwintig jaar, wier middelen haar veroorloofden zelfstandig en op ruimen voet te leven, naar de bankier aan zijne familie had verzekerd, maakten de verdere genoodigden uit. Van de geldelijke middelen der dames kon de bankier op de hoogte zijn, want hij beheerde haar vermogen; om die reden waren zij dan ook heden ten zijnent genoodigd. Dat zij beiden nog ongehuwd, ja zelfs niet eens verloofd waren, kwam den dochters van den bankier onverklaarbaar voor, wijl toch de dames Drossel, zoowel Clementine als haar zuster Sophie, door uiterlijk en karakter op ieder een hoogst aangenamen indruk maakten.
Was het onderhond tusschen de aanwezigen tot hiertoe stijf geweest, dit veranderde naar de komst der beide kunstenaars. Elk spoor van verveling was verdwenen en helder lachen en vroolijke kwinkslagen wisselden elkander af. Frits speelde op de piano komische potpourri’s en Christoph schilderde in vluchtige trekken zulke uitstekende carricaturen, dat Geldmann hem eens lachend verzekerde, dat hij vreesde nieuwjaar niet te zullen beleven, wijl hij waarschijnlijk vóór dien tijd van lachen zou zijn gestikt.
Zoo naderde het oogenblik, dat men zich aan het souper zou begeven. De deuren der eetzaal gingen open en een bediende meldde, dat de tafel was gedekt. In het schitterende licht vaneen reusachtige gaskroon prijkte een kostbaar aangerechte disch. De heeren beijverden zich de dames hun geleide aan te bieden; – daar verhief Wald zijne stem en verzette zich tegen hun voornemen: ’t was heden Sylvesteravond, – het toeval moest beschikken.
„Dat geldt alleen voor het laatste uur van het jaar,“ zei Christoph Wild en fluisterde den schilder toe: „Mij is ’t wel, dat ik niet naast eene dame kom te zitten, men kan zich gemakkelijker bewegen; en met het oog op mijn maag komt mij dat uitstekend te pas!“
Men zette zich en Frits liet een blik met welgevallen over den feestelijk aangerechten disch gaan; maar nauwelijks strekte hij zijne hand naar het eerste gerecht uit, toen de commerciënraad hem vriendelijk verzocht een muziekstuk ter inleiding voor te dragen. Mistroostig voldeed hij aan dit verzoek, schoon hij gaarne kramp in de vingers had voorgewend. „Lang zal ’t niet worden,“ dacht hij bij zich zelf; doch de laatste toon was niet weggestorven, of stormachtige bijvalsbetuigingen vielen hem ten deel en de dames riepen: „Heerlijk, verrukkelijk!“ – „O, onder uwe handen moet de Don Juan-ouverture een genot zijn,“ zeide Clementine Drossel vleiend. Dat woord werkte aanstekelijk. De gastheer meende, dat in dit compliment een verzoek lag opgesloten en geloofde, dat de heer Wild niet zou weigeren daaraan te voldoen. Frits was inwendig woedend en trachtte zich eerst nog van de optracht vrij te maken door te verzeken, dat hij het stuk niet uit het hoofd kon spelen, maar ook deze uitweg werd den armen musicus afgesneden, toen de jongste dochter van den gastheer opstond en hem met groote bereidwilligheid eene pianopartij overreikte. Hier hielp geen wederstreven, hij moest naar de piano terugkeeren. Grimmig beukt hij op de toetsen; het gerammel van borden, vorken en messen accompagneert met het knorren van zijn ledige maag zijn spel. Eindelijk is het stuk afgespeeld, en met haastigen tred begeeft hij zich weder naar de eetzaal. De karper heeft hij al gemist en – en tot zijn groote verbazing heeft die ezel van ’n knecht vergeten een bord voor hem gereed te zetten. Hij ziet rond; juist verlaat de bediende met den ledigen schotel de zaal. Op hetzelfde oogenblik begint Christoph Wald aan het gezelschap een allerdolst verhaal voor te dragen. Frits wil de wjjnflesch grijpen om zich t. m. op deze wijze schadeloos te stellen; dit maakt echter gedruisch en een vriendelijk verwijtende blik van den gastheer doet zijne hand weder zinken. In vertwijfeling wacht hij het einde van de vertelling af. Dit komt eindelijk en met de half binnensmonds gemompelde woorden: „Nu mag men mij naar den duivel wenschen, maar ik moet wat te drinken hebben,“ pakt hij weder zijn glas. Eer hij echter heeft gedronken, staat een der heeren op en begint een eindeloos langen van buitengeleerden toost af te steken. Ook deze marteling is eindelijk voorbij en men vult de glazen om met den spreker te klinken.
„Goddank !“ zucht de arme musicus voor zich heen, „nu kan ik –“. Nog vóór hij zijne gedachte heeft kunnen voleindigen, stoot zijn nevenman met hem aan en zoo onhandig, dat zijn glas in scherven breekt. Treurig kijkt de ongelukkige den gestorten wijn na, die langs het tafellaken op den grond vloeit.
„Hoe onhandig!“ fluistert de gastvrouw, doch de gastheer roept op vriendelijken, beschermenden toon:
„Maak u er niet bezorgd over, mijnheer Wald, ’t is niet het eenigste glas, ’t welk wij nog bezitten. De schade zal spoedig hersteld zijn. Intusschen – uw luimige potpourri, die straks zooveel genoegen heeft verschaft!“
„Bravo) dat is een heerlijk idee“, zegt juffrouw Sophie hartelijk.
„Maar ik sterf van honger“, klaagt de musicus.
Een algemeen gelach is het antwoord. Men houdt zijne woorden voor scherts.
„Men bemerkt, gij zijt niet alleen een virtuoos, maar ook een uitstekend komiek“, zegt op vroolijken toon, zijn buurman, dezelfde die zijn glas in scherven stiet. „Bravo“, gij ziet er waarlijk uit, alsof gij zoo aanstonds zoudt beginnen te schreien!“
„Ik ben werkelijk ook zeer treurig gestemd“, is het antwoord.
„Zeker, zeker!“ zegt de ander lachend, „wij gelooven u gaarne, maar laat ons nu niet langer wachten.“
Wild werpt zijnen vriend over de tafel een blik vol vertwijfeling toe; deze evenwel is te zeer in een gesprek met Clementine verdiept, om voor zijne ellende oog te hebben. Met wankelenden tred sleept de arme zich weder naar de piano. „Vervloekt instrument!“ mompelt hij tusschen de tanden en zijne vingers vliegen wild en ongeregeld over de toetsen. – Hij hoort weder borden rammelen en de bediende komt vragen, of hij het wildbraad zal opdienen.
Eensklaps springt Frits op, laat zijn instrument in den steek en ijlt weder naar de eetzaal, waar hij met blikken en uitroepen van verwondering wordt ontvangen.
„Waarom speelt gij niet meer?“ vraagt de vrouw des huizes op eenigszins ontevreden toon.
Frits verontschuldigt zich met te zeggen, dat hij onwel werd en werkelijk zien alle aanwezigen, dat de musicus zeer bleek is. Men raadt hem, zich naar huis en te bed te begeven.
„Zonder gegeten te hebben – nimmer!“ denkt Frits, en luid voegt hij erbij: „Het zal wel weer overgaan. Veroorloof mij een glas wijn te drinken.“
„Neen, neen, dat zou u kwaad kunnen doen, verzekert de gastvrouw; „een glas water is beter,“
De knecht, die juist het wildbraad heeft rondgediend, wil zich met den schotel verwijderen, als Frits op hem toespringt en hem dien met de woorden: „eerst dit!“ ontrukt.
Aller blikken vestigen zich op hem, terwijl hij zich haastig naar zijn plaats begeeft en, zonder ergens op te letten, zich uitgehongerd op het vleesch werpt. Hij schijnt niet te bemerken, dat men elkaar toefluistert: „Hij heeft zijn verstand verloren“; hij bemerkt ook niet, dat de nevens hem zittenden van hem af schuiven.
„Heeft uw vriend meer zulke aanvallen?“ vraagt Clementine Drossol aan den schilder. „Zulk een groot kunstenaar en dan waanzinnig, – hoe treurig! Zie toch eens hoe hij het vleesch verslindt“.
„Hij is niet krankzinnig“, antwoordt Wild, „alleen hongerig.“
De bediende is met een glas water teruggekeerd en wil het den musicus overreiken, om dan meteen den schotel weg te nemen, maar op een hem toornig toegevoegd: „Loop naar den duivel!“ springt hij verschrikt terug.
„Mijnheer,“ wendt zich eindelijk Geldmann tot Frits, „uw gedrag is zoo vreemd, dat het mij werkelijk spijt u in mijn huis te hebben ontvangen.“
„Heb spijt zooveel ge wilt, maar laat mij eten!“ is ’t antwoord.
„Gij zoudt mij zeer verplichten dergelijke onwelvoegelijkheden hier tenminste achterwege te laten,“ zegt de vrouw des huizes.
Wild eet verder, zonder de minste aandacht te wijden aan wat er om hem heen voorvalt; eindelijk is zijn honger gestild. „Wel“, zegt hij tot den heer Geldmann, „ik zal gaan, als gij het verlangt“. Met deze woorden neemt hij hoed en overjas en verlaat na eenige oogenblikken het huis.
„Neemt gij ’t voor uwen vriend niet op?“ vraagt Clementine Drossel op scherpen toon aan Christoph Wild. „Duldt gij, dat hij op deze wijze wordt behandeld?“
Christoph haalt de schouders op, maar blijft het antwoordt schuldig. Ontevreden wendt Clementine zich af.

Wild was, terwijl men in de woning van den bankier het feest voortzette, naar huis geijld. Toen hij voor de deur zijner woning stond en zijn sleutel wilde zoeken, vond hij dezen tot zijn schrik niet.Wild was, terwijl men inde woning van den bankier het feest voortzette, naar huis geijld. Toen hij voor de deur zjjner woning stond en zijn sleutel wilde zoeken, vond hij dezen tot zijn schrik niet.
„Zou ik terugkeeren?“ vraagt hij zich af. „Neen“, is ’t antwoord, „maar – dan moet ik den nacht onder den vrijen hemel doorbrengen. Bezat ik een groschen, dan riep ik een nachtwacht om mij de deur te openen. Maar wat is dat!? Hij haalde uit een zijner zakken eene portemonnaie te voorschijn, die de zijne niet was, en bemerkte tevens, dat hij zijn eigen overjas niet aan had. Thans moest hij terug. Op dit oogenblik sloeg de kerkklok middernacht. Een half unr later stond hij weer voor Geldmann’s huis.
Hier had men intusschen den tijd doorgebracht met elkaar op allerlei wijze aangenaam bezig te houden. Onder meer beweerde Christoph Wild, dat iedere dame haren toekomstigen echtgenoot ontmoette, wanneer zij tusschen twaalf en een zonder spreken op een kruisweg ging wandelen. Wie haar op dat oogenblik op hoffelijke wijze aansprak, zou haar man worden. Spoedig waren eenige jonge meisjes bereid de proef te nemen; op eenigen afstand toch van het huis van den gastheer kruisten elkaar twee straten. Men zou loten wie het eerst zou gaan. ’t Lot viel op Clementine.
Frits wachtte intusschen buiten op het oogenblik, dat zich de huisdeur zou openen en hij zoodoende eene gelegenheid zou hebben, ongemerkt naar binnen te gaan en van overjas te verwisselen. Hij behoefde niet lang te wachten.
Toen hij eenige malen op en neer had geloopen, hoorde hij eenig gerucht achter zich, en, zich omkeerend, zag hij, dat iemand de deur uitwipte. Hij liep eenige schreden terug en kwam tegelijk met Clementine Drossel op het kruispunt. Hij herkende haar evenwel niet, daar zij zich dicht in haren mantel had gehuld. Beleefd nam hij zijn hoed af.
„Vergeef mij“, zeide hij, „gij komt uit het huis van den commerciënraad. Gij keert zeker zoo aanstonds weder terug. Staat ge mij toe, u daarheen te begeleiden?“
„Hé, zijt gij het mijnheer Wild?“ roept de jonge dame op vroolijk verrasten toon.
„En gij, mejuffrouw Clementine!“ Hij bood haar den arm, dien zij aannam. Weinige woorden waren voldoende, om hun toevallig samentreffen te verklaren.
„Zoo word ik uw verloofde!“ riep hij lachend uit. „Gij zult u anders nog wel eens bedenken, eer ge een armen musicus uwe hand reikt en hem zoo gelukkig maakt!“
„Men kan niet weten“, sprak zij op half vroolijken, half ernstigen toen, „tegen de macht van het noodlot valt niet te kampen“. – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – –
Zes weken waren verloopen, – toen stonden Friedrich Wild en Clementine Drossel voor het altaar. „Dat heeft de kruisweg gedaan“, zeide Christoph Wild, die bij hun huwelijk tegenwoordig was, „ik wensehte, dat ik in de plaats van Frits ware geweest“.
„Niet de kruisweg“, antwoordde Clementine. „Een ander had mij ongestraft kunnen ontmoeten!“