Limburger Koerier/Jaargang 47/Nummer 217-218/Op sociaal gebied

‘Op sociaal gebied. Ook eene kwaal’ door Artisan
Afkomstig uit de Limburger Koerier, zaterdag 31 december 1892, eerste blad, [p. 1]. Publiek domein.
[ eerste blad, 1 ]

OP SOCIAAL GEBIED.

– – – –

Ook eene Kwaal.

– – –

Niet onaardig is het, de wereld met al hare woelingen zoo van verre eens te aanschouwen, zonder door eigenbelang gedwongen te zijn zich met die woelingen in te laten. Wat heeft men dan overvloedige gelegenheid, personen en zaken te leeren kennen en juist te beoordeelen. Dan denk ik zoo dikwijls aan dat marmeren beeld van Galathée, dat, onbeweeglijk in zich-zelve, toch de meest verschillende vormen en uitdrukkingen aanneemt, naar gelang het door eene kunstig geplaatste lamp wordt beschenen. Zoo ook wordt bij vele menschen het inwendig gevoel, het eigen oordeel geregeld, verdraaid en verwrongen door eene macht van buiten, door den invloed der grooten, door de schittering van het goud. Het is die macht van den eenen, die den anderen brengt tot de meest laaghartige en schandelijke handelingen, die hem onbekwaam maakt tot het vervullen zijner plichten en ongeschikt om zich het lot van den mindere aan te trekken.
Gij kent de geschiedenis van Pilatus; op het punt den Christus vrij te laten, omdat er geen schuld in hem was te vinden, roept men hem toe: „Gij zult ophouden des keizers vriend te zijn!“ Op ’t hooren van dat woord wordt Pilatus wit van ontzetting. De vriendschap des keizers verliezen?! En een oogenblik later spreekt hij ’t vonnis uit: „dat Hij gekruisigd worde.“
De wreede Nero belastte eenige soldaten om zijne eigene moeder te dooden. De mare van deze gruwelijke daad verspreidde zich spoedig door Rome! – Eene moeder vermoord door haar kind! – Dat treft ons en wij denken en wenschen, dat zulk een monster spoedig zijne welverdiende straf zal ontvangen.
Meent gij dat? Dan kent gij het karakter der menschen niet. Nero is machtig, Nero heeft geld, Nero is koning! Gij zult ophouden des keizers vriend te wezen!
In plaats van dezen moedermoorder te wurgen gelijk hij verdiende, roemt men zijn gruwel als een heldendaad, looft en prijst zijne handelwijze en zendt gebeden tot de goden voor het behoud van zulk een koning.
Voorwaar, men gaat ver, zoo men eenmaal dit sluiperige pad is opgegaan.
Zoo hebben de Romeinsche beschrevene vaders, die voorheen eerbied en ontzag van allen wisten af te dwingen, zich tot dwaze stalknechten verlaagd, toen Cesar, de machtige, verlangde zijn paard tot consul te maken. Gedwee en kruiperig hebben zij hunne deftige hoofden gebogen en aan dit zotste aller voorstellen hunne toestemming gegeven.
Zoo hebben anderen, hooggeplaatste personen in Engeland en Frankrijk, zich niet ontzien hunne knieën te buigen voor een ontuchtig vrouwspersoon, omdat zij de vriendin des konings was.
Dat alles strijdt ons tegen en wij gevoelen eenen inwendigen afkeer voor zulke gemeene laagheid en vuige kruiperijen.
Doch gaan wij niet te ver en bewaren wij nog iets van die verontwaardiging ook voor deze tijden, misschien nog voor ons zelven, die, alles goed beschouwd, van dit lage euvel niet gansch zijn vrij te pleiten.
Twee personen komen mij tegen, de eene arm, de andere rijk en machtig; ik groet ze beiden, maar den eersten met eene nauwelijks merkbare beweging, doch den anderen tot op den grond.
Door iemand die aanzienlijk is wordt U een dienst gevraagd; alsof U eene groote eer overkwam, slooft gij U af om toch maar spoedig en precies het gevraagde te bezorgen; een onbeduidend, verlaten en eenvoudig mensch komt tot U met eene zelfde bede, gij keert hem den rug en niet dan gedwongen en met tegenzin zult gij er toe overgaan.
Wanneer de arme zich aan zonden of eenig misdrijf schuldig maakt, heeft men geen woorden grof en sterk genoeg om aan zijne verontwaardiging lucht te geven; doch een rijke doet iets dat tienmaal erger is, en in plaats van nu tot verontwaardiging over te slaan, zal men zorgen deze fout te vergoelijken en onder allerlei voorwendsels getrouw in zijne vriendschap blijven.
Waar vandaan nu dat groote verschil van handelwijze?
Ik weet dat men hier vele verontschuldigingen aanbrengen kan, maar ik weet ook dat deze voor Christenen vooral van weinig beteekenis zijn. Het is goed zich zulks te herinneren gedurende den Kersttijd, bij de geboorte van Christus, het goddelijk Voorbeeld, die er zijn lust in stelde met de armen en de eenvoudigen om te gaan, en hunne zaak tot de zijne te maken; zich dit te herinneren bij het intreden van dit nieuwe jaar, meer bizonder voor hen die zich met de sociale kwestie bezig houden en tot het aanbrengen van veranderingen willen medewerken.
Dan zal de wensch in vervulling treden, dat ’93 op sociaal gebied veel goeds tot stand zal brengen!

Artisan.