Nieuwe Apeldoornsche Courant/Jaargang 13/Nummer 4199/De ontwikkeling der Moderne Schilderkunst

De ontwikkeling der Moderne Schilderkunst
Auteur(s) Anoniem
Datum Donderdag 13 april 1916
Titel De ontwikkeling der Moderne Schilderkunst
Krant Nieuwe Apeldoornsche Courant
Jg, nr 13, 4199
Editie, pg [Dag], [2]
Opmerkingen Verslag van de lezing De ontwikkeling der moderne schilderkunst van Theo van Doesburg in Apeldoorn; Theo van Doesburg vermeld als Th. van Doesburg, Willem Kromhout als Kromhout
Brontaal Nederlands
Bron delpher.nl
Auteursrecht Publiek domein

De ontwikkeling der Moderne Schilderkunst.

      Het heeft ons verheugd, dat gisteravond zoo’n groot publiek was opgekomen om de voordracht van den heer Th. van Doesburg uit Tilburg over de ontwikkeling der moderne schilderkunst te hooren. De bovenzaal van het Openbaar Leesmuseum was prachtig bezet.
      Dit heeft ons dáárom zooveel genoegen gedaan, omdat een belangrijk deel van het Apeldoornsche publiek een schrede nader gebracht is tot de strevingen van de jonge padzoekers en baanbrekers op het gebied der schilderkunst, die de pionieren zijn van een nieuwen stijl, die worden gaat.... wellicht.
      ’t Is de heer Van Doesburg gelukt, het publiek juist zooveel nader te brengen tot de moderne kunstuitingen als voorshands noodig is. Hij is er in geslaagd, niet om kubisme en futurisme aannemelijk te maken voor het publiek, – dat is in een lezing, ook als wordt die toegelicht door de vertooning van lchtbeelden, niet te bereiken, – maar om de idee, het aesthetisch principe, dat de expressionistische strevingen in gang zette, aannemelijk te maken en de moderne schilderkunst te doen zien als een historisch noodzakelijk verschijnsel, liggend in de lijn, die den ontwikkelingsgang der schilderkunst aangeeft.
      Verder behoefde de spreker niet te gaan. Meer kon en behoefde hij ook niet te bereiken. Niet alle vragen behoefde hij op te lossen, niet alle bedenkingen te ontzenuwen. Dat is naar onze meening niet mogelijk, omdat ook voor de strevers zelf niet alle vragen zijn opgelost. Het expressionisme breekt zich nog pas baan; ’t is nog een zoeken zonder vinden, een streven zonder bereiken, een tasten zonder grijpen. Maar we staan toch onbevangen voor het nieuwe verschijnsel, dat we niet slechts als een historische noodzakelijkheid aanvaarden, maar als een belofte van hoogere kunstmogelijkheden blijde begroeten.
      Elke nieuwe beweging, door een juist principe in gang gezet als een historische noodzakelijkheid, slaat door. De kunstenaar, die door de idee gegrepen wordt en nu grijpen moet naar de manifesteering van die idee in het kunstwerk, gaat met het principe op hol. Dat is óók een historische noodzakelijkheid. In den waarachtigen kunstenaar schuilt de revolutionnair; in zijn vooruitstreving breekt hij zich een weg; hij worstelt zich vooruit. En hoe jonger nog de idee is, waarnaar gegrepen moet worden, hoe zwaarder zijn worstelingen met zijn onmacht zijn en des te feller revolutionneert hij.
      Er moet bezinking komen in de nieuwe richting en dan zal allengs ook het groote publiek meekomen achter de kunstenaar aan. Nu bestaat die mogelijkheid nog niet, omdat de nieuwe richting zelve nog niet is gerijpt.
      Wat de spreker zeide van de uitingen der futuristen, die het geweld verheerlijken en alle vorgaande kunst zouden willen vernietigen, n.l., dat „de soep niet zoo heet gegeten moet worden, als ze opgeschept wordt”, dat geldt ook van heel wat nieuwe streven, van heel de moderne schilderkunst van het oogenblik.
      Er moet bezinking komen en dan zullen de modernen van de schilderkunst in matiging van zich zelf afslijpen de hoekige uitwassen der beweging, die deze heeft en ten gevolge van het revolutionnaire doorbreken noodzakelijk hebben moet, en in rustiger en gelijkmatiger, maar moeizamer streven komen tot bereiken. En dan zullen zij ook, zich zelf beter voelend, begrijpen, dat zij er niet zijn zonder het verleden, maar dat de nieuwe kunstvorm als beweging uit de voorgaande kunstvormen opgerezen is en zich ontwikkeld heeft, dat de moderne richting er niet zijn zou, als voorgaande richtingen niet vroeger als historische noodzakelijkheden hadden bestaan. Dan zal ook bij hen weer komen de juiste waardeering van het verleden als hún verleden, als het fundament, waarop zij staan en verder bouwen aan de oprijzende kathedraal der kunst, die ook zij nog niet voltooien zullen en kronen met een torenspits.
      De verwerping van de vroegere kunstvormen is steeds bij elke revolutionnaire doorbreking van nieuwe vormen een begeleidend verschijnsel. Dat is de revolutionnaire koorts, die den met nieuwe ideeën bevruchte, in wien het nieuwe leven groeit, dat naar geboren worden worden dringt en perst, aangrijpt. De architect Kromhout wilde als jong bouwmeester ook, dat alles zou gesloopt; hij wenschte al het voorgaande in het riool getrapt. Die koorts was een verschijnsel, dat het impressionisme begeleidde en ook de literair-artistieke beweging der tachtigers vergezelde. Straks zullen jongeren weer dezelfde koorts in zich voelen branden en zullen op dezelfde wijze ijlen. En die koorts, hevige ijlkoorts, gloeit als een geweldig vuur ook in de pionieren der moderne streving in de schilderkunst, die nog bezinken moet en waarin bezonkenheid ook zal komen, maar waarin de koortsgloed heviger is, omdat het voortschrijden een revolutionnair vooruitschokken is.
      Dan, als de bezinking gekomen zal zijn, zal de moderne schilderkunst rijp zijn als een hoogere kunstvorm, gegroeid uit een kerngezonde idee. En dan zal het publiek ook komen tot vatten en waardeeren.
      Het publiek daarop voor te bereiden door het onbevangen te leeren staan voor de moderne schilderkunst in begrijpen van het principe, dat daarin nagestreefd wordt, dat is de mooie taak, die de heer Th. van Doesburg op zich genomen heeft en waarvan hij zich, naar we meenen, met zeer veel succes kwijt.
      En we zijn hem daarom dankbaar voor wat hij daarmede doet voor de ontwikkeling der kunstwaardeering bij het publiek. Uit de artikeltjes, die we in voorgaande nommers gegeven hebben om den spreker hier in te leiden bij het publiek, is gebleken, dat wij niet slechts met onbevangenheid staan voor de moderne schilderkunst, maar warme sympathie voor haar gevoelen, dat we haar juichend inhalen als een schrede voorwaarts in de al verder gaande emancipatie der schilderkunst als vorm- en kleurcompositie, die valt in de lijn van haar logische ontwikkeling.
      Het moet ons dus dankbaar stemmen, dat de heer Van Doesburg met succes een poging heeft gedaan om het publiek vrij te maken van bevangenheid en met de moderne schilderkunst heeft doen zien als een door den ontwikkelingsgang der schilderkunst thans noodzakelijk geworden kunstvorm.
      En dankbaar zijn we Mevr. Agathe Wegerif–Gravestein, die de bijeenkomst organiseerde, voor het door haar genomen initiatief.
      Het verslag van de voordracht van den heer Van Doesburg geven we met het oog op onze plaatsruimte in ons volgend nommer. We gaven nu deze korte beschouwing, omdat we de moderne schilderkunst als verschijnsel in zoo hooge mate belangrijk achten en omdat de voordracht van den heer Van Doesburg een belangwekkende poging is om de nieuwe opvatting te propageeren en het aesthetisch principe der jonge beweging als waarheid tot het publiek te brengen.