Omwenteling van 1830/Hoofdstuk 4

Hoofdstuk III De omwenteling van 1830 (1882) door Hendrik Conscience

Hoofdstuk IV

Hoofdstuk V
Uitgegeven in Antwerpen door H. TOLBOOM.

[ 32 ]


IV.

Nadat de Chasseurs-Niellon acht maanden in volle rust op de dorpen gelegen hadden, werden zij op eenen regelmatigen voet ingericht, onder de benaming van 2de regiment jagers te voet, en kregen nu eerst soldatenkleederen van groen laken met roode boordsels.

Er liepen geruchten, dat de Hollanders bezig waren met het vergaderen eener groote krijgsmacht, en dat zij eenen inval in België wilden wagen. Deze geruchten ontstonden en vergingen menigmaal.

Ondertusschen werden wij, op het einde der maand Juli 1831, al te zamen op eene heide omtrent Turnhout vergaderd. Daar werd, onder het aanheffen van een ontzaglijk gejubel, uitgeroepen, dat vorst Leopold, als eerste koning der Belgen, zijne intrede in Brussel had gedaan en volgens voorvaderlijk gebruik 's lands grondwet had bezworen.

Twaalf dagen later, in den nacht van den 1sten tot den 2den Augustus, terwijl wij gerust in onze logementen te Oud-Turnhout sliepen, werden wij eensklaps door de alarmtrom gewekt en liepen op de gewone vergaderplaats der compagnie te zamen.

Men leide ons door de duisternis en langs afgelegen banen naar eene onmeetbare heide tusschen Ravels, Baerle-Hertog en Weelde. Hier vonden wij het overige van ons regiment, alsook een ander bataljon vrijwilligers, reeds gelegerd.

Men deed ons de wapens en patroontasschen onderzoeken, ten einde met den morgen strijdvaardig te zijn; want de vijand was met groote macht over de grenzen gekomen en bevond zich niet verre van ons. Wij hoorden inderdaad, in de richting van het dorp Weelde, gebriesch van paarden en bijwijlen een zeker onuitlegbaar dof gerucht, dat ons de nabijheid van eene groote menigte menschen aankondigde.

In de duisternis drukten wij elkaar met geestdrift de handen; wij waren blijde, dat het ons eindelijk werd vergund, ons bloed voor het vaderland te vergieten. Niemand onder ons twijfelde aan de overwinning; onze moed was groot, en ons vertrouwen zonder palen.

Op mij deed echter het naderen van eenen grooten veldslag eenen diepen indruk; na in de eerste machtspreuken en wederzijdsche aanhitsingen te hebben deelgenomen, liet ik het hoofd op de borst zinken, en ik dacht aan mijnen vader en aan al wie mij te huis dierbaar waren. Deze zucht, naar de beminde dingen is als het testament der ziel: wie jong is en verre van zijne geboorteplaats in een groot gevaar verkeert, zal altijd gevoelen, hoe zijn geest een droevig en teeder vaarwel toewerpt aan al wat zijn hart betreurt en vreest te zullen verliezen. [ 33 ]

Om den lezer eenigszins de voorvallen te doen begrijpen, welke gaan volgen, is het noodig eenige inlichtigen over dezen inval der Hollanders te geven.

Het Belgische leger was in eenen beklaaglijken toestand; te Brussel had men den tijd besteed aan de gewichtige beraadslagingen over onze onvergelijkelijk schoone Grondwet en over de keus eens Konings. Op het papier had men eene eerbiedwekkende krijgsmacht ingericht, doch deze bestond niet werkelijk. Geen voorraaddienst voor oorlogstijd was er ingericht; niets was voorzien: de regimenten vóór den vijand hadden zelfs niet meer buskruid onder hun bereik, dan men op eenen enkelen dag verbruiken kon. Vele generaals en de meeste officieren hadden nooit eenen regelmatigen krijg gevoerd: moed en onversaagdheid was er genoeg; maar ondervinding en beleid ontbrak er gansch.

De Belgische krijgsmacht, — buiten de burgerwachten, die meer hinder dan hulp bijbrachten, — kon beloopen tot de 30,000 man en was in twee groote afdeelingen gescheiden. De eerste, het Scheldeleger, lag rondom Antwerpen, onder bevel van generaal De Tieken de Terhove, die zijn hoofdkwartier op het dorp Schilde hield; de tweede, het Maasleger, lag rondom Hasselt, onder bevel van generaal Daine. — Tusschen deze beide legers bleef een afstand van dertien uren gaans!

De Hollanders hadden integendeel hun leger tot den inval met eene uiterste doelmatigheid vergaderd en ingericht; hunne krijgsmacht, onder bevel van den Prins van Oranje en den Prins van Saksen-Weimar, telde 40,000 man geregelde troepen en 30,000 man der schutterij; daarenboven 4,000 ruiters en 72 stukken geschut.

De eene helft der Hollandsche troepen rukte langs Limburg tegen het Maasleger in; de andere helft zakte naar Turnhout af, om op Antwerpen in te dringen.

Ons regiment jagers te voet, dat met eenige onregelmatige bataljons op de Ravelsche heide lag, vormde de zoogenaamde Brigade d'avant-garde of voorwacht. Wij waren al te zamen 800 man en hadden twee veldkanonnen; een twintigtal jagers te paard waren ons toegevoegd om den postdienst te verrichten.

De afdeeling der Hollanders, die te Weelde op den Belgischen bodem had stand gevat, was eene voorwacht van 1,000 man.

Van al deze bijzonderheden wisten wij niets; slechts één ding was ons bewust, namelijk dat de Hollanders dáár waren en dat wij gingen strijden.

Zoohaast de morgenschemer de nachtelijke duisternis had vervangen, werden de twee vleugelcompagniën van elk bataljon als scherpschutters tegen den vijand gezonden; de middelcompagniën, waartoe ik behoorde, bleven langen tijd als réserve, werkeloos bijeengeschaard.

Een hevig geweervuur bleef den ganschen dag aanhouden; [ 34 ]maar dewijl men uit gebosschen en van achter boomen schoot, hadden wij weinig gekwetsten. Eenige Hollandsche jagers werden krijgsgevangen gemaakt, of, beter gezegd, zij liepen tot ons over. Geen enkele kende Hollandsen of Fransch: allen waren Pruisen of Zwitsers.

Naarmate het geweervuur duurde, begon men het gebrek aan voorraad te gevoelen: op den middag reeds kwamen de jagers te paard de pakken kardoezen uit de patroontasschen der middelcompagniën halen, om ze naar de scherpschutters te dragen.

De gedachte, dat wij eerlang zonder buskruid vóór den vijand zouden staan, verontrustte onze officieren. In mijne tegenwoordigheid deed onze dappere generaal Niellon onzen eenigen, doch ledigen voorraadwagen bijbrengen, en riep eenen sergeant uit onze compagnie, met name Nagels, eenen stoutmoedigen jongeling uit Fontaine-l'Évêque. De generaal schreef met potlood, en den kop van zijnen zadel tot lessenaar nemende, een bevel om buskruid te halen.... naar Antwerpen! De sergeant zou met den fourgon over den steenweg vliegen; en, verongelukten er paarden, hij moest maar andere bij de boeren nemen, al ware het met geweld der wapenen.

Ondertusschen vuurden wij zonder verpoozing op de Hollandsche voorposten; zij deden eveneens op onze uitgezette schutters.

Zóó kwam de nacht zonder ander voorval; in mijne compagnie had elk man nog tien kardoezen, en er moesten dagen verloopen, eer wij er andere zouden bekomen.

Wij konden niet begrijpen, waarom men ons niet had laten vooruitgaan, om den vijand in zijne legerplaats aan te vallen; voorwaar, zoo meenden wij, hij zou bij onze verschijning de wijk genomen hebben, vermits hij, ondanks zijne groote macht, ons niet durfde aangrijpen. Het gebrek aan buskruid had velen verbitterd, en in stilte werd er onder de soldaten reeds gemord van verraad en verkooperij.

Den volgenden morgen, toen de nachtelijke dampen in de hoogte stegen, zagen wij eerst op de verre kimmen eene grijze streep, die scheen te bewegen; zij verlengde zich over de gansene heide.

Allengskens werd het ons duidelijk, dat het een drom ruiters was, waarschijnlijk kurassiers, want van hunnen hals tot achter hunne paarden daalde een wijde mantel, die hun in ons oog de gestalte en de vormen van reuzen gaf. Op de ruiters volgde eene dikke wolk voetgangers, wier duizenden en duizenden geweren met bliksemend gefonkel in de eerste zonnestalen schitterden. Het hield niet af; wellicht scheen in het verschiet de gansche heide, zoo wijd het gezicht reiken kon, met vijandelijke scharen overdekt.

Gedurende den nacht was het gansche leger der Hollanders zijne voorposten genaderd; en, terwijl de kurassiers eenen om[ 35 ]weg deden, om de baan naar Antwerpen te gaan bezetten, ontplooide het zijne drommen over de vlakte, als om ons den strijd aan te bieden.

Met verbaasdheid, doch zonder vrees schouwden wij op de onmeetbare reeks vijanden, die langzaam en met uitgespreide vleugelen naar ons kwam afgezakt. De krijgsmacht, die wij zagen, mocht tot de 20,000 man beloopen; zij voerde 40 stukken geschut en had eene talrijke ruiterij;-wij waren 800 man, hadden geene ruiterij en slechts twee veldkanonnen.

Wij stonden met den rug tegen een jong mastboschken; vóór ons, op eenigen afstand, lag een veen of waterplas. Onze twee veldkanonnen waren wel honderd stappen vooruit, achter den hoek van een ander dennenbosch verborgen en met schroot geladen.

Ik vergat den krijg en het gevaar, zoozeer greep het ontzaglijk schouwspel mijne inbeelding aan; de zon was in eene helderblauwe lucht opgerezen, en zij fonkelde zoo tooverend in het glinsterend ijzer der wapenen, dat de reeks der Hollandsche troepen mij voorkwam als een stroom van tintelend vuur.

De losbarsting van een tiental zware kanonnen riep mij op uit mijne vergetelheid: ik beefde en was vervaard ... maar bij de tweede ontploffing was die ontsteltenis of liever die siddering des harten reeds verdwenen: — er bleef mij niets over dan de overtuiging des gevaars en eene koortsige zucht om te strijden, als moest de dadigheid van den kamp mij verlossen van een gevoel, dat mij lastig en pijnlijk was.

De kanonskogels der Hollanders vielen meest in het veen en deden het water wonderhoog ten hemel springen; slechts één onzer gezellen werd gedood door eenen kanonsbal, die hem vóór den mond was heengevlogen, doch hem niet anders had geraakt.

Wij morden hevig en wilden vooruit; maar onze officieren smeekten ons, dat wij toch niets zonder bevel des generaals zouden bestaan, — en, dewijl de officiers in ons regiment zoo niet ontzien, echter meestal bemind werden, bleven wij, tandenknarsend van ongeduld, in onze rangen staan.

Nog eenige oogenblikken, en het Hollandsche leger zou tot onder bereik van geweervuur ons genaderd zijn; wij zagen dien gewenschten stond met blijdschap te gemoet.

De vijand hield zijne slagorde staan; hij zond door eene opening een zestiental lanciers te paard op ons af; wij hielden ons gereed om er duchtig onder te schieten. Deze ruiters zouden slechts eene verkenning doen en bespieden, welke macht de Belgen tegen hunne vijanden konden stellen.

Alzoo de lanciers met hunne oranjekleurige vaantjes een eind vooruit kwamen gereden, begaven zij zich, tot hun ongeluk, onder het bereik onzer twee verborgene kanonnen. Eene dubbele los[ 36 ]barsting galmde over de heide: tien of twaalf ruiters en zoovele paarden vielen dood of gewond ter aarde; de overigen vluchtten in allerijl terug naar de slagorde huns legers.

Op dit gezicht van dit eerste voordeel, hoe gering het ook ware, ontstond er een onbeschrijfelijk gejubel onder de Belgen, en allen sprongen vooruit onder het donderend geroep van: "Leve de Vrijheid! Leve Leopold!"

Geen twijfel of deze 800 man zouden zich zonder aarzelen tegen den ontelbaren drom des vijands geworpen hebben; en wie weet wat er ware geschied? Een zekere dood was hun, wel is waar, beschoren; doch hoe duur zouden zij in die eerste drift hun leven niet verkocht hebben? Misschien had de indruk van zulk heldhaftig bezwijken zwaar gewogen in de weegschaal der latere gebeurtenissen.... Maar de meesten dezer opgewondene strijders moesten, uithoofde van het veen, eenen omweg doen, en dit gaf den officieren den tijd hen te wederhouden.

Terwijl de oversten met open armen aan het vermetel vooruitloopen tegenstand boden, donderde het geschut der Hollanders met vernieuwde kracht; hunne gansche slagorde zakte vooruit, als om wraak te nemen over het gebeurde, en wij hijgden van blijde ontsteltenis bij de nadering van den slag.

Op dit oogenblik kwam een onzer jagers te paard onzen generaal eene haastige boodschap brengen. De Hollandsche kurassiers hadden de baan naar Antwerpen afgesneden; de Belgen waren langs alle zijden omsingeld!

Hoezeer de vrijwilligers huilden van woede en zich de vuisten ten bloede beten, er was niets aan te doen; wij moesten de heide verlaten, terugwijken naar Turnhout, en verder eenen doorgang naar het binnenland zoeken, om, ware het mogelijk, aan eene zekere nederlaag of gevangenneming te ontsnappen.

In goede orde, en nog gereed tot eenen hevigen tegenstand, trokken wij af naar Turnhout. De stad had het voorkomen van een graf: geen levend wezen was er op de straten te zien; deuren en vensters waren gesloten gelijk in het midden des nachts. Dit vertoog deed eenen ongunstigen indruk op onzen geest, en het was inderdaad niet aanmoedigend, al de inwoners dus gevlucht of verkropen te zien, alsof zij, reeds vroeger dan dien dag, ons onbekwaam hadden geacht om hunne haardsteden te verdedigen.

In Turnhout bleef ons regiment niet stil; wij trokken de Herenthalsche baan in en slingerden door bosschen, voetpaden en veldwegen immer met versnelden marsch voort.

Het was uitermate heet; de oogstzon brandde onverdraaglijk boven onze hoofden; wij hadden eten noch drinken.

Reeds te Casterlee deed de felle dorst het bevel der officieren voor eene wijl miskennen. Er stond in dit dorp, in den hof des [ 37 ]pastoors, een groote appelboom, overladen met vruchten, die slechts twee maanden later eetbaar zouden zijn. De boom werd door honderden mannen bestormd, beklommen, gebroken en ontbladerd. Men smeekte, men vocht om eene beet der wrange vruchten.... De zure smaak, meende men, zou het branden van den dorst koelen.

Zoo bleven wij acht dagen tusschen Lier en Leuven in de grootste hitte dwalen, elken dag tien of twaalf uren gaande, zonder voedsel en drank, en letterlijk verzengd door de hitte. Wij aten de schors der mastboomen en droegen voor den dorst eenen geweerkogel in den mond; des nachts lagen wij op den grond en verstijfden van den overvloedigen morgendauw.

Men zeide onder ons, dat wij nog altijd door de Hollanders ingesloten waren, en dat ons gaan en komen voor doel had aan de vervolging des vijands te ontsnappen, om ons omtrent Leuven met het groote Belgische leger te vervoegen.

Wat hiervan zij, wij kwamen dikwijls op banen en in dorpen, waar het Hollandsche leger ons inderdaad was voorafgegaan; want wij vonden onderweg pompons en andere kleine dingen, die onze vijanden al gaande hadden verloren.

Op eenen middag hield men ons staan in de nabijheid van een dorp, — ik meen dat het Boisschot heet, — waar nog het stroo lag, dat den Hollanders tot nachtleger had gediend.

Uitgeput van vermoeidheid en van honger, lieten wij ons op een veld nedervallen om te rusten; wij hadden daags te voren weinig voedsel gevonden, en van dezen dag hadden wij nog niets gegeten.

Mij werd bevolen, dat ik met een tiental mannen van goeden wil naar het dorp zou gaan, om nooddruft voor onze compagnie te zoeken en met dank of met geweld, te nemen wat er te vinden was.

De stoutste en ruwste vrijwilligers boden zich aan. Toen wij in het dorp kwamen, waren de inwoners gevlucht; wij braken de deuren met kolfslagen open, doch ontdekten niets dat eetbaar was.

In het midden van het dorp vonden wij eenen man en eene vrouw, die hun huis niet hadden verlaten. Op onzen eisch om brood of ander voedsel te hebben, antwoordden zij ons klagend, dat de Hollanders daags te voren alles hadden weggenomen. Mijne vrijwilligers, door de wanhoop des hongers gedreven, begonnen den man met het plat van de sabel te slaan en hem met nog ergere behandeling te dreigen.

Na langen tegenstand leidde de verschrikte man ons achter in den hof, en groef daar uit den grond drie zeer groote roggebrooden, die in eenen zak gewikkeld waren. Wij namen de brooden mede en ook den zak. [ 38 ]

Na vruchteloos nog vele ontruimde huizen te hebben doorzocht, kwamen wij buiten het dorp in eene leemen hut, waar eene jonge vrouw met een kind van drie of vier jaar zich bevond. Op onze dreigende vragen haalde zij eene roggeboterham uit de wiege van haar kind; en ons die toereikende, zeide zij met tranen in de oogen:

"Ziet, vrienden, dit is al wat mij overblijft: ik had het bewaard voor mijn arm schaapken."

Reeds had een mijner makkers de boterham aanvaard, en meende er een stuk af te bijten; maar de anderen hielden hem met geweld terug en deden hem het geringe stuk brood in den zak werpen.

Door een diep medelijden met de ongelukkige moeder aangedaan, wilde ik haar de boterham doen terug geven. Te vergeefs; het spreekwoord is waar: hongerige magen hebben geene ooren.

Dan vatte ik de hand der vrouw en vroeg haar of zij in een naburig dorp voor geld geen brood zou krijgen.

Op haar bevestigend antwoord staken al mijne makkers de hand in den zak; de meesten gaven elk een stuk van vijf en twintig centen; eenigen gaven iets minder, ik gaf iets meer, en zoo kreeg de arme vrouw omtrent vijf franken.... Tranen ontliepen haar nu nog overvloediger; het was van dankbaarheid: hare stem klonk de weldadige stroopers zegenend achterna.

Onderweg maakten mijne gezellen een komplot aangaande de boterham; zij werd gedeeld: wij kregen ieder een stuk zoo groot als een vinger.

Op het bivak werden de drie roggebrooden eerst met sabelhouwen in groote brokken gehakt en dan verder met messen gesneden. Van den kapitein tot den laatsten soldaat, elk bekwam er iets van.

Den 10en Augustus, in den namiddag, gingen wij voorbij de wijnheuvels van het dorp Wesemael, op ongeveer anderhalve mijl van Aerschot. Hier vonden wij vele karren met brood en vleesch, die ons tot voorraad waren bestemd.

Men hield het regiment staan, en brandwachten werden op groote afstanden uitgezet, alsof wij ter dezer plaatse op bivak zouden blijven; de weinige jagers te paard, die ons van Turnhout af hadden vergezeld, werden op hoogten en op verre banen gezonden, om alle nadering van gevaar intijds te kunnen vernemen.

Uit elke compagnie riep men eenige stoute mannen te zamen; dezen zouden naar Wesemael gaan en halen wat er noodig is tot het koken van vleeschsoep.

Na een half uur tijds stond voor iedere compagnie eene groote koeketel, op steenen verheven en met water gevuld. Men hakte het vleesch met sabels aan stukken en legde het in de ketels; vele mannen kwamen toegeloopen met koolen van alle kleuren, [ 39 ]met selder, met ajuin, met salade: al wat maar groen en eetbaar was, wierp men boven de zwemmende bonken vleesch. De vuren kraakten, de aangehitste vlammen kronkelden rondom de ketels, en al de mannen der compagnie stonden met begeerigen blik en vochtigen mond de veel belovende bobbels na te zien, die in menigte uit den grond van het ziedende water opklommen.

Men zou meenen, dewijl wij brood in overvloed hadden, dat de honger ons nu niet aandreef. Inderdaad, zóó was het; doch het raadselwoord van ons innig verlangen naar de vleeschsoep ligt in warm eten. Het was nu reeds eenige dagen geleden, dat wij niets anders dan koud eten genuttigd hadden, en dan nog in ontoereikende hoeveelheid. Nu gingen wij warm vleesch eten! In onze meening, — in de meening onzer verhongerde magen, — was niets zoo lekker en zoo onbegrijpelijk versterkend als warm eten.

Reeds toen het water slechts eenigen tijd gezoden had, waren er mannen, die met de punt hunner bajonet, zooals zij op het geweer stak, een koolsblad of eenen struik selder poogden op te visschen. De anderen stelden zich tegen de rooverij: men stiet elkander weg; er werd gevochten en geworsteld tot zooverre, dat de oversten zich verplicht zagen bij elken ketel twee schildwachten te zetten.

Eindelijk toen de soep eenigen tijd gezoden had en de oogen vet zich boven het water begonnen te vertoonen, riep men algemeenlijk, dat het vleesch genoeg gekookt had. Waarschijnlijk zou het nog niet half gaar zijn; maar van den nood eene deugd gemaakt: indien het slechts van de warmte was doordrongen, zou het wel goed smaken.

De oversten toonden zich bereid om den algemeenen wensch te voldoen; nog eenige minuten, en het regiment zou eten.

Wie eene gamelle had, hield ze in de hand gereed; iedereen had zijn knipmes geopend: de lippen verroerden met die eigendommelijke uitdrukking van iemand, die zich aan het smaken van lekkere spijzen verwacht.

Op dit uiterst oogenblik komt een jager te paard in vollen draf aangerend en zegt eenige haastige woorden tot den generaal. Onmiddellijk ontstaat het geroffel der trom, die elkeen te wapen en in zijn gelid roept. Het Hollandsche leger is in onze nabijheid; wij zijn achthonderd, zij waarschijnlijk tienduizend of meer. Daarenboven, wij mogen niet strijden; onze bevelen luiden, dat wij den vijand moeten pogen te ontkomen, om ons te Leuven met het leger onder bevel des Konings te vereenigen.... Er is geen tijd tot beraadslagen: de ketels worden omgeworpen; sommige mannen steken een brok vleesch of een kool op hunne bajonet; doch het ziedend water, dat hun in den hals of op hunne kameraden druipt, doet hun het geredde voedsel wegsmijten; de oversten dwingen de compagniën tot een spoedig vertrek.... en [ 40 ]eenige minuten later zijn wij verre van daar, op de baan naar Aerschot, nog immer mijmerend van het warm eten en de lekkere vleeschsoep, die onder ons gezicht over den grond is weggestroomd....

Wij brachten den nacht buiten de stad Aerschot door, op eene hoogte tegen de baan naar Hauwaert, waar wij nog een gedeelte van het 9de linie-regiment aantroffen. Hier kookten wij ons vleesch op het bivak, zonder gestoord te worden, en kregen buskruid.

In den morgen werden wij onvoorziens te wapen getrommeld; onze brandwachten beweerden, dat eene talrijke afdeeling Hollandsche lanciers op den steenweg naar Diest zich vertoonde. Dewijl de hoogte, waarop wij ons bevonden, nevens voormelden weg voortloopt en hem diensvolgens beheerscht, zouden wij de vijandelijke ruiterij pogen te bereiken en ze van boven de heuvelen met voordeel aanvallen. Dit ten minste werd er onder ons verteld, toen wij reeds het bivak hadden verlaten.

Uren lang gingen wij met verhaaste stappen, zonder iets te vernemen. De zon stond te branden aan den diep blauwen hemel; het was onbeschrijfelijk heet; en dewijl wij, zonder eene baan te volgen, dwars door havervelden en aardappelloof onzen marsch rusteloos voortzetten, waren wij eindelijk door hitte en dorst tot zooverre uitgeput, dat sommige mannen zich ten gronde lieten vallen en weigerden op te staan. Wanneer het geviel, dat wij in eenen hollen weg traden, zooals er in die landstreek vele zijn, legden gansche gelederen, ondanks den wil der officieren, zich met den mond tegen de vochtige wanden der baan, waaruit een ijzerachtig water sijperde, en zoo zogen wij uit de aarde eenig vocht op, om onzen verterenden dorst te koelen. Velen onzer zaaiden hunne kleedingstukken langs de baan, bovenal de kapotten, om het gewicht van hunnen ransel te verminderen.

Omtrent den middag, toen wij buiten adem en schier versmacht van dorst, gevoelloos en met hangend hoofd voortstapten, beklommen wij eenen heuvel, waarboven een molen en een huis stonden. Zoohaast hadden wij den top des heuvels niet bereikt, of een bataljon van het 9de regiment, dat ons vergezelde, liep in wanorde uiteen naar een bornput, welke met zijne hooge wip nevens het huis zich vertoonde. Een aantal onzer jagers, dit ziende, stormden insgelijks uit hunne rangen om, ware het mogelijk, eene teug water te bekomen.

Rondom den bornput werd er een waar gevecht geleverd: men sleurde, men stiet, men stompte, men wondde elkander, om omtrent den emmer te geraken. Velen, die geen ander middel zagen om hunnen dorst te lesschen, staken hun brandend hoofd in den emmer en dronken zóó het ijskoude water, totdat men ze er van wegrukte. De dokters en vele oversten baden en smeekten de mannen, dat zij zich toch niet aldus aan eenen zekeren dood [ 41 ]zouden blootstellen; zij dreigden en sloegen met hunne degens, het hielp niets: wij waren als razend van dorst.

Onderwijl was er een wolk andere mannen op den grooten wijngaard gevallen, die zijne groene ranken over den gevel van des molenaars huis uitspreidde: druiven, bladeren, twijgen, ja, het hout zelf, tot in den wortel toe, werd verslonden en tot lafenis genuttigd en verknabbeld. Voor vijftig cents kreeg ik twee druivekorrels van eenen soldaat onzer compagnie; ik was gelukkig: de zure smaak bracht mij vocht in den mond....

Na eenigen tijd bemerkten onze oversten wel, dat hunne poging om de mannen van den bornput te houden, vruchteloos zouden blijven. De trommen hieven den marsch aan, en wij vertrokken. Ten halve den heuvel zag ik eenige mannen met paarse wangen en koolzwarte lippen op den rug uitgestrekt liggen: zij waren levenloos, het koude water had hen gedood.

Na een uiterst moeilijken marsch en veel gaan en keeren, zonder een voor ons merkbaar doel, kwamen wij des avonds, toen het reeds donker was, boven eene hoogte bij het dorp Lubbeck, op twee mijlen van Leuven.

Hier sloegen wij ons bivak neder en kookten aardappelen in koeketels, welke wij uit het dorp hadden gehaald.

Onze oversten zeiden ons, dat er des anderen daags een beslissende veldslag zou geleverd worden; zij vuurden onzen moed aan, herinnerden ons de dagen der omwenteling en bezwoeren ons om als ware Belgen voor land en Koning te strijden.

In de vlakte, beneden de heuvelen, was de Hollandsche krijgsmacht gelegerd; zij had haren staf bij het dorp Winghe; doch hare voorposten strekten zich tot in onze nabijheid uit.

Onze uitgezette brandwachten hadden de gewoonte, elkander van verre onverpoosd de volgende woorden toe te roepen: "Sentinelles, prenez garde à vous!" waarop de Duitsche of Zwitsersche soldaten, die rondom het bivak der Hollanders waakten, den onzen spottend toeriepen:

"Was der Hund sch..... fresst du !"

Het meerendeel van het Belgische leger bevond zich te Leuven, onder bevel van Koning Leopold; ons regiment, met twee bataljons van het 9e, was een der voorwachten. Diensvolgens mochten wij ons overtuigd houden, dat wij bij het krieken van den komenden dag den eersten aanstoot des vijands zouden doorstaan hebben.

Alhoewel deze zekerheid wel van aard was om ons den slaap moeilijk te maken, waren de gekookte aardappelen niet zoohaast genuttigd, of allen legden zich ter aarde, en vielen, onder de vermoeidheid bezwijkend, in eenen zwaren sluimer. Ik luisterde nog eene wijl op den roep der schildwachten, die akelig door de nachtstilte rondom ons bivak herklonk en voortliep; ik dacht [ 42 ]aan onzen zonderlingen toestand, droomde van Borgerhout en mijnen vader, en sloot dan insgelijks de verzwaarde oogleden ... om, evenals mijne makkers, ze niet meer te openen dan onder den knal van geweren en kanonnen....