Opregte Haarlemsche Courant/1888/Nummer 45/Staten-Generaal

‘Staten-Generaal. Tweede Kamer. Zitting van 21 Februari’ door een anonieme schrijver
Afkomstig uit de Oprechte Haarlemsche Courant, woensdag 22 februari 1888, [p. 2]. Publiek domein.
[ 2 ]

Staten-Generaal.

Tweede Kamer.

Zitting van 21 Februari.

Ingekomen zijn de inlichtingen ter zake van de kerkelijke twisten te Wons en Serooskerke. — In handen gesteld eener commissie, bestaande uit de heeren Van der Feltz, Huber, De Ranitz, Lohman en Van der Kaay.
Aan de orde is de voortzetting der beraadelaging over het wetsontwerp betreffende de verbetering van de rivier de Berkel.
De heer Van Pallandt betuigt zijn dank aan den heer De Ranitz voor zijne verdediging van Prov. Staten van Gelderland. Spr. meent, dat de adressen tot afstel van het subsidie hunne oorzaak hebben gevonden in teleurstellingen en in het eigenbelang der adressanten. De angst van opvoer der lasten is de eenige reden van oppositie. H[e]t komt sp[r]eker echter v[o]or, dat het werk te grootsch is opgevat. De ingenieurs zijn bij zulk een werk vol ambitie en zien daardoor bij de raming weleens over het hoofd of het niet met minder kosten zou kunnen tot stand komen. In eene vermindering van subsidie ziet spreker geen heil, maar hij is voor een subsidie van ƒ 14 000 jaarlijks, zijnde 3 pct. van het subsidie in eens.
De heer Viruly herdenkt den heer Jacob Dam in zijne telkens terugkeerende speeches gedurende zijn lidmaatschap dezer Kamer. De Berkel-quaestie is eene quaestie van zeer oude dagteekening. De oplossing der quaestie zou der Kamer van Honderd eene weldaad bewijzen door er haar van te verlossen, doch deze oude, afgeleefde Kamer zou er voorzeker eene belangrijke streek des lands een onschatbaren dienst mede bewijzen. Spreker is bereid in die oplossing te treden, doch hij vraagt zich in de eerste plaats af: Is hier een groot staatsbelang? Spr. meent dat daaromtrent geen twijfel kan bestaan. En de 41 leden die in 1869 het voorstel van den toenmaligen minister Fock verwierpen hebben dat nimmer ontkend. Maar men wenschte toen eene wet, die het beheer van den Staat over de kleine rivieren zou vaststellen. Doch bovendien, de zaak is van groot belang voor heel de provincie Gelderland. Waarom subsidieert zij dan niet? Prov. Staten hebben van eene leus een beginsel gemaakt. Voor waterkeeringen — zeggen ze — geven we wel subsidie, doch voor waterloozingen niet. Is dat een beginsel? Erkennen Prov. Staten het groot belang voor Gerderland, dat zij dan do beurs [onleesbaar]. En het komt spreker raadzaam voor den minister in verweging te geven, alsnof te willen onderzoeken in hoeverre Provinciale Staten daartoe bereid zijn. Het plan van den ingenieur heeft bijna onverdeelden bijval verworven. En mag het nu goede politiek heeten, een weloverdacht werk tot half werk te maken? Half werk kost ook geld en het geld is half weggegooid. Begin eerst het hoogst noodzakelijke — zegt men — dan kunt ge later weer subsidie krijgen. Alsof de Reg. en de Staten-generaal zoo scheutig zijn met subsidiën. In principe bestaan tegen het plan geene bezwaren, wel tegen de gevolgen daarvan: hoogere waterschapslasten, bezwaren die z. i. niet geheel overdreven zijn. Spr. tracht dit met cijfers aan te toonen. De vermeerdering van lasten, grondlasten en afdeelingslasten daarbij gevoegd, wordt te hoog. Spr. wil een middel aan de hand doen tot oplossing. Langzamer werken, zegt de heer Van der Feltz. Maar aan Hollandsche ingenieurs langzaamheid aan te bevelen ware prêcher des convertis (gelach). Hij stelt voor, het subsidie niet op de helft, doch op ¾ te brengen, dat scheelt slechts ƒ 175 000. Eene dergelijke opoffering van den in malaise verkeerenden landbouw is zeer zeker evenzeer als vroeger gerechtvaardigd, vooral in een tijd waarin men zonder eenige discussie (gelijk in de vorige week) groote sommen amortiseert.
De heer Æ. Mackay acht de zaak van groot belang. Ook hij acht haar echter weinig opgevat in verhouding tot de draagkrachten van de belanghebbenden. De Reg. had meer zuinigheid moeten betrachten. Maar nu is het plan geheel gebaseerd op de helft van het subsidie ad ƒ 350 000. Het eigenmachtig aanstellen van het waterschapsbestuur door het prov. bestuur was ook eene groote fout, eene daad die alleen gemotiveerd zou zijn geweest door het verleenen van een provinciaal subsidie. Spr. acht de klachten, waarvan de heer Willink zich ten tolk maakte, zeer gegrond. Maar kunnen ze tot afstemming van het ontwerp leiden? Spr. gelooft het niet. Hij gelooft dat de vraag deze is: Zijn we verantwoord door afstemming? Neen, want al het gedane werk ware dan onnut verricht. Spr. gelooft dat het Rijk voor ⅔, de ingelanden voor ⅓ in de kosten behooren bij te dragen.
De heer Van der Borch zou het beter geacht hebben wanneer de Staat de zaak in eigen beheer had genomen. Spreker twijfelt daarenboven, of het subsidie toereikend zal zijn voor een werk van dergelijken omvang. Ook vreest hij te hooge stijging van lasten. De raming der voorloopige werkzaamheden op 1 ton geeft reden om te vermoeden dat het geheele werk niet voor 6 ton zal kunnen worden uitgevoerd; de raming komt hem voor in sommige opzichten te laag te zijn. De belanghebbenden zijn in de zaak te weinig gekend en daarom is ook niets van oppositie tegen het plan gebleken; maar dat die daarom niet zou kunnen bestaan, wil spreker niet voetstoots erkennen. De aanneming van dit ontwerp — zegt de heer Van der Sleyden — zal de oppositie ineens smoren. Een fraai middel voorwaar. Men kan z. i. ook moeielijk beweren dat het waterschapsbestuur de ingelanden vertegenwoordigt en spr. acht dit zeer onjuist te zijn. De zwart geteekende toestand van de Berkellanden is zeer overdreven voorgesteld. Spr., die reeds 14 jaar in het Berkeldal woont, kan dat verzekeren. Ook acht spr. met tal van de hem voorgaande sprekers de zaak te hoog opgevat. Door niet-aanneming van het ontwerp is eene wijziging mogelijk van den kostbaren toestand, die niet mag bestendigd worden en die te hooge lasten op de belanghebbenden legt. Omdat het waterschap — gelijk de minister zeide — een feit is, is dit geenszins een beletsel om in eene wijziging van het reglement aan de billijke eischen in het belang der ingelanden tegemoet te komen. Wordt het voorstel verworpen, dan zal uit het Berkelland een juichtoon opgaan uit de borst van velen, die daarvoor der Kamer dank zullen brengen.
De minister van Waterstaat zet nader het standpunt der Regeering uiteen. Is de verbetering van de Berkel noodig? En is het subsidie gewettigd? Door de toestemmende beantwoording dezer beide vragen door de meerderheid der Kamer zal de aanneming van het wetsontwerp verzekerd zijn. De min. gaat de geschiedenis der zaak in het b[r]eede na en acht het, daaruit concludeerende, buiten kijf, dat de eerste vraag volmondig bevestigend moet worden beantwoord. De oprichting van het waterschap werd allerwegen nuttig en gewenscht geacht, zoowel door het prov. bestuur als door belanghebbenden. De meest principieele bestrijding van de zaak was nog die van den heer v. d. Borch; de overige bezwaren golden slechts ondergeschikte zaken. Wat betreft het subsidie, merkt de minister op dat het hier niet is een fixum, doch een maximum. Valt het werk mee, welnu, het subsidie zal minder bedragen. Het werk berust op een stelsel der Reg., niet van ’s minister vinding, doch reeds oud, en heeft ten doel het beheer der kleine rivieren op te dragen aan de daarbij belanghebbenden met subsidie van den Staat. Dat stelsel is sinds jaren door Reg. en Wetg. Macht gevolgd; de min. toont dit met voorbeelden aan. Wat de geopperde denkbeelden betreft, de minister merkt op dat de Rijks-waterstaat nogal eens duur is, doch dit plan, reeds goedgekeurd door drie ingenieurs van het Waterschap, het provinciaal bestuur en die van den Waterstaat, kan dat niet zijn. De raming is niet te hoog, doch zuinig opgevat. Na breede technische beschouwingen acht de minister den aandrang om subsidie van de Provinciale Staten te vragen weinig vereenigbaar met het spoedeischende karakter der zaak. Trouwens, de minister vindt geene reden om in het bij de Staten gevestigde begrip wijziging te willen brengen. Over de verhooging van het subsidie zal de minister zich niet uitlaten; voorloopig acht hij het voorgestelde subsidie het best, vooral nu voor de verhooging geene voorstellen gedaan zijn en anderzijds eene neiging tot verlaging bestaat.
De heer A. van Dedem wenscht alleen Rijks-subsidie voor bevaarbare, niet voor afwateringsrivieren te geven. Trouwens, blijkens adressen zijn de ingelanden zelven niet op het cadeau gesteld. Met kleine kosten kan men aan de bezwaren tegemoetkomen. Het subsidie is in strijd met de waterschaps-reglementen.
Morgen 11 uur voortzetting.
Het verslag der rapporteurs over de Indische pakketvaart en dat over de overeenkomst met de Hollandsche Spoorweg-Maatschappij zijn gereed; beide ontwerpen zijn aan de orde gesteld, maar zullen niet vóór Donderdag behandeld worden.


Tot toelichting van het reeds aangekondigde, thans ingediende ontwerp om den vijfjarigen dienst van de ingelijfden bij de militie te land der lichting van 1883 en den vierjarigen dienst van de ingelijfden bij de zeemilitie der lichting van 1884 met één jaar te verlengen, ten ware de omstandigheden inmiddels raadzaam mochten doen oordeelen hun het ontslag vroeger te verleenen, wordt gezegd:
Bij den algemeenen politieken toestand in Europa is het naar de meening der Regeering noodig, dat de lichting van 1883 der militie van de landmacht en de lichting van 1884 der zeemilitie met 1 Mei niet worden ontslagen, maar voorloopig in dienst gehouden worden. Te minder bezwaar zal tegen dezen maatregel rijzen, wanneer overwogen wordt, hoe weinig last van den door de wet van 31 Mei 1887 (Stbl. no 100) getroffen maatregel door de ingezetenen ondervonden is en hoe uiterst gering in aantal de bezwaren zijn geweest, van welke aan de Regeering en aan de Staten-Generaal is gebleken.
Ook dit ontwerp bevat de bepaling, die beoogt de daarbij bedoelde militieplichtigen, voor zoover zij vroeger niet ter zee gevaren hebben en zich indertijd niet voor de zeemilitie hebben aangemeld, niet langer te beletten ter buitenlandsche zeevaart te gaan.


Pakketvaart. In de memorie van antwoord op het voorloopig verslag der Tweede Kamer betreffende de pakketvaart erkent de minister van Koloniën dat den tegenwoordigen Kamers weinig tijd tot behandeling overblijft. De minister heeft gedaan wat hij kon om de indiening van het ontwerp te bespoedigen en kon de indiening niet achterwege laten op eigen oordeel.
Den minister is medegedeeld dat geld-instellingen die kapitaal zullen verstrekken, slechts tot April e. k. verbonden zijn. Of zij zich langer zullen verbinden, kan hij niet beoordeelen. Eene spoedige beslissing is wenschelijk. Wordt het ontwerp niet aangenomen, dan zal op andere wijze in de behoefte aan eene overeenkomst moeten worden voorzien. Hoe langer de beslissing uitblijft, hoe meer de Regeering afhankelijk wordt van de Nederl.-Indische Stoomvaart-Maatschappij. Uitstel zou leiden tot bestendiging vaa den tegenwoordigen ongewenschten toestand.
Op het betoog der noodzakelijkheid van het onderhouden van geregelde stoomvaartverbindingen in den Nederlandschen Archipel merkt de minister op, dat een geregelde dienst op de lijn Batavia-Singapore moet werden verzekerd door de aansluiting op de Engelsche mails.
Wat door de groote meerderheid der leden in het midden is gebracht over gouvernements-exploitatie van de pakketvaart komt den minister geheel juist voor. Omtrent het betoogde van de wenschelijkheid dat de onderneming voor de bediening der pakketvaart werkelijk eene nationale onderneming zal zijn, zegt de minister dat de Maatschappij welke Bogaardt c. s., voornemens zijn op te richten niet als eene inderdaad nationale kan worden beschouwd.
De vraag, of aanbesteding ook bij aanneming van het wetsontwerp voortgang zou kunnen hebben, moest ontkennend worden beantwoord.
Volstrekte zekerheid is niet mogelijk te krijgen dat de op te richten vennootschap op den duur buiten elken vreemden invloed zal blijven. De nieuwe onderneming wordt evenwel opgericht met medewerking van lichamen, die het grootste belang hebben bij het nationale karakter der onderneming. Wat de nationaliteit van schip betreft, is door den rechter uitgemaakt dat niet door de vlag, maar door den eigenaar de nationaliteit bepaald wordt. De vraag, of het door den heer Boissevain c. s. gevraagde subsidie niet te hoog is, kan niet volledig worden beantwoord door eene vergelijking met het subsidie van de loopende overeenkomst. De Regeering geeft evenwel de verzekering dat uit de nieuwe overeenkomst beduidende besparingen zullen voortvloeien. In regering der kustvaart blijft de Regeering volkomen vrij. Voor vervoer van particulieren of particulieren handel kan de Regeering geene bepalingen maken hoewel de heer Boissevain c. s. daartegen geen bezwaar hebben.
Het plan bestaat bij den [heer Boissevain hieruit zooveel?] mogelijk alle noodige schepen op Nederlandsche werven te doen aanbouwen.