Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/191

Deze pagina is gevalideerd

— 167 —

wenhoek deed hem de zaak aan den onbedriegelijken toetssteen der ervaring onderwerpen en de valschheid van die bewering in het licht stellen. Wormen, kleine schaaldieren en vischkuit, ook somtijds van zijne eigene soort, strekken den haring tot voedsel. De nieuwere onderzoekingen hebben ons vele kleine zeediertjes doen kennen, die, voor het bloote oog bijkans onmerkbaar, onder de voedsels der haringen eene voorname plaats innemen. Dergelijke kleine waterschaaldieren of waterinsekten, gelijk men ze noemt, die in zoetwater springen en zwemmen, maken het hoofdvoedsel van sommige zalmsoorten uit, die de groote meren van Schotland bewonen.

De groote vermenigvuldiging der visschen wordt in 't algemeen door groote vermenigvuldiging van andere soorten beperkt. Verscheidene visschen maken jagt op de haringen. Hiertoe behooren de kabeljaauwen, de Chimaera arctica, de steuren en de haaijen, vooral de Squalus acanthias of speerhaai. Ziet hier eene afbeelding



van dien visch. Somtijds zijn die speerhaaijen zoo menigvuldig, dat de visschers de gewone vangplaatsen verlaten moeten, om hunne netten niet verscheurd te zien. De speerhaai, die niet onder de grootste haaisoorten behoort, en zelden drie voet lang wordt, vervolgt de haringen bij dag en met zooveel stoutmoedigheid, dat hij zelfs tot de vaartuigen der visschers nadert. Meestal bijt hij den haring in tweeën voor hij hem opeet. Behalve visschen, zijn ook zeevogels van onderscheidene soort, meeuwen, zeezwaluwen en anderen, onvermoeid bezig met jagt op de haringen te maken. Vele haringen worden ook door zee-honden (Phocæ) verslonden. In de noordelijke streken, bij IJsland vooral, leeft een grooter vervolger der haringen, de Noordkaper, en wordt aldaar de haringwalvisch genoemd. Door zulke walvisschen nagejaagd zoeken de haringen de kusten of