Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/277

Deze pagina is gevalideerd

— 253 —

te slikken. Ter regterzijde van het tafereel is eene gevleugelde personaadje, als zinnebeeld van den storm, en boven aan den mast een vrouwenborstbeeld, met een' lichtglans omgeven, uitgebeiteld. De kunstenaar heeft, in overeenstemming met het geloof der oude heidenen, slechts eene lichtende figuur aangebragt, de vroeger vermelde, onheilspellende helena, om daarmede het groote gevaar, waarin de schepelingen verkeerden, duidelijk voor oogen te stellen.

Over den oorsprong der benaming: St. Elmusvuur, loopen de meeningen uiteen, dewijl sommigen daarin eene verbastering van het woord helena willen vinden, anderen daarentegen, en zoo ik geloof te regt, dien naam afleiden van zekeren bisschop erasmus, die in de vierde eeuw den marteldood geleden heeft. Door zamentrekking; van erasmus tot ermus, en naar Italiaansch spraakgebruik veranderd tot ermo en elmo, is de benaming van St. Elmus ontstaan, zoo als een kasteel bij Napels naar dien zelfden bisschop erasmus nog St. Elmo wordt geheeten. Dit laatste gevoelen wordt daardoor begunstigd, dat het Helenavuur voor verderfelijk, maar het St. Elmusvuur voor heilaanbrengend wordt gehouden; zoodat het zeer onwaarschijnlijk is, dat de naam van het kwade op het goede voorteeken zoude zijn overgegaan. Daarentegen is het zeer natuurlijk, dat men aan dit gewaande goede voorteeken den naam van een' heiligen gaf, omdat men, naar het geloof dier tijden, waarin men stormen, onweders en dergelijke natuurverschijnsels aan de werking van booze geesten of daemonen, die in de lucht hunne woonplaats hadden, toeschreef, den bijstand en de hulp der heiligen meende te moeten inroepen.

In de beschrijving der tweede reis van columbus wordt vermeld, "dat het op zekeren nacht van de maand October 1493 sterk regende en onweerde, waarbij St. Elmus zich met 7 waskaarsen op de fokkemast vertoonde,"—dat wil zeggen, dat men die lichten zag, welke de matrozen voor het ligchaam van dien schutsheiligen houden.—"Dadelijk werden er litaniën gezongen, omdat de zeelieden gelooven, dat het gevaar geweken is, zoodra St. Elmus verschijnt."

Deze vergelijking der St. Elmusvuren met waskaarsen wordt, volgens arago, na het midden der 17de eeuw niet meer in de reis-