Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/802

Deze pagina is gecontroleerd


 

HET KLIPHOEN OF DE DANSVOGEL.

 

 

Schomburgk deelt, in zijne Reisen in Britsch-Guyana, daarover de volgende bijzonderheid mede:

"Onverwachts hoorden wij, op eene aanmerkelijke hoogte van den berg Hamikipang gestegen, de bekende stem van het Kliphoen op eenen geringen afstand. Mijne leidslieden begaven zich onmiddelijk derwaarts, doch keerden spoedig terug om ons te beduiden, dat wij hen voorzigtig en zachtjes zouden volgen. De moeite, die wij ons gaven om een duizendtal passen op handen en voeten door het boschaadje te kruipen, werd weldra rijkelijk beloond, en mijne opgewekte weetgierigheid werd ten volle bevredigd; want terwijl wij ons behoedzaam naast onze Indianen nedervleiden en uitzagen, waren wij getuigen van een der zeldzaamste tooneelen, die de dieren-wereld kan aanbieden. Een troep van deze heerlijk schoone vogels namelijk hield zich, op de gladde vlakte van een rotsblok, onledig met dansen,—een feit, dat nog door vele ornithologen werd betwijfeld, doch waarover ik reeds veel had gehoord van mijnen broeder, en van andere Indianen. Een twintigtal mannetjes en wijfjes zaten als aanschouwers rondom de dansplaats op de takken van het kreupelhout, dat de rots omgaf, terwijl zij, duidelijk opgetogen, eigenaardige geluiden maakten. In hun midden was één der mannetjes aan het dansen, in trotsch gevoel van zijne eigenwaarde. Hij spreidde den staart zoo ver mogelijk uiteen en bewoog dien telkens op en neder, even als zijne vleugels. Nu eens rigtte het dier zich benedenwaarts, dan eens sprong het regt in de hoogte en zoo huppelde het in bevallige bewegingen zoo lang in het ronde, totdat het vermoeid werd, als wanneer het onder het uiten van een bijzonder vreemd geluid, naar de omringende makkers vloog, terwijl genoegzaam gelijktijdig zijne plaats door een ander mannetje