Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/91

Deze pagina is gevalideerd

— 67 —

geplaatst, behooren zij alleen tot de kruipende dieren in den vollen zin van dit woord. Zij alleen zijn, door het gemis van ware pooten en van den bewegings-toestel die tot loopen gevorderd wordt, streng van de overige familiën der reptilia afgezonderd.

Men kent haar algemeen als koudbloedige, gewervelde dieren, van eenen rolronden vorm, en met eene met schubben bedekte huid. Deze is daardoor zeer bewegelijk, zoodat zij, bij de tallooze kronkelingen, tot welke hun buitengemeen veelribbige en veelwervelige tronk in staat is, gemakkelijk kan medegeven. Behalve uit deze, in kleur, vorm en rangschikking duizendvoudig gewijzigde schubben, bestaat het uitwendig bekleedsel verder uit buik- en staartringen, terwijl de kop met platen en schilden gepantserd is. Geheel dit uitwendig bekleedsel wordt van twee- tot vijfmalen in het jaar, met eenig verschil naar het klimaat, vernieuwd. Alsdan vervelt het dier. Het eerst begint dit aan den kop. De slang dringt zich met dezen in eene of andere naauwe opening, veeltijds in den grond, of tusschen de takken van heesters en struiken. Terwijl het lijf zich hierbij langzaam voortbeweegt, kruipt het dier, letterlijk, uit zijn vel,—doch zoodanig, dat dit niet eenvoudig wordt afgestroopt, maar tevens omgekeerd, op de wijze van een paling-vel. Niet onwaarschijnlijk komt het mij voor, dat het juist dit ruijings- of vervellings-proces is, hetgeen aanleiding kan hebben gegeven tot de voorstelling der slang als allegorie van de eeuwigheid. Hierdoor toch schijnt dit dier zich steeds op nieuw te verjeugdigen.

De slangen zijn van nature schuw en weinig ontwikkeld in hoogere of zielsvermogens. De Hoogleeraar j. van der hoeven stelt, dat zij daarin de visschen niet aanmerkelijk overtreffen. Het is niet dan een onregtmatig verkregene, onverdiende roem, dien men haar oudtijds, als het zinnebeeld van het verstand, van de wijsheid of schranderheid, heeft toegezwaaid. Zij bezitten dien, volgens treviranus, gelijk vele menschen den hunnen, zonder dat iemand zeggen kan, van waar en waarom. Alleen de faam van voorzigtigheid, en vooral van geduld, dragen zij niet ten onregte.

Vele, en inzonderheid de vergiftige soorten, zijn zeer traag van aard en, in den regel, langzaam in hare bewegingen. Andere