Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/13

Deze pagina is gevalideerd
 

WATERDROPPELS,

SCHETSEN NAAR HET LEVEN,

DOOR

P. HARTING.

 

 

Er is welligt niets dat den opmerkzamen beschouwer der natuur meer treft, dan de rijkdom van leven dien zij ten toon spreidt. Waarheen wij den blik wenden, hetzij naar de aarde met de haar bedekkende tallooze planten, naar de menigte van dieren, welke zich daarmede voeden of de prooi worden van andere dieren, of naar de lucht, waar zwermen van vogels en van nog talrijker insekten op vlugge wieken rond zweven, of naar den oceaan, die beide, aarde en lucht, in veelheid en verscheidenheid van schepselen nog verre overtreft,—overal ontmoet ons oog leven en beweging. En al is dat leven slechts tijdelijk, al maakt het telkens wederom plaats voor den dood, dien eindpaal voor het bestaan van iederen stoffelijken vorm, het getal van levende wezens blijft daarom toch steeds even oneindig groot, want de dood heeft slechts eene gedaanteverwisseling ten gevolge. De organische stof, die heden gedaante- en bewegingloos daarneder ligt, zal misschien morgen reeds weder eenen organischen vorm hebben aangenomen, eenen vorm, welligt geheel verschillend van den vroegeren, maar even als deze de zitplaats van dat raadselachtig beginsel, hetwelk de grootste wijsgeeren tot hiertoe vergeefs getracht hebben geheel te ontcijferen, en dat men "leven" heet.

Die gestadige gedaanteverwisseling der stof, en tevens die verbazende rijkdom van levende wezens valt echter eerst dan regt in het oog, wanneer men dat oog wapent met het vergrootglas, en zoo